Bekijk het origineel

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 8 : 28.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 8 : 28.

18 minuten leestijd

Uit de voorgaande Verzen hebben wij vernomen, dat de geloovigen, de heiligen Gods, in hunne zwakheid eenen machtigen Helper en Pleitbezorger hebben, nml. den Heiligen Geest, Die, waar zij niet weten, wat en hoe zij zullen bidden, voor hen bidt met onuitsprekelijke zuchtingen, zoodat, al schijnt ook alle geestelijk leven als verstorven te zijn, er toch altijd weder een „o God!" een „o Heere, help!" of een „ontferm U mijner en wees mjj genadig!" tot God opstijgt. Ook hebben wij gezien, dat God de Heere, Die de harten doorzoekt, weet, welke de meening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt. Er is dus een roepen uit de diepte, dat tot God opklimt, gelijk het reukwerk, waarvan wij in de Openbaring lezen, dat het beteekent: de gebeden der heiligen ; en daarboven is een open oor, dat daarnaar hoort en daarop let, ja, dat zich neigt tot den diepsten zucht, — een hart, dat acht geeft op hetgeen Hem in den nood wordt voorgelegd. En waar dat is, daar is ook verhooring des gebeds, want „de Heere ziet uit de hoogte Zijns heiligdoms nederwaarts, om het zuchten der gevangenen te hooren"; intusschen, deze verhooring komt niet altijd, zooals wij het ons voorgesteld en uitgedacht hebben, maar het heeft dikwijls het aanzien, als ware ons gebed verworpen, als wilde God er niets van weten. Zoo verhaalt Paulus ons ergens, — hij, die deze woorden geschreven heeft, — dat hij eenen doorn in zijn vleesch had, oenen satansengel, die hem met vuisten sloeg, en dat hij God driemaal had gebeden, om hem daarvan te verlossen, — want hij dacht, dat hij, wanneer hij van dit lijden bevrijd was, met veel meer kracht, en dus ook met veel meer gevolg het Evangelie zou kunnen prediken, den Naam Jesu Christi onder de Heidenen zou kunnen verkondigen, naar de opdracht, die hij had ontvangen: om hunne oogen te openen, opdat zij zich zouden bekeeren van de duisternis tot het licht en van de macht des satans tot God. God echter verhoorde zijn gebed niet zooals hij zich had voorgesteld, maar zeide tot hem: „Mijne genade is u genoeg, want Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht". En zoo moest hij de zwakheid dragen, maar heeft juist zoo voor zichzelven veel meer van Gods genade leeren verstaan, dan anders het geval zou geweest zijn, en terwijl hij zoo te zeggen verbroken en vermalen werd, is hij des te meer bekwaam geworden, om Jesus Christus te verkondigen. Dat gaat echter dikwijls zoo, dat onze gebeden, die op zichzelven Gode welgevallig zijn, schijnbaar geene verhooring vinden, zoodat zij als het ware met onze gedachten, wenschen en verwachtingen in den dood gaan, maar God juist voor ons een veel grooter heil bereidt, hetzij dat hierbeneden reeds wordt gezien en erkend, hetzij daarboven voor den troon Gods.
Daarom gaat de Apostel dan ook voort, en zegt in Vers 28: E n wij w e t e n , d a t d e n g e n e n , d i e God l i e f h e b b e n, a l l e d i n g e n m e d e w e r k e n t e n g o e d e , n a m e l i j k deng e n e n , die n a a r Z i j n v o o r n e m e n g e r o e p e n z i j n. Hij zegt: „Wij weten het". Het gaat dus niet om iets onzekers, om een menschelijk en daarom aan dwaling onderhevig gevoelen en vermoeden, maar om iets dat zeker is, dat vaststaat. Wij weten het allereerst uit Gods Woord, uit do Heilige Schrift; daar zien wij telkens opnieuw, hoe God door alle lijden, smart en droefenis hierbeneden het bij Zijne kinderen tot een goed einde brengt, zoodat zij daar staan als wonderteekenen, en zij uit hetgeen hun het smartelijkste, het bitterste was, de beste, eene eeuwige vrucht ontvangen hebben. „Wij weten", zegt de Apostel, ziende op zichzelven en op de Gemeente; hij zelf heeft het dikwijls ervaren, waar hij allerlei vervolgingen had te verduren, onder het zware kruis, dat hjj heeft moeten dragen, toen het met hem ging door vuur en water, toen de vijand alle krachten inspande, om hem te verderven, oin het Woord in zijnen loop te stuiten, en wat hij zoo heeft ervaren, dat hebben immers op hunne wijze de geloovigen in de Gemeente ook ervaren, de eene zus, de andere zoo. Daarom vat hij hen mede samen, en zegt niet: „ik weet", maar: „wij weten". Niet alsof dit altijd zoo zeker en vast in ons bewustzijn ware! Ach, hoe vaak is integendeel de troost voor onze oogen verborgen, hoe vaak is ons alles ontnomen, en zoo wij ook voor eenen tijd in dit licht gewandeld hebben, wij bevinden ons op eenmaal weder in de duisternis. Nochtans: de Heilige Geest, — Hij, Die naar God voor ons bidt met onuitsprekelijke zuchtingen, Hij, van Wien de Heere tot Zijne discipelen zeide: Hij zal u in al de waarheid leiden, en Hij zal u indachtig maken, hetgeen I k u gezegd heb; en wederom: Hij zal u troosten, — Hjj maakt ons toch weder indachtig, legt ons weder in het hart, wat de duivel ons ontnomen heeft, wat wij in onze kleingeloovigheid niet hebben kunnen vasthouden, zoodat de zon weder door de wolken breekt, en wij nochtans weten en vasthouden in allen nood en droefenis dezes tegenwoordigen tijcls: „Dengenen, die God liefhebben, moeten alle dingen medewerken ten goede".
D e n g e n e n , die God l i e f h e b b e n , zegt de Ap istel,— wat zijn dat voor menschen ? Ach, zulk een woord zou iemand toch met vreeze kunnen Vervullen en op eenmaal allen moed, allen troost kunnen ontnemen; want hoe zou ik van mijzelven durven zeggen, dat ik God liefheb, ik, die zulk een ontrouw hart heb, dat altijd weder de afgoden aanhangt en vol eigenliefde is ? Zij echter hebben God lief, die ervaren hebben, dat God hen eerst heeft liefgehad, dat God hen opgezocht heeft in hunne verlorenheid met Zijnen Christus, met Zijn Lam, en dat Hij tot hen gesproken heeft een woord van vrede, niet tot hen gesproken heeft van hetgeen zij moeten doen, maar van hetgeen Hij voor hen heeft gedaan, dat Hij de wereld alzoo lief heeft gehad, dat Hij Zijnen eengeboren Zoon gegeven heeft. Toen is in hun hart de liefde ontwaakt tot Hem, Die hen eerst heeft liefgehad, zoodat zij de goede keuze hebben gedaan: „Uw God is mijn God", en het kruis op zich genomen en den smallen weg verkozen hebben, en niet meer konden meedoen met de wereld. Met hunne zonde moeten zij altijd weder tot IIem henen, en gelijk zij God liefhebben, hebben zij ook de broeders lief. Dat is het kenteeken. Niet, dat zij zich daarop zouden beroemen, — ach, als het op het roemen zou aankomen, is alles reeds lang verloren en bedorven, en is het hun gegaan en gaat het hun als Petrus, die wel met den Heere in de gevangenis en in den dood wilde gaan, maar Hem voor eene eenvoudige dienstmaagd verloochende en geenen moed had om Hem te belijden; waar was toen zijne liefde? Toen evenwel later het woord des Heeren tot hem kwam: Simon, zoon van Jona, hebt gij Mij lief? kwam toch uit het verslagen hart, — hoewel alle duivelen het wilden terughouden en onderdrukken, — naar waarheid, zij het ook met beschaamdheid des aangezichts- „Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik IJ liefheb"; Petrus kon toch zonder den Heere niet leven. En nu, wanneer wij zonder Hem niet kunnen leven, maar ons houden aan Zijn Woord te midden van een overspelig en zondig geslacht, houden wij dan vast aan hetgeen de Apostel op grond van Gods Woord en zijne rijke ervaring zegt: D e n g e n e n , die God l i e f h e b b e n, w e r k e n a l l e d i n g e n mede ten g o e d e , — alle dingen, niets uitgezonderd: alles wat ons drukt en benauwt, al het lijden van dezen tijd, armoede en gebrek, ziekte en smarten, een lang ziekbed, ook dat de dood ons de onzen, die wij liefhebben, ontrukt, dat wij zoo dikwijls moeten gevoelen en ervaren, dat wij aan de ijdelheid onderworpen zijn, dat er slag op slag, stoot op stoot komt, dat onze plannen en berekeningen ons teleurstellen, dat het, in plaats van terstond naar Kanaan, de woestijn in, en door de woestijn heengaat, dat men vernederd wordt en zoo menigen bitteren kelk te drinken krijgt. Ook de gansche weg, dien Paulus in het voorgaande heeft aangegeven, is in dit „alles" opgesloten, t. w. dat het naar Hoofdstuk 7 door zulk eenen inwendigen strijd heengaat, zoodat men niet kan, gelijk men gaarne zou willen, en voortdurend dit lichaam des doods met zich moet omdragen; dat de geloovigen geene sterke helden, maar zuchtende schepselen zijn, wier zwakheid de Heilige Geest moet te hulp komen, daar zij anders voortdurend bezwijken, — kortom, al wat slechts dit woordje „alles" kan omvatten, bedoelt Paulus hier, wanneer hij zegt: „Alle dingen moeten dengenen, die God liefhebben, medewerken ten goede"; nog eens, alles, hoe zuur, hoe bitter ook. En tot welk goede nu? O, toch zeker tot dat goede, waarvan de Apostel 1 Cor. 2 : 9 schrijft: „Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des menschen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben". Het goede is dus: de eeuwige zaligheid bij Hem, Die ons duur gekocht heeft met Zijn bloed, dat wij Hem zien van aangezicht tot aangezicht, Hem, Dien wij hierbeneden hebben liefgehad zonder Hem te zien, dat het dan uit is met de zonde, en met allen rouw, alle gekrijt, dat dan de tranen van de oogen afgewischt worden voor eeuwig, en alles opgaat in een eeuwig loven van God, — dat alles, en wat hierbeneden daarvan reeds eenen voorsmaak geeft en daarheen voert en leidt, dat wij den Heere merr en meer leeren kennen in den rijkdom Zijner macht, barmhartigheid en trouw, dat wij meer en meer geworteld en gegrond worden in Iletn. wassen en toenemen in de kennis van Zijnen zaligmakenden Naam, en ons leven hebben in het Woord onzes Gods. Dat is dat „goede", of zooals onze Catechismus het in het Antwoord op de eerste Vraag uitdrukt: „dat mij alle ding tot mijne zaligheid dienen moet". Dairvan spreekt ook David in den 116d'n Psalm, wanneer hij zegt: „Mjjne ziel, keer weder tot uwe rust, want de Heere heeft aan u welgedaan; want Gij, Heere! hebt mijne ziel gered van den dood, mijne oogen van tranen, mijnen voet van aanstoot". — Bij het heien van palen, krijgt iedere paal krachtige slagen op het hoofd, om des te vaster te staan. Wanneer de geloovige zoo vele slagen ontvangt en met den 25sten Psalm moet klagen: „Duizend zoigeu, duizend dooden Kwellen mijn angstvallig hart", geschiedt dit ook, opdat hjj vastgesteld worde, om onbeweeglijk te staan. Vanwaar de Psalmen, het veelvuldige roepen en schreien, klagen en jammeren, loven en prijzen ? vanwaar die veelvuldige verheerlijking Gods in de Psalmen, zoodat zij zich als een stroom van troost nu reeds drie duizend jaren voor de Gemeente hebben uitgestort, en wij reeds zoo menigmaal daardoor gehouden, gedragen, als aan Gods hart gelegd zijn en nieuw leven ontvangen hebben? vanwaar dat alles, zoo niet David ook door lijden heen geleid ware gewerden, zoo hij niet al deze vervolgingen en vijandschap had moeten doormaken? Toen hij vlood voor Absalom, to< n zijn eigen zoon het arme vaderhart op het bitterst bedroefde, teen klonk het van zijne lippen: „Het heil is des Heeren; Uw zegen is over Uw volk" (Ps. 3:9.) Toen hij in doodsgevaar was bij de Filistijnen en zich aanstellen moest als een waanzinnige, — welk een nood! — toen, uit deze benauwdheid, kwam de liefelijke olie der belijdenis en der ervaring: „Zij roepen, en de Ileere hoort, en Hij redt hen uit al hunne benauwdheden". (Ps. 34 : 18.) Toen hij verraden werd door Doëg den Edomiet, toen kwam uit zijn hart en van zijne lippen : „Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos". (Ps. 52 : 10.) Ja, hoe zouden wijzelven geleerd hebben, zegen, leven, troost, blijdschap en steun in de Psalmen te vinden, wanneer er geen lijden voorafgegaan ware, wanneer wij niet in den smeltkroes waren gekomen, wanneer wij niet in de diepte en deor de duisternis waien geleid, wanneer niet Ged wegen met ons ware ingeslagen, die vleesch en bloed niet behagen ? Spreekt niet de Apostel van kastijdingen, waarmee God niet de vreemden, maar juist Zijne kinderen bezoekt? Wanneer oudeis hunne kinderen kastijden, gebeurt dit toch niet, omdat de ouders daarin een vermaak hebben, maar opdat het den kinderen ten goede medewerke, opdat zij van allerlei zonde en goddeloosheid afgebracht, en in Gods weg teruggevoerd en daarin gehouden worden. En wanneer God Zijne kinderen kastijdt en bezoekt, geschiedt dit eveneens, opdat het ten goede medewerke, opdat wij niet met de wereld verloren gaan, maar Zijne heiligmaking deelachtig worden, opdat deze kastijding ons geve eene vreedzame vrucht der gerechtigheid, als wij daardoor geoefend zijn. O, slaan wjj onzen blik op de geschiedenis, letten wij op de voetstappen der schapen, op den weg, dien zij van ouds her hebben moeten gaan onder de leiding van den goeden Herder, slaan wij eenen blik in de Heilige Schrift, — welk een lijden voor den aartsvader Jakob, het geheele leven door! Zijn eigen broeder vervolgt hem en dreigt hem met den dood ; het vaderhuis moet hij verlaten, hij moet verre wegvluchten en zijn hoofd nederleggen op eenen harden steen, — maar heeft het Diet medegewerkt ten goede? Toen juist werd hem de zegen vernieuwd, toen juist kwam hij tot de belijdenis: „Dit is riet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels!" En daarna zijn lijden bij Laban, zijne heimelijke vlucht, de vrees voor den vijandigen Ezau, en later het lijden met zijne kinderen, met Dina, met de wreede zonen, die hem den met bloed gedrenkten rok van Jozef onder de oogen brachten, de tweeëntwintigjarige rouw om dezen zijnen zoon, — heeft niet dat alles, terwijl bij daaronder verbroken, verbrijzeld en als vermalen werd, medegewerkt tot het gebed : „Op Uwe zaligheid wacht ik, Heere" ? — Het schoone kindeken Mozes werd in het water geworpen, het hart der ouders werd daarbij verscheurd; maar het heeft ten goede medegewerkt: het geredde knaapje werd in Gods hand de verlosser Israëls. Ook dit, dat het Mozes de eerste maal niet gelukte, zijne broeders te verlossen en hij vluchten moest en de krachten zijner jaren onder droefheid verslijten en schijnbaar onnut doorbrengen als schaapherder, — het heeft medegewerkt ten goede, zoodat bij in eigen oog geheel onbekwaam werd, maar juist zoo bekwaam werd in Gods oog tot het werk en beroep, waartoe de Heere hem verordineerd had. — Daar gaat de arme weduwe vau Sarepta en raapt hier en daar een stuk hout op, dat zoo aan den weg ligt; welk eene diepe smart vervult haar hart! Den hongerdood heeft zij met haren zoon voor oogen; nog een weinig olie is er in de kruik, nog een weinig meel in de kast, — is dat verbruikt, dan moeten zij sterven. Maar medegewerkt heeft het ten goede; de Man Gods komt jn haar huis en met hem het Woord Gods, en daarmee ook de uiterlijke zegpn, zij wordt op eene wonderbare wijze bewaard, — en de Heere wordt geloofd. — Een zware weg was het voor Naomi, nadat zij haren man en hare beide zonen had verloren, arm naar Betlilehem terug te moeten lceeren, waar de lieden, die ledig gingen, de hoofden bij elkander staken en verwonderd vraagden: „Is dit Naomi?" waarop zij moest uitbreken in de klacht: „Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara, want de Almachtige heeft mij groote bitterheid aangedaan. Yol toog ik weg, maar ledig heeft mij de Heere doen wederkeeren". •— Een zware weg was het ook voor Ruth, zich met hare schoonmoeder in zulk eene armoede te begeven en aren te lezen achter de maaiers; maar medegewerkt heeft het ten goede, — wij kennen hare geschiedenis, zij werd de vrouw van Boas, en haren naam vinden wij in het geslachtsregister van David, ja van onzen Heere Jesus Christus naar het vleesch. — Eens werd een meisje door de Assyriërs gevangen genomen en naar Damaskus gevoerd. Wat zal het arme kind geweend hebben, toen men haar onbarmhartig aan vader en mceder ontrukte! Was er dan geen God in den hemel, Die Zich over haar erbarmde, Die het geroep hoorde? O, zeker was er een God in den hemel, Hij zag en hoorde alles, en heeft ook dit lijden ten goede doen medewerken, zoodat de machtige krijgsoverste Naiiman zich met zijne melaatschheid tot den Profeet Eliza in Israël wendde, en genezing vond, en de God Israëls onder de Heidenen geprezen werd. — Waarom vinden wij bij het opslaan der Evangeliën zooveel jammer en ellende? Daar wordt gesproken van melaatschen, van bezetenen, van blinden, lammen en geraakten; eene moeder gaat diep gebogen achter het lijk van haren zoon, die naar het graf wordt gedragen; twee zusters treuren in diepe smart over den gestorvenen broeder, die reeds vier dagen in het graf ligt, — waartoe dat alles? Alles moet ten goede medewerken, tot eer, tot verheerlijking Gods. Alles, alles, — maar ook de zonde? Op zichzelve niet; God haat de zonde en veroordeelt haar; maar — dat wij het in de vreeze Gods met sidderen en beven uilspreken, — dat wij den Heere Jesus Christus hebben leeren kennen, dat wij tot het kruis werden gedreven, dat wij de toevlucht leerden nemen tot het bloed Jesu Christi, dat geschiedde toch door den nood, dien de zonde ons veroorzaakte, en waaronder wij dag aan dag verootmoedigd worden. Zoo allesom\attend is dit woord „alle dingen"; alles moet dengenen, die God vreczen ten goede medewerken.
Maar de Apostel voegt er nog iets bij ter bevestiging van dit troostrijke woord, wanneer hij zegt: d e n g e n e n , die n a a r Z i j n v o o r n e m e n geroepen z i j n , als wilde hij zeggen: dewijl zij immers naar een voornemen, naar een bepaald, vast voornemen geroepen zijn. Wat nu God Zich heeft voorgenomen, dat laat Hij niet over aan het toeval, dat laat Hij niet verstoren en verderven door deze of die gebeurtenis, die daar misschien tusschcn zou kunnen komen; maar wat God Zich heeft voorgenomen, dat volbrengt Hij ook. Begin, midden en einde, — alles ligt in Zijne hand, en het hangt wonderbaar samen als een keten, waarvan de eene schakel in de andere sluit. Daarom moet alles dienen, om Gods oogmerk, Gods voornomen te volvoeren en te verwezenlijken, en ook alles, wat zich als hinderpaal in den weg legt, of vijandig zich daartegen verheft, — het moet eveneens medewerken. God heeft alles overgegeven aan Eenen, opdat Hij dit voornemen Gods, het heil, do zaligheid Zijner uitverkorenen ten uitvoer legge, gelijk wij als Gods Woord en belofte met den 895tcn Psalm zingen: „Ik heb bjj eenen Held voor Isrel hulp beschoren", namelijk, dat Hij, de Heers Jesus, de Held, de Sterke God, alles volbrenge en voleinde tot lof en prijs Gods. Daarom heet het ook in het 53sle Hoofdstuk van den Profeet Jesaia: „Het welbehagen des Heereu zal door Zijne hand gelukkiglijk voortgaan", — voleindigd worden, tot stand komen, en wel zoo, dat voortdurend de genade verheerlijkt wordt, en het van het begin tot het einde vrije ontferming is. Want het is een voornemen der genade.
Vertwijfelen wij daarom niet in al onzen nood, onder al onzen druk! Is het ook donker om ons heen, en zien wij het blijde einde niet, is de troost voor onze oogen verborgen, — laten wij het Woord Gods niet varen, doen wij niet mee met de wereld en hare ongerechtigheid, werpen wij de vrijmoedigheid niet weg, maar houden wjj ons aan Hem, Die ons eerst heeft liefgehad; Hij heeft alles in Zijne hand, niet alleen het begin, maar ook het einde en wat daartusschen ligt; alles, alles moet ten goede medewerken, zoodat wij Hem eeuwiglijk zullen loven voor Zijne trouw en voor Zijne genade, voor Zijne ontferming.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 maart 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 8 : 28.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 maart 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken