Bekijk het origineel

Prolegomena voor eene Gereformeerde dogmatiek

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Prolegomena voor eene Gereformeerde dogmatiek

13 minuten leestijd

§ 7. De I n s p i r a t i e . (Vervolg en Slot.)

Laat ons nu allereerst aantoonen, dat de inspiratie der mannen Gods in het leven het getuigenis der Heilige Schrift voor zich heeft. Reeds de Hebreeuwsche woorden n a b i voor Profeet en n a b a voor hunne werkzaamheid, drukken een inwendig proces, een naar boven komen en opborrelen uit, waarvan de Heilige Geest liet eerste persoonlijk beginsel is; Numeri 11 : 25, 26; 1 Samuel 10 : 8, 10; 19 : 20, 23; 2 Koningen 3 : 15, 16; Joël 3 : 1 . Ook dat zoo telkens voorkomende n e ü m J e h o v a is een bewijs voor de inspiratie: Jeremia 1 : 8; 5 : 19 enz. Dit woord geeft zeer eigenlijk het met den Profeet gebeurde te kennen, en wel letterlijk het zacht gefluisterde; liet staat gelijk met i n s p i r a t u m J e h o v a . Het doet ons zien, lioe zich Jehova tot de Profeten uitte; hun werd het woord Gods woordelijk toegefluisterd. Ook de toezegging aan Mozes, Exodus 4 : 12, verkondigt den bijstand Gods, die zich zoover uitstrekken zal, dat God Mozes zal leeren, wat hij voor Farao spreken moet. God legt Mozes het woord in den mond, gelijk een vader het kind woorden voorspreekt, wanneer hij het b. v. iets tot zijne moeder wil doen zeggen. Ten aanzien van Bileam staat er, dat God hem hetgeen hij zal moeten uitspreken, in den mond gaf, dat is, leerde en voorzeide, wat hij vervolgens aan don koning der Moabieten moet verkondigen, Numeri 2 2 : 5 . Zoo staat er evenzeer in Mattheiis 10: 19, 20, dat het den discipelen g e g e v e n zal worden; zij moesten niet bezorgd zijn h oe en w a t zij spreken zouden; den v o r m en de s t o f der woorden zal God de Heilige Geest hun ter rechter tijd en ure mededeelen. Daarbij gaat Jesus zoo ver, dat Hij zegt: Gij zijt het niet, die spreekt, maar de Geest Mijns Vaders, Die in u spreekt, is het, Die spreekt.
Tot hiertoe hebben wij over de inspiratie, die de mannen Gods ontvingen, terwijl zij onder het volk rondgingen, gehandeld. Vestigen wij nu het oog op de inspiratie van hunne geschriften, en vangen wij aan met het getuigenis, dat de Heilige Schrift omtrent de inspiratie van hunne geschriften bevat. De voornaamste bewijsplaats voor de inspiratie der Schriften zelve, niet slechts der personen, vinden wij in 2 Timotheüs 3 : 16. Hier worden de Heilige Schriften, die Timotheüs volgens Vers 15 van kinds afgeweten heeft, uitdrukkelijk als door God ingegeven, als onder Zijne aanblazing ontstaan, aangeduid. „ A l l e S c l i r i f t " is, nauwkeurig genomen : „ e l k e S c h r i f t " , welke tot diegene behoorde, die Timotheüs van kinds af geweten had; elke Schrift van den Kanon uit den tijd van Paulus is door God geïnspireerd en dus nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, en wat Vers 17 er als hoofddoel aan toevoegt: Iedere Schrift is daartoe nattig, opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volinaaktelijk toegerust. Hierdoor wordt de Schrift als de leermeesteres, die den Christen tot de vervulling zijner hooge roeping ten volle bekwaamt. Uit God geboren, leidt de Schrift tot God heen; zij doet den mensch in alle stukken bekwaam en volkomen toegerust zijn : Romeinen 15 : 4; 2 Petrus 1 : 20, 21 spreekt het inzonderheid uit, dat de Profeten bij hun spreken en doen door den Heiligen Geest gedreven werden. Daar wordt in de eerste plaats ontkend, dat de profetie aan eigene, menschelijke vinding of vernuftige berekening haren oorsprong zou te danken hebben; de Profeten hebben hunne bekwaamheid tot hun werk niet door gewaagde hypothesen, door gissingen en kloeke, weldoordachte grepen aan den dag gelegd; zij waren geen wijzen en verstandigen naar den zin der Heidenen. Nooit is eene profetie door den wil eens menschen voortgebracht geworden, maar door den Heiligen Geest gedreven hebben deze mannen gesproken. De werkzaamheid des Heiligen Geestes wordt overal als de voornaamste op den voorgrond gesteld. Hebben nu de discipelen van Jesus den Heiligen Geest ontvangen, Johannes 14 : 26; 16: 13; is hun op den dag van het Pinksterfeest de Heilige Geest ten deel geworden, zoo geldt ook van hen, wat zij den Profeten en den opstellers der oude Heilige Schriften over het geheel toekennen. En werkelijk aarzelt Petrus niet van Paulus het getuigenis af te leggen, dat hy geschreven heef t naar de wijsheid, die hem door God gegeven is; hij stelt voorts de verdraaiing, waaraan reeds toen ter tijd de geschriften van Paulus blootstonden, zeer duidelijk op ééne lijn met de verdraaiing, aan welke ook de oude Heilige Schriften bloot gestaan hadden, 2 Petrus 3 : 15, 16.
De inspiratie der Profeten, die zij in het leven ontvingen, had dus hare voortzetting bij het nederschrijven van hetgeen men van God gedurende het leven in en met het volk ondervonden had; het tweede is slechts een vervolg van het eerste bedrijf. Wanneer de Profeten eenmaal de werking des Heiligen Geestes aan zich ervaren hebben, zoo zullen zij er ook niet van verstoken zijn, als het er op aankomt de vrucht van zoodanige werking op schrift te stellen; de Heilige Geest zal het goede werk, dat Hij begonnen heeft, ook voleindigen.
Hoe zullen wij ons echter den schrijver der Heilige Schrift nader voorstellen? welk levendig denkbeeld moeten wij ons vormen van de inspiratie, waar zij in het bijzonder den schrijver betreft? Vindt hier eenigermate eene onderscheiding plaats tusschen het Woord Gods in engeren zin en het woord, dat de heilige schrijver er aan toevoegt. Geeft God slechts hetgeen het eigenlijke wezen der heilige overlevering uitmaakt, en voegt de heilige schrijver er het overige bij, nameljjk het bijwerk, dat op de geschiedenis, de aardrijkskunde, de volkenkunde of de natuurlijke geschiedenis betrekking heeft ? Vallen dus eenige Verzen van zulk een geschrift onder de categorie der woorden Gods en zijn andere daarentegen enkel menschenwerk ? „Alle Schrift is van God ingegeven", onder Zijnen levendmakenden adem ontstaan; bij dat woord van Paulus blijft het. — Maar hoe heeft men zich de inspiratie in dier voege voor te stellen, dat er eenheid in deze werkzaamheid komt, zonder dat men eene verdeeling van het werk of een werktuigelijk voor- , zeggen van de zijde des Geestes Gods behoeft aan te nemen? Ten opzichte van den toestand van den door God bezielden schrijver verwijzen wij naar het reeds genoemd geval, dat in het leven der discipelen des Heeren voorhanden en ook hier van gewicht is. Jesus verbiedt Zijnen discipelen (Matth. 10: 19, 20.) bezorgd te zijn, hoe zij zich voor hunne vijanden zouden verantwoorden, namelijk waar zij als getuigen huns geloofs voor vijandige rechters kwamen te staan; zij mochten evenmin bekommerd zijn omtrent den inhoud der verdediging zelve als omtrent den vorm. Ondervragen wij nu zulk eenen getuige zijns geloofs — en zij komen tot heden toe nog voor — over zijne ervaring in zulk een allermoeilijkst uur des levens, dan zal hij zich ongeveer laten hooren als volgt: In mij, die kort te voren nog gansch moedeloos was, kwam plotseling eene zekerheid, als nooit te voren; ik zag de menschen niet aan, ik lette niet op het zichtbare; slechts mijne goede zaak had ik voor oogen, en ongezocht kwamen de woorden bij mij op, die ' ik op mijne wijze uitsprak; die eenvoudige woorden hadden echter zulk eene uitwerking, dat niemand ze kon tegenstaan of tegenspreken. Zoo is dan zulk een fel bestredene en tot zelfverweer genoodzaakte volgeling van Jesus eenerzijds met zijnen geheeleu persoon werkzaam, en toch geldt het van het in die ure gesprokene woord, dat de Geest Gods het voortgebracht heeft. Men kan er dus inwendig van doordrongen zijn, dat men ten volle naar zijne eigenaardigheid en ganschelijk uit het hart gesproken heeft, en nochtans heeft, naar de belofte des Heeren i (Matth. 10: 20) de Geest Gods in ons gesproken.
Op dit voorbeeld vestigen wij de aandacht van allen, die het verstaan willen. Als geschiedenis, als feit vernieuwt het zich te allen tijde, waar slechts aangevochtene discipelen des Ileeren zijn; deze daad der bezieling van Godswege komt telkens nog voor. Dat brengen wij nu eenvoudig over op de schriftelijke bewerking der Heilige Boeken, die ons hier bezig houdt. Alle Heilige Schriften dragen dit karakter van getuigenis in zich. Zij leggen van Gods wege getuigenis af tegen of ten gunste van den lezer. De Wet heet zelf het Getuigenis; ook de profetische, zoowel als de dichterlijke Geschriften vertoonen dat karakter. Zoo mogen wij ook eenen Paulus in zijne Zendbrieven als eenen getuige des Heeren, die voor het forum eener geheele vaak weerstrevende Gemeente optreedt, ons voorstellen, die ook, als hij schrijft, de zaak zijns Gods uitricht en er op bedacht is, zijnen Heer te rechtvaardigen. Ieder woord, dat hij schrijft, doet den vijanden afbreuk, is een getuigenis tegen hen, en is dienstig om de kinderen Gods te rechtvaardigen tegenover hunne vijanden, en allen die tegenstaan te beschamen. Den discipelen over het geheel geeft Jesus den naam van getuigen, Lukas 24 : 48. Zoo is het allereerst h u n woord, maar te gelijk dat des Heiligen Geestes; het is woord des menschen en tegelijk woord Gods, 1 Thess. 2: 13. De gemoedstoestand van eenen getrouwen getuige van Jesus verandert dus niet, hetzij dat hij spreke of schrijve. Dit nu toont ons aan, hoe zulk een woord der Heilige Schrift tot stand komt. Het verschil, hetwelk bij dat alles tusschen het woord van eenen getuige onzer dagen en de woorden van eenen kanonieken schrijver bestaat, zal beneden aangestipt worden; aan laatstbedoelde getuigenissen komt namelijk de kanoniciteit toe. Maar het gegeven voorbeeld ter vergelijking biedt een ervaringsfeit op godsdienstig gebied, dat tot op dezen dag in het leven ondervonden wordt. Hier kunnen wij eens het wonderbaar samenwerken van den Goddelijken en den menschelijken factor bij het tot stand komen van zulk een product aanschouwen. Hier aanschouwt men hetgeen door den mensch voortgebracht wordt, hetwelk Jesus evenwel door den Heiligen Geest gesproken noemt; hier ontwaart ons oog het Goddelijke, dat nochtans zoo gansch mensehelijk schijnt. Is dat ervaringsfeit een puur verzinsel, dan, ja eerst dan kan men op de inspiratie eenen steen werpen, die haar daarom treffen moet, dewijl zij zoo mechanisch, zoo werktuigelijk zou zijn, of iets, dat men zich in het geheel niet kan voorstellen, en omdat de menschelijke factor, dien de Heilige Schrift zoozeer op den voorgrond stelt, gansch en al zou te niet gedaan worden. Aan een vergeten der menschelijke woorden ter wille van het Woord Gods; aan een over het hoofd zien der menschelijke medewerkzaamheid is volgens deze onze beschouwing niet te denken; veeleer komt het menschenwoord bij het opstellen der Heilige Boeken zoo tot zijn recht, dat de waarheid, dat G o d hier gesproken heeft, dat alles Zijn "Woord is, eene zaak des geloofs, niet echter eene zaak des aanschouwens en van wiskunstige zekerheid is en blijft. God namelijk, zooals ons dit reeds boven bleek, houdt Zich bij de daad der inspiratie in het leven verborgen, en evenzeer niet minder bij de daarop volgende schriftelijke opstelling der Heilige Boeken. Daarom moet God ook naderhand nog het door die mannen nedergeschreven woord erkennen; anders zou het toch nog door de zorgeloosheid der menschen verloren gaan. Nu heeft God inderdaad deze Schriften erkend door middel van de vorming van den Kanon; er is, gelijk wij zien zullen, eene kanonvormende werkzaamheid Gods, eene voorzienigheid, die zich tot de vorming van den Kanon uitstrekt. — Zoo schreef dan eigenlijk zulk een Profeet of Apostel, gelijk nu nog een goed herder of leeraar der Christelijke Gemeente schrijft, met dit onderscheid evenwel, dat God de Schriften van zulk een man daardoor als meest vertrouwbaar verklaard heeft, dat Hij voor hare bewaring zorg droeg, en dat de Geest Gods den geest des menschen de getuigenis geeft, dat deze Geschriften vóór alle andere eene als norma geldende waarheid bevatten of normaal zijn. Inspiratie, vaststelling van den Kanon en eindelijk het getuigenis des Heiligen Geestes zijn de drie instantiën, die het Heilige Boek door haar samentreffen boven elk boek van eenen tegenwoordigen getrouwen leeraar zijner Gemeente verheffen; want ook van dezen geldt toch: Indien iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods, 1 Petrus 4: 11.
De Apostelen en Profeten, wanneer zij hunne Boeken schreven, waren nu echter bij alle vrijheid en zelfstandigheid ten volle in Gods hand; zij waren eene creatuur Gods; zij spraken en schreven in de volkomenste ondergeschiktheid aan den Hpiligen Geest, Matth. 10 : 20. Vandaar dan ook, dat het door hen gesproken woord den titel „Woord Gods" draagt en dien ook waardig is. Die heilige schrijvers zijn op zulk eene wijze in den dienst Gods gesteld, dat niet allereerst z i j , niet h u n ne meening en leer aan het woord- komen, maar Gods Geest, Die in hen werkzaam is. Wij kunnen hier wel degelijk de werkzaamheid des geïnspireerden schrijvers onder het gezichtspunt der goede werken stellen. Hij bevond zich bij den arbeid van het opstellen der Schrift op den bodem van heilige werkzaamheid. Gelijk nu onze goede werken Gods werken zijn en heeten, (Verg. Galaten 5: 22; Efeze 2: 10; Hebreën 13: 21.) met hetzelfde recht heet een werk, door den Apostel op schrift gesteld, ook werk of woord Gods. Gods W o o r d heet echter de Heilige Schrift niet in dien zin, dat voorts de menschelijke factor buitengesloten ware. Dat is hier evenmin als bij de goede werken in het algemeen het geval. Maar in den zin der volkomene ondergeschiktheid van den eenen factor aan den anderen, van den mensch aan God, komt deze titel met volle recht aan de Heilige Schriften toe. A p o t i o r i f i t d e n o m i n a t i o.
Langs dezen weg hebben wij ons eene heldere voorstelling verworven, in hoeverre eene heilige Schrift bij al het menschzijn van den opsteller toch Gods Woord niet slechts heet, maar ook is; op mechanische, hoorbare wijze gaat dat niet toe; veeleer is, van achteren bezien, de Goddelijke medewerkzaamheid zelfs een voorwerp des geloofs, gelijk al wat God eens door menschen gewrocht heeft.


B L A D V U L L I N G

H. BULLINGER zegt: Paulus laat in zijnen Brief aan de Galaten in 't geheel niets van zijn Evangelie aan de menschen over; niet eens aan de Apostelen des Heeren, maar schrijft het ganschelijk toe aan de Inspiratie des Geestes.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 november 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Prolegomena voor eene Gereformeerde dogmatiek

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 november 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken