Bekijk het origineel

Influenzalijders en hunne genezing.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Influenzalijders en hunne genezing.

9 minuten leestijd

Er wordt veel geleden in onze dagen, zoowel in het verborgen als in het openbaar. Ook op andere tijden is zulks het geval, maar de allerwegen heerschende ziekte, „Influenza" genoemd, treft op bijzondere wijze land, stad en dorp. En dit bij reeds zooveel ellende, waarover geklaagd wordt. Wat blijft er ook anders over dan te klagen, wanneer de groote Schepper aller dingen, Die uit het eeuwig licht op al het aardsch gewemel nederziet, miskend wordt; wanneer overal raad gezocht wordt, behalve bij Hem. Zijne oogen echter zijn open over degenen die Zijnen Naam aanroepen; Hij hoort zoowel het kort gebed van den armen zuchtende als het aanhoudend roepen des verdrukten. Daaraan wordt wel het minst gedacht. De vrees voor het nakende onheil slaat den eenvoudigste neer, en bij de kastijding, die tegenwoordig is, zijn de handen traag en de knieën slap. Zelfs behoort er als 't ware moed toe, om te breken met het redeloos gejammer en het vertoon van ernst, dat bij de statistiek van door de influenza aangetasten den belanghebbenden wordt onder de [oogen gebracht. En tegenover al die verslagenheid gaat met ijskoude volharding de geest des tijds voort, eenen doodsengel ten tooneele te voeren voor de milde bezoekers der holen van spotternij en vijandschap tegen den Heilige. Voorwaar eene schrille tegenstelling met hetgeen de God van hemel en aarde doet komen, om den inwoners der wereld gerechtigheid te leeren.
Er wordt niet gezien op de Hand, die slaat, maar op den mensch, wiens heerlijkheid is als het gras des velds, wiens beenen reeds weigeren hem te dragen. De gansche wijsheid der geleerden wordt uitgeput, waar men de feiten wil te niet maken, die toch duidelijk genoeg getuigen, dat Gods iets doende is, waarop niemand heeft gerekend. En de ontruste gemoederen worden zóó geslingerd door allerlei ijdel geroep, dat zij, voor de ware oorzaak blind, die oorzaak ontkennen. Bij alle rondzien naar middelen om de ziekte te keeren. mag toch wel gevraagd worden: „Is er geen balsem in Gilead, is er geen heelmeester aldaar?" Gewis, God zal Zijne ellendigen niet verachten, die bij Hem eene schuilplaats zoeken, en die reeds voorloopig bevestigd zien wat de Heere in Luk. 17: 26—30 van dagen als die van Noach zegt: „En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzoo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des menschen. Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag, op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen. Desgelijks ook, gelijk het geschiedde in do dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden; maar op den dag, op welken Lot van Sodom uitging, regende het vuur en sulfer van den hemel, en verdierf ze allen. Even alzoo zal het zijn in den dag, op welken de Zoon des menschen zal geopenbaard worden".
Ook in de tegenwoordige omstandigheden wordt bewaarheid wat de Zoon des menschen, de groote Hartenkenner zeide, toen Hij met Nikodemus over de wedergeboorte sprak: „En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hunne werken waren boos". De boosheid dier werken wordt niet weggenomen door de beteekenis van de griep met eenen nevel te bedekken, en inet eene weinig afdoende naamsverandering als „influenza" voor de gemoederen meer ingewikkeld te maken.
Intusschen wordt op eene geheel andere wijze, dan door dien term bedoeld wordt, wel waarlijk eene influentie of invloed openbaar van den Almachtige, en het ware te wenschen, dat de indruk daarvan ook onbewimpeld werd erkend. Doch God kan uit steenen wel Abraham kinderen verwekken; Hij kan geestelijk dooden, die reeds den natuurlijken dood voor oogen zien, levend maken en ooren geven om te hooren wat door Zijn Woord de Geest tot de Gemeente zegt. Dan zal ook de oorzaak erkend -worden, dio zulke oordoelen teweegbrengt. Die oorzaak ligt niet in eon nieuw ontdekt stelsel van bacteriën, -waarvan dan een groot aantal soorten inoet bestaan, zoowel nuttige als schadelijke, en dio dan moeten geacht worden, gebonden te zijn aan die wetten, welke door het menschelijk verstand verklaard worden. Want de dampkring, waarin zich deze ontwikkelen en bewegen, is toch niet minder Godes dan de dampkring in Egypte, waarin het stof der aarde in luizen veranderd werd ten tijde van Israëls woning aldaar (Ex. 8 : 16—19), zoodat Farao's toovenaars, do levende plaag aanschouwende, betuigen moesten: „Dit is Gods vinger."
God regeert en toont Zijne Almacht. Daaraan gedenken zij, dio, met de verschijnselen des tijds voor oogen, het recht Zijner gerechtigheid bekennen; terwijl diezelfde verschijnselen de rede verduisteren van hen, die door allerlei nieuwe ontdekkingen de waarheid bedekt houden, in plaats van dezo allereerst te belijden. Zij, die de ernstige zijde der tuchtiging gadeslaan, zien bezoekingen des Heeren in dit alles, en sluiten hunne oogen niet moedwillig voor de oorzaak daarvan.
Wat is de oorzaak dier bezoekingen ? Het is do zonde, de afval van God, die zoo min Zich verloochenen laat in alles, dat alle verzet tegen die waarheid zich wreekt in de eene ziekte na de andere, die dan als van nieuweren datum wordt vermeld. De persoonlijke ondervinding speelt met de elkander tegensprekende gevolgtrekkingen, dio do verachting van den Hoogsten Wetgever koesteren, maar speelt niet met de bewijzen, dat de Hoogste Majesteit regeert. Dat wordt erkend door hen, die door den naam der ziekte niet bewogen, maar, van den ernst der zaak vervuld, door het Woord in hun hart gegrepen worden. Zij kunnen hunne oogen niet meer in lichtzinnige nieuwsgierigheid te goed doen aan het masker, waarmede de waarheid bedekt wordt, maar keeren tot zichzelven in en moeten het bekennen, hoe min zij in staat zijn, hunne schuld en de roede daarover te loochenen.
Het is de zonde, onze zonde, die zóó diep ingrijpt in alle levensverhoudingen, dat zichtbaar de helden en grooten der aarde vallen; dat ouden en jongen ten grave gebracht; dat allerwegen de beschaming van alle gewaande kracht wordt ondergaan en aanschouwd. IJdel is het vermogen des menschen, om die sterk sprekende getuigenissen te overschreeuwen; ijdel het vermogen, om zich te beschutten tegen het komende kwaad. Het rechte schild, dat bevrijdt is Hij, Die dekt naar Ps. 91: 4—6 : „Hij zal u dekken met Zijno vlerken, en onder Zijne vleugelen zult gij betrouwen ; Zijne waarheid is eene rondas en beukelaar. Gij zult niet vreezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt; voor de pestilentie die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest. Aan uwe zijden zullen er duizend vallen en tienduizend aan uwe rechterhand; tot u zal het niet genaken". — Hij leert den zondaar, wiens Heelmeester Hij is; Hij drukt Zijn stempel der genade op den goddelooze, dio belijdt, dat Hij tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd l u i f t , wiens handen en voeten machteloos zijn, maar die met «h kracht des Heiligen Geestes wordt aangedaan, om oprechtelijk te spreken, zooals die Samaritaansche vrouw, die hare schande niet meer verborgen kan houden, maar van Christus Die haar redde, zegt: „Komt, ziet eenen mensch, die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is deze niet de Christus?"
Nu waren er, die zich verwonderden, dat Hij met eene vrouwsprak (Joh. 4 : 27); maar het feit was geschied, dat alle feitendes ongeloofs en bijgeloofs beschaamt. Zij is gered geweest. Evenzoo is het ook met dien, die in onze beschamende dagen. God vreest en niet bijgeloovig de menschen meerder rekent dan zij zijn; die Gods aangezicht zoekt, daar kome dan van wat kome; die Hem hoort, en alle vleesch gras acht. Hij is gered. Daar moge men zijn lichaam ten laatste ook met alle wormen of bacteriën begraven, — Israël gaat door eene sterke' Hand Egypte uit en wordt Kanaiin binnengeleid, alles achterlatende, wat hem hier zooveel zorg en benauwdheid baarde- Door het geloof gaan dezulken in en erven eeuwige heerlijkheid.
Wil men een middel, ook tegenover de „Influenza", dat geenszins de liefde des naasten aan banden legt, maar dat, bij alle beoefening der geneeskunst, de toepassing binnen de perken der waarheid houdt, zoo geeft ons het Woord den weg daartoe. Daarin staat geschreven van Een, Die de koude des nachts heeft verduurd aan een kruis; Die als Man der smarten, in weerwil van aller bespotting, onze krankheden heeft gedragen; Die de genezing door Zijn bloed, do genezing van al onzen afval en daaruit ontstane gevolgen, bewerkt heeft; Die de vergeving onzer zonden heeft teweeggebracht, als het onfeilbaar middel tegen al wat ons drukt; Die ons van de zonde en hare gevolgen heeft verlost, en die gemaakt heeft, dat wij daar volstrekt geen ander kennen om ons in nood en dood te bewaren, dan Hem, van Wien Jes. 63 : 9 gezegd wordt: „In al hunne benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel Zjjns aangezichts heeft hen behouden; door Zijne liefde en door Zijne genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op,, en Mij droeg hen al de dagen van ouds". — Aan de hand) van Zijn Woord is er kalme overweging, en zegen op hetgeem tot genezing dor lijders wordt aangewend.
Zullen allen Hem hooren ? Yerre van daar. Daarom is er allerlei overdreven beweging, allerlei poging om de bestaande vrees te trotseeren, allerlei bedenken tot verzadiging der lusten des vleesches. Dat nu bevestigt de oordeelen Gods als zoodanig en bevordert het gevaar van besmetting meer, dan dat men liet opgelegde juk draagt, vertrouwende op Hem, Die alleen het tegenmiddel geeft. Zijne genade geeft in geloove het oordeel te ontkomen en getroost te zijn met Zijne barmhartigheid in Christus. Zóó komt hét zwakke er door, dat aflaat van den mensch, wiens adem in zijnen neus is; terwijl het dusgenaamd ijzersterke met slag op slag geslagen wordt.
Zij toch de uitbreiding der ziekten geene reden om hunne wording aan de elementen der natuur toe te schrijven. Want in alle plaatsen der aarde, waar bezochten, ook met deza pestilentie, zijn, gaat over al wat God gelooft hetzelfde Woord, dat alle eigen gekozen offers in de schaduw stelt bij het ééne offer van Christus. Dat offer werkt ontferming en verzacht den druk der lijders, omdat daarin de zaligheid vastligt. Daarop doelende zegt Jesaia Hoofdstuk 33 : 2 4 : „En geen inwoner zal zeggen: ik ben ziek; want het volk, dat daarin woont zal vergeving van ongerechtigheid hebben".
D. M.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 januari 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Influenzalijders en hunne genezing.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 januari 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken