Bekijk het origineel

Aanteekening op Psalm 97.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekening op Psalm 97.

32 minuten leestijd

Yers 1. D e H e e r e , Jehovah, Jesus, r e g e e r t, (naar L u t h e r: is Koning,) — Matth. 2 8 : 1 8 . Hij regeert met genade. De a a r d e v e r h e u g e z i c h , daarover namelijk, dat Hij Koning is over de aarde, niet slechts over het Joodsche land. „De aarde verheuge zich", zij vroolijk; Zijn Rijk is een rijk der vreugde. „Ik verkondig u groote blijdschap: u, u is heden de Zaligmaker geboren". D a t v e l e e i l a n d e n z i c h v e r b l i j - d e n , — hoe komt de blijde boodschap daarheen? Zoo vele er zijn, Zijne genade maakt ze alle gelukkig.
Yers 2. R o n d o m H e m z i j n w o l k e n en d o n k e r - h e i d , Jes. 53, voorts licht, Jes. 45 : 15. G e r e c h t i g h e i d — goddeloozen maakt Gij rechtvaardig, — en g e r i c h t — Hij haat het kwade en het goddeloos farizeesch bestaan, — z i jn d e v a s t i g h e i d Z i j n s t r o o n s , — die kan niet wankelen.
Yers 3. E e n v u u r - — des Woords, dat zich luide hooren doet, — g a a t v o o r Z i j n a a n g e z i c h t h e e n , en h et s t e e k t Z i j n e w e d e r p a r t i j e n r o n d o m a a n b r a n d, zoodat zij zich niet meer kunnen redden, Zijne en Zijns volks wederpartijders. Wat de goddeloozen wenschen, is verloren.
Vers 4. Z i j n e b l i k s e m e n — van de prediking des Woords, — v e r l i c h t e n , zoodat alles ontdekt wordt, de w e r e l d , het ontwikkelde, dat Hem niet huldigen wil; h et a a r d r i j k z i e t ze en h e t b e e f t.
Vers 5. De b e r g e n , de macht der wereld, ook mijne zonden en mijn nood, s m e l t e n a l s w a s v o o r h e t a a n - s c h i j n d e s H e e r e n, v o o r h e t a a n s c h i j n d e s H e e r en d e r g a n s e h e a a r d e , — Psalm 2.
Vers 6. De h e m e l e n v e r k o n d i g e n Z i j n e g e r e c h - t i g h e i d , en a l l e v o l k e n z i e n Z i j n e e e r . „De hemel e n " : engeleD en predikers; Psalm 1 9 .— „Alle", alle, a l l e .— „ E e r " : Pilipp. 2 : 9 en 10; Rom. 3 : 2 4 en 25, Só)-u.
Vers 7. B e s c h a a m d m o e t e n w e z e n a l l e n , d i e de b e e l d e n d i e n e n , d i e z i c h op a f g o d e n b e r o e m e n , ja, wel beschaamd, Rom. 6 : 2 1 , dus ook, die in hunne doode werken roemen. B u i g t u n e d e r v o o r H e m , a l l e g ij g o d e n ; Hij is alleen God.
Vers 8, 9. Z i o n — wordt niet te schande, — h e e f t h et g e h o o r d ; Zaoh. 9 : 9 ; Ps. 89 : 4 7 ; Ps. 30; — e n h e t h e e ft z i c h v e r b l i j d ; die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien; Matth. 5 : 4 ; — en de d o c h t e r e n v a n J u da h e b b e n z i c h v e r h e u g d v a n w e g e U w e o o r d e e l e n, o H e e r e ! Rom. 8 : 3 0 . W a n t G i j , H e e r e , z i j t de A l l e r - h o o g s t e , Jes 51 : 12, o v e r de g e h e e l e a a r d e ; G ij z i j t z e e r h o o g v e r h e v e n b o v e n a l l e g o d e n.
Vers 10. G i j l i e f h e b b e r s d e s H e e r e n ! h a a t het k w a d e , den afval van het Woord, eigene hulpe en hulpe der wereld; H i j b e w a a r t de z i e l e n Z i j n e r g u n s t g e - n o o t e n , — doet dan met het lichaam, wat de Heere U toelaat ! — H i j r e d t h e n u i t d e r g o d d e l o o z e n h a n d, al is het ook door hongerige raven en zwarte moormannen.
Vers 11, 12. H e t l i c h t is v o o r d e n r e c h t v a a r d i ge g e z a a i d , (let daar op!) e n v r o o l i j k h e i d v o o r de opr e c h t e n v a n h a r t ; gij zult nog met een heilig lachen u verheugen. G i j r e c h t v a a r d i g e n , v e r b l i j d t u i n d e n H e e r e, e n s p r e e k t lof t e r g e d a c h t e n i s Z i j n e r h e i l i g h e i d.
Alle heiligen des Heeren hebben tot de komst van Christus in het vleesch de belofte geloofd, die God in het Paradijs gegeven heeft. Wij zien ook uit dezen Psalm, dat zij zich in allen nood des lichaams en der ziel, tegenover den toorn Gods en tegenover de boosheid der huichelaars, der goddeloozen, die den Naam van God op de lippen nemen, maar wier doen steeds zeer verkeerd geweest is, aan die belofte in het paradijs vastgehouden hebben. Zij hebben het aan zichzelven ervaren, dat de slang het Zaad der vrouwe in de verzenen steekt, en zulks beleeft en ervaart nog altoos elke heilige Gods in het bijzonder, in zijn hart, in zijn huis, onder de valsche broederen, in zijn volk. Daartegenover houdt God den fel bestredene de beloftenis voor en daar ziet hij, hoe het Zaad der vrouwe der slang den kop vermorzelt. Dat ziet hij echter in den troost des Heiligen Geestes, in het licht des geloofs; anders ziet hij ten deele het tegenovergestelde, ten deele, hoe het den vijanden Gods aanvankelijk dubbel voorspoedig gaat; ten slotte ziet hij echter de vijanden door God met schande overdekt. Daar ziet hij Christus in het vleesch gekomen, geboren in ons midden, een mensch gelijk wij, en toch God de Heere in den hemel. O dien Trooster in zijn harteleed, in zijne moeite, in zijne zonden klaagt hij: Heere, andere heeren hebben wel over ons geheerscht, maar door U alleen gedenken wij Uws Naams en zijn getroost.


Laat ons nu nog een en ander uit dezen Psalm nader overwegen.
Er staat (Vers 1): De H e e r e r e g e e r t , Hij is koning. Die dat zegt, is in zichzelven zwak en vol vreeze, dat hij den slag verloren hebbe; hij ziet niets. Het schijnt, dat duivel, zonde, wereld en dood de zege bevochten en behaald hebben. Toch is het niet alzoo! Neen, niet de duivel, niet de zonde, niet de dood, niet de wereld, — Hij, Christus, regeert. De a a r de v e r h e u g e z i c h ; — hij zegt niet, het Joodsche land verheuge zich, maar: de aarde verheuge zich. Dat is eene verachte, eene vertredene aarde; dat is eene aarde die met de sombere nevelen der zonde bedekt en omhuld is, op welke de zonde lieerscht, die zich dus in de macht van den hooze bevindt. Dat is eene aarde, in welke droefheid naar God is. En ofschoon die aarde voor het oogenblik er nog niets van weet, zoo moest toch de blijde boodschap komen, dat „de Heere regeert!" — ook tot de e i l a n d e n ! Ja, hoe kan ze tot de eilanden geraken ? Op schepen, — maar hoevele waren er bij de overige menschen onbekend? God kende hen, de meest veriatenen, waar anders onmogelijk troost, vreugde en vrede zou kunnen komen. Het waren namelijk geene uitverkorenen, maar verworpenen, de meest verworpenen. Vele, staat er. Waar ik dat nu voor mijzelven lees, waar iemand dat voor zichzelven leest, daar is het hem bang onder de macht des duivels en bang in de wereld. En gij zijt nu zulk een verlatene en meest verlatene. Niemand kent u! Zeg dan: Gij zijt, o duivel! toch niet de koning der wereld. Hoe verlaten gjj u ook gevoelt, Christus is Koning. En tegen den duivel, die niet kan nalaten treurig te maken en allen troost verre te houden, staat het hier geschreven: dat (zij) z i ch v e r b l i j d e n . Dat beteekent dus: droogt uwe tranen! Het zal den vijanden toch niet gelukken. Het aardrijk verheuge zich; laat de eilanden zich verblijden, zoovele als er zijn. Ja, de Koning komt; uw Koning komt tot u met genade, mot vergiffenis, met volkomene uitredding. Deze Koning brengt vrede, ook tot de eilanden, al de eilanden. Deze Koning kent ze immers, want Zijne hand heeft ze als stof op de uitgestrekte wereldzee uitgestrooid. De Koning, Die daar komt, is ons vleesch en bloed ten volle deelachtig geworden, en heeft met ons, met al onze zwakheden medelijden; Hij is in alles gelijk wij verzocht geworden, doch zonder zonde is Hij door alles heengekomen. En Hij heeft tot allen, die Hem verwachten, gezegd: Wie u aantast, die raakt Mijnen oogappel aan.
Nu ziet de Profeet een onweder naderen, een schrikkelijk onweder en een vreeselijk gericht. Daarom staat er: R o n d om Hem zijn w o l k e n en d o n k e r h e i d . (Vers 2.)
Het onweder is uit den eeuwigen raad Gods ontstaan. Zijn werk is het, dat de wolken der gebeden Zjjner heiligen gedreven zijn tegen de wolken des toorns. Er is een onweder ontstaan door het Woord. In de Openbaring van Johannes lezen wij telkens van donderslagen en bliksemen, altemaal uitwerkselen des Woords. Waar deze Koning Zijn Woord geeft, daar brengt het steeds datgene teweeg, waartoe Hij het zendt. En zoo heeft dit Woord steeds zijne macht, gelijk ook de Heilige Doop Zijne werking is eene tweevoudige; het behoudt eenerzijds, terwijl het anderzijds verderft. Nu heeft dat alles op eene andere wijze plaats, dan men het zich naar het zichtbare wel voorstelt. Om Christus heen zijn wolken en donkerheid, zoodat Hij en de Zijnen onbereikbaar zijn voor den duivel; zoodat in den grond ook de wereld Ilem niet vinden kan. Hij verbergt Zich en de Zijnen in de gestalte des kruises. Maar wie des Heeren is, wie dezen Koning toebehoort, die heeft zich over liet lijden, dat over hem en de ganache broederschap in de wereld is, niet te verwonderen, maar moet dit verstaan: zoo regeert Hij. Daar mag bij lachen met een heilig lachen. Is dat niet volkomen berekend naar den toestand Zijner uitverkorenen? Kan Hij dan tot eenen arme komen als een Rijke; tot den kranke, als Een, Die gezond is; tot den zwakke als een Sterke? Kan Hij dan tot degenen, die vol zonden zijn, met den bliksem Zijner heiligheid komen? Zoo blijft het dan waar: „Voorwaar, Gij zijt oen God, Die Zich verborgen houdt, de God Israëls, de Heiland". (Jes. 45 : 15). Dat Hij de Zijnen wonderlijk leidt, is steeds naar Zijnen alleen wijzen raad. Hij bedekt Zich met de donkerheid en de wolken van ons vleesch, zoodat het tot onzer aller schande geschreven staat: „Als wij Hem aanzagen, zoo was er geene gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen, een Man van smarten en verzocht in krankheden". Daarom hebben wij Hem niet geacht. Zulke wolken eu zulk eene donkerheid zijn rondom den Koning der eere, en zoo zijn die ook rondom hen, die met Hem het aardrijk beërven, die Hij geroepen heeft tot de bruiloft des Lams. Van de eere en heerlijkheid van dezen Koning en van Zijne onderdanen zien zjj alleu niets, die liet bij hot vleesch zoeken, die naar het vleesch wandelen; maar z i j zien ze, die krachteloos zijn; dezen voelen de hand des Redders en zien Hem in den nacht van wolken en donkerheid, zoodat zij het ervaren: dit is de weg, j a , dit is de weg! „Wolken en donkerheid rondom Hem." Wij zien het, ervaren het, bobben het in het harte, zoodat wij het weten en ervaren, — o, dat wjj ons ootmoedig in het stof voor Hem nederbuigen! — dat Hij ons in weerwil van onze zonden genegen is. Dat is oen licht der genade midden in de donkerheid, om te schijnen in het verslagene hart, dat Hij er voor zorgt, dat men voor de vijanden niet wijkt, dat men in Hem en bij Hem gehouden wordt, dat men zijn aangezicht bedekt van schaamte en schande en dat in het binnenste des harten een licht brandt; want Hij heeft Zjjnen troon gesteld, den troon Zijner genade, op twee zuilen of pilaren, die onwrikbaar zijn: g e r e c h t i g h e i d voor hen, die in zichzelven goddeloos zijn, die in hunne goddeloosheid niets anders hebben dan Zijn Woord, niet anders kunnen dan dit Woord gelooven; gerechtigheid, waarmede Hij hen bedekt, waarmede Hij hen opneemt; en g e r i c h t , opdat Hij juist degenen, die IIjj als goddeloozen rechtvaardig verklaart, hemelsche zeden Ieere. hun allen zulk een hart geve, dat zij liet verstaan : „Hoor, o dochter, en zie, en neig uw oor, eu vergeet uw volk en uws vaders huis, zoo zal de Koning lust hebben aan uwe schoonheid: dewijl Hij uw Heer is, zoo buig u voor Hem neder". En wederom „gericht'", opdat Ilij alle farizeesch bestaan verdoeme en elk vergrijp, tegen de Zjjnen begaan, te rechter tijd en ure schrikkelijk straffe. Zoo staat Zijn troon vast en wenden zich tot deze vastigheid zij, die op hoop gevangen liggen. En eer zal de wereld ondergaan, dan dat Hij Zijn gericht niet handhaven zou, zoowel waar Hij straft als waar Hij beloont. Hoe ook de hel den troon Zijner genade, Zijne gerechtigheid en Zijn gericht zoekt te verwrikken; wat ook de wereld beproeve om dezen troon omver te werpen, — hij weet van geen wankelen. Geene zonde, geen dood, geene wereld doet dezen troon vallen. Hij staat vast in het bloed en in den Geest.
Een vuur g a a t v o o r Z i j n a a n g e z i c h t heen, en het s t e e k t Z i j n e w e d e r p a r t i j e n r o n d om aan brand. (Vers 3.) Dat vuur is het Woord, gelijk de Ileere Jesus gezegd heeft: „Ik ben niet gekomen, om den vrede op de aarde te brengen, maar het zwaard. Ik ben gekomen om vuur op de aarde te ontsteken, en wat wil Ik, indien het aireede ontbrand zij ? " Zulk een vuur gaat voor Hem heen en het ontsteekt, zoodat het niet te blusschen is. Het zet in vlam, niet slechts ten deele, maar aan alle zijden, gansch en al, Zijne vijanden en die Zijns volks. Dezen zijn echter allen Zijne vijanden, die niet verstaan willen: „De meerdere zal den mindere dienen". Dezen zijn Zijne vijanden, die niet van Hem willen leeren, wat barmhartigheid is. Dezen zijn allen Zijne vijanden, die hunne zonden willen bemantelen en daarom de onschuld vertrappen. Zij allen zijn Zijne vijanden, die zich niet als menschen voor Hem willen verootmoedigen, die niet bij Hem genade, bij Hem vergeving van zonden zoeken in Zijn bloed. Zijne vijanden zijn de valsche Christenen, die uit gierigheid, eigenliefde, toornigheid en haat de heiligen Gods onder de voeten treden, en wanen, dat, als zij in het eind, met bloed aan hunne handen, zonder berouw daarover, komen en roepen: „God, wees mij genadig", God bereid moet zijn om hun ook genadig te zijn en hen in Zijnen hemel op te nemen. Zij zijn Zijne vijanden, die daar meenen, dat het bloed des Iteeren Jesus alles goedmaakt, ofschoon zij nooit naar Zijne wet en naar Zijnen wil gevraagd hebben, en nooit naar den Geest hebben willen wandelen. Maar die den Heere liefhebben zijn in zichzelven ganschelijk verdorven, en terwijl zij met berouw zulks belijden, hebben zij geenen anderen troost en Helper dan den Koning der eere. Want hoe ganschelijk verdorven zij ook zijn, roepen zij om vrijmaking uit hunne banden, en zien zij naar den Koning uit. En Deze toont het hun, dat, waar Hij hun goede wetten en goede zeden leert, er waarlijk in alle verkeerdheid ook is: liefde tot God en den naaste. Daar kan men, om zoo te spreken, geene vlieg doodslaan. Zij echter, die alles willen goedgemaakt weten door des Heeren bloed, en toch honden en moordenaars zijn, die zijn des Konings vijanden, want zij willen niet, dat Hij Koning over hen zij. Ja, Hij moge hun Hoogepriester, hun Profeet zijn, maar tot hunnen Koning willen zij Hem niet hebben. De liefhebbers dezes Konings echter zijn gaarne Zijne onderdanen, Zijne gewillige onderdanen, terwijl Hij hen vrijmaakt van al hunne boeien, van al hunne banden, en hen uit hunne gevangenis verlost. Toen de Heere Jesus als geboren Koning verscheen, werd geheel Jerusalem verschrikt, en een Profeet heeft eens gezegd: „Maar wie zal den dag Zijner toekomst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt ? Want Hij zal zijn als het vuur eens goudsmids. — Hij zal zitten, louterende en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen en Hij zal ze doorlouteren" ; — Hij zal echter een snel Getuige zijn tegen de toovenaars en overspelers, tegen degenen, die valschelijk zweren, en tegen degenen, die geweld bedrijven en onrecht doen. Slechts hij zal den dag Zijner toekomst verdragen, die zich hierover verheugt: mijn Koning, mijn God, mijn Heiland, mijn Verlosser zijt Gij!
De b l i k s e m e n (Vers 4) zijn Zijne woorden; die maken alles openbaar, wat in de verborgenste schuilhoeken des harten steekt; zij lichten in de duisternis, verblinden de vijanden, maar die naar verlossing verlangen, zien bij dat licht, dat de deuren hunner gevangenis opengesprongen zijn, en zoo ontkomen zij.
De b e r g e n (Vers 5) zijn bergen der zichtbare macht, waar alles zoo hoog staat; zij zijn wat van verre gezien kan worden, wat de wereld voor hoog houdt. Daar gaat de wereld heen en offert op zulke hoogten. Hoe spoedig smelten zij voor Hem, voor Zijn Woord, gelijk was voor de zon! Daar heeft het spoedig een einde met het zoo hoog staande Romeinsche Rijk, met de geduchte macht der hoogepriesters. Al deze bergen, hoe vergaan zij als was! Hoe zijn ze versmolten, als de Zon der gerechtigheid opgaat! Maar er staan nog andere bergen voor onze oogen! Daar zijn bergen van zonden, bergen van nood; doch hoe smelten zij voor Hem weg! Een berg is iets ontzagwekkends; er kan eene gansche stad opgebouwd worden. Hij is voorzeker niet gemakkelijk uit den weg geruimd. Het kost moeite en arbeid om slechts eenen onbeduidenden heuvel te doen verdwijnen. Dat wordt men wel gewaar, als men voor de spoorwegen een terrein moet effenen. Bergen staan ook onwrikbaar, heffen hunne kruinen naar den hemel, en hebben hunne fundamenten diep in de aarde. Voor den Heere Jesus blijft nochtans niets staan. Daar moet het zelfs naar de letter waar zijn, wat de Heere Jesus gezegd heeft: „Indien gij geloof liadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen (die ook op eenigerlei wijze in den weg mocht staan, gelijk zulks met Jerusalem, als berg der wet, het geval was): Word opgeheven en in de zee geworpen, en het zal u geschieden", en: „Al wat gij den Vader bidden zult in Mijnen Naam, dat zal u gegeven worden". Daar hebt gij genade, laat u niet misleiden, niet op den doolweg voeren, niet betooveren, niet ontmoedigen. Waar deze Koning Zich verheerlijken wil, daar rust Hij niet, totdat Hij de bergen heeft doen versmelten.
Iedereen weet wel, hoe zwaar hem de blokken zijner afgodsbeelden op het lijf kunnen vallen, zoodat hij als onder eenen berg begraven ligt. Een ieder gevoelt het wel, hoe de zonden als bergen op hem drukken kunnen, hoe de nood, ach, zoo zwaar als een Alp op hem ligt, en die dat gevoelt, en waardig, geacht wordt, zijnen Koning te aanschouwen, ondervindt het, dat, hoezeer een berg een berg moge zijn, voor Hem, den Koning, de berg als een stofje is. Voor Hem versmelten de bergen; daarin laat Hij zien, dat Hij Koning is, ja zij versmelten alle te Zijner tijd en ure, zoodra die slechts gekomen is. Deze Koning verrast ons gaarne met Zijn heil. En „voor Hem", niet „voor u", zinken de bergen, de eene voor, de andere na, in den afgrond. Gij zult geenen der bergen door uwe macht en kracht kunnen opheffen; maar waar gij in het geloof komt, daar vergaan zij. Ga tot Hem, leer van Hem, — Hij is zachtmoedig en nederig van harte, — zoo zult gij ruste vinden voor uwe ziel. Als was versmelten de bergen voor Hem, Die woord en trouwe houdt en Die gezegd heeft: „Ik zal zijn, die Ik zijn zal", Die met Zijn valk het eeuwig Verbond gemaakt heeft: „Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mjjne goedertierenheid zal van u niet wijken en het Verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer".
W a n t G i j , H e e r e , z i j t de A l l e r h o o g s t e over de g e h e e l e aarde. (Vers 9.) Hij heerscht over allen en is den armen goed. Hij leent het oor dengenen, die Hem aanroepen. Zijn wij naar waarheid allen kinderen des doods, zoo zijn wij toch, — waar deze Heerscher ons bevrijd heeft, en Hij kan met den ganschen aardbodem doen, wat Plij wil, — ook door Hem levend, om in het leven te blijven, door Hem koningen en priesters, om met Hem op aarde te regeeren. Wie heeft dus alles in zijne hand? Wie heeft macht en geweld? De paus? Een koning? Een keizer? Een valsche profeet? Een huichelaar ? Heeft de wereld ze ? Heeft de duivel ze ? Neen, neen, de Heere is Koning! „Hij is de Allerhoogste over de geheele aarde". Dat ervaart men, als men Zijns woords gedachtig blijft: „Roep Mij aan in den dag der benauwdheid"; dan zal men het wel ondervinden. — H i j brengt Zijne schapen, Zijne kleine kinderen, tot aan den berg, maar houdt hen beneden in het dal. Die Hij echter wil doen vallen, brengt Hij allen op de bergen, en daar laat Hij zien, dat Hij de God is der armen en ellendigen, de God dergenen, die Hem aanroepen, dergenen, die Hem eeren. Zoo is de Heere Jesus met de Zijnen; zoo is Hij jegens Zijne vijanden. En de zondares, zij komt met hare zonden en met haren dank tot den Heere Jesus, en maakt Zijne voeten met hare tranen nat. De Heere laat haar begaan. De Farizeër klaagt haar aan; doch hoe lichten de bliksemen des Heeren tot schrik dea Earizeërs, tot vertroosting der nedergebogene, die in Hem gelooft!
De h e m e l e n v e r k o n d i g e n Z i j n e g e r e c h t i g h e i d. (Vers 6.) Dat getuigt de Profeet David ook in den 19Jen Psalm. Of waarom gaat de zon niet voor altijd voor u onder, terwijl gij toch een zondaar zijt? Waarom gaat de maan telkens voor u op? Waarom prediken u de ontelbare sterren: Geloof aan God, dat rekent Hij u tot gerechtigheid ? Verkondigen de hemelen niet, dat God een rechtvaardig God is ? Rechtvaardig, terwijl Hij den zondaar vergeving schenkt in het bloed van Jesus, — rechtvaardig om uw geschrei, uw weeklagen te hooren, om uwe tranen te tellen. En waar ellende is, daar komt Hij toch ook met Zijn Woord, en waar Zijn Woord komt, daar komt het als Z i j n Woord, niet in woorden, maar in kracht. De hemelen verkondigen Zijne eere. De stem Zijner • eere, Zijns Evangelies is onder alle hemelen vernomen. Hoog boven alle hemelen is de Majesteit der heerlijkheid onzes Konings gesteld. Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, en in menschen een welbehagen. En zoo z i e n a l l e v o l k en Z i j n e e e r e . De „volken", allen, die in de schande hunner zonde liggen en door hunnen nood gedreven worden om aan 1 de zaligheid Gods de eere te geven; en zoo gehoorzaamden zij den Koning, zoodra zij de blijde boodschap vernamen, dat het Woord vleesch geworden, de Koning der eere geboren en hun geschonken was. O, deze Koning is het geheel en : al, is het alleen. En daar Hij het alleen is, zoo m o e t en b e s c h a a m d w e z e n a l l e n , die de b e e l d e n d i e n e n, d i e z i c h op a f g o d e n b e r o e m e n . (Vers 7.)
Ja, wel moeten zij beschaamd worden, ook zij, die de doode werken dienen en allerlei beelden daaruit maken. Beschaamd moeten worden allen, die zich op hunne werken, de werken h u n n e r handen beroemen, gelijk de Apostel schrijft: „Wat vrucht hadt gij van die dingen, waarover gij u nu schaamt ? want t het einde derzelve is de dood". Allen, die de beelden eeren, met het gepeupel, dat hen aanhangt en naloopt, moeten met beschaamde kaken staan en te schande worden. Hoe spoedig geldt van hen: hoe zijn zij beschaamd en te schande geworden! Dc Heere is verhoogd en de afgodendienaars zinken neder met den toestel hunner beelden. Hoe moeten zij beschaamd zijn, dat de beelden hen er niet voor bewaarden, dat zij hals en beenen braken, ledematen of leven er bij verloren. Kromt u, wordt verslagen, buigt den nek voor den Zone Gods, den Koning der eere, o gij goden, alle gij goden op aarde, gij goden in de hemelen, gij aangebedene engelen der Kerk, gij goden der staten! Hij, Koning Jesus, is het alleen, en alle hemelsche en aardsche macht, die opgeworpen wordt en zich verzet tegen Koning Jesus, moet verbroken worden, zoodat er geen beeld voor Zijn aangezicht zij, niemand verheerlijkt zij dan Koning Jesus. En alle anderen, die voetstukken bouwen voor beelden van ingebeelde heiligheid, en de werken van het „doe dat" weder oprichten, zullen vallen. Hij, Koning Jesus, is alleen onze God, onze groote Zaligmaker. En zij alleen vereeren Hem bij elke gelegenheid, die met het hart gelooven , en met den mond belijden, dat Jesus de Heere en hun Heere is. Zijnen heiligen Naam heeft Hij op ons laten schrijven in den Heiligen Doop. Nu Hij echter Koning is en wij de Zijnen zijn, — zoo laat komen zonde, aanvechting, nood en dood, — zij zullen toch machteloos blijken. Daarom met het hart tot Hem de toevlucht genomen, al mogen wolken en donkerheid om Hem henen, al mogen wolken en donkerheid om ons henen zijn, — niet den afgoden eere gegeven, niet der wereld, maar Hem, den Koning! Roept Hem aan, en ofschoon Hij antwoorden moge: „Het is niet betamelijk, het brood der kinderen te nemen en het den hondekens voor te werpen", houdt vast aan de belijdenis: een hond ben ik, maar Gij geeft den honden toch van de broodkruimels! Zoo kome dan, wat kome, zoo kome dan de hooge golf. „Heere, help mij, ik verga", zij de roepstem, en Hij grijpt den zinkende bij de hand, voert Hem in de sterkte, welke allen vijanden te hoog is, en daar verheugt men zich over Zijne bliksemen, en siddert niet, maar kan roemen op Zijne gerechtigheid, op Zijn gericht. Laten wij, die ons in onzen Koning verheugen, dezen troost medenemen, midden door de wereld, midden door den nood, midden door den dood henen!
O wij zullen steeds ten slotte de zege behalen, wij, die op dezen Koning vertrouwen. Wij zullen altoos van Zijne overwinningen vernemen. Hij zal Zijnen donder macht geven. Zijn Woord moet zijnen loop hebben, zijnen onweerstaanbaren loop, en zal eiken dam, die in den weg geworpen wordt, doorbreken, zooals in Psalm 45 geschreven staat: „Rijd voorspoediglijk in Uwe heerlijkheid, op het Woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid", -— „om Uwe ellendigen te richten" — „en Uwe Rechterhand zal U vreeselijke dingen leeren". En wederom : „Het welbehagen des Heeren zal door Zijne hand gelukkiglijk voortgaan". (Jes. 53 : 10.) En wederom: „De Heere, hun God, zal ze te dien dage behouden, als zijnde de kudde Zijns volks, want gekroonde steenen zullen in zijn land, als eene banier, opgericht worden". (Zach. 9 : 16.) „En Hij zal door de zee (van den angst) gaan, die benauwende, en Hij zal de golven in de zee slaan en al de diepten der rivieren zullen verdrogen: dan zal de hoogmoed van Assyrië nedergeworpen worden en de schepter van Egypte zal wegwijken". (Hoofdst. 10: 11.) „En Ik zal hen sterken in den Heere, en in Zijnen Naam zullen zij wandelen, spreekt de Heere". (Vers 12.) Zijn Rijk wordt door tegenstand verhoogd. Het rijsje uit den tronk van Isaï, de scheut uit diens wortelen brengt vrucht voort, want op Hem rust de Geest des Heeren. Met gerechtigheid richt Hij de armen. (Jes. 11.) Hij gaat uit, opdat Hij overwinne, want Hij is een Koning der koningen en een Heer der heeren. En Zijne onderdanen , die hun leven niet hebben liefgehad tot den dood toe, hebben overwonnen door Zijn bloed. „Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen en gij, die daarin woont", zoo staat er in Openb. 12 : 12. Daarom vernemen wij in onzen Psalm : Z i o n h e e ft g e h o o r d , en het h e e f t zich v e r b l i j d , en de docht e r e n van J u d a h e b b e n zich v e r h e u g d vanwege Uwe o o r d e e l e n , o H e e r e . (Vers 8.) Zion is het volk, dat zich in den vasten burcht en achter de verschansing der genade en der waarheid van dezen Koning bevindt, en is in Hem een eenig gezegend en met alle schatten verrijkt volk, een volk evenwel, dat zich in den overvloed in den Heere niet in ongestoorde genieting verblijden kan, ja veeleer te midden van zoodanige rijkdommen zich arm gevoelt, dewijl het omsingeld is en de lange spoken der afgoden hun over de muren heen zien. De Sanheribs hoonen het en lasteren den Koning, en verhoovaardigen er zich smalende op, dat zij niet zonder den Heere tegen hetzelve opgekomen zijn, maar dat de Heere hun zulks geboden heeft. Daar vergeet dan Zion bij zulke smaadredenen, welk eene goede verschansing het heeft; het gevoelt slechts armoede, droefheid en nood, — de kinderen zijn tot aan de geboorte gekomen, maar er is geene kracht om te baren. Nu hoort Zion, wat de Geest zegt: B u i g t u n e d e r voor Hem, a l l e g i j goden. (Yers 7.) Het hoort in den hemel, welk een Koning zijn Koning is, en hoe voor Zijn Woord, voor de prediking en boodschap van Zijnen vrede aan het uitverkoren volk, van Zijne overwinning en Zijn verhoogd zijn boven alle macht en geweld weggedaan, ij del gemaakt en vernietigd is iedere^ macht, alle geweld der afgoden en der afgoderij, al hunne heerschappij over het beangstigde en bezwaarde geweten, dat naar reiniging, dat naar den levenden God en Zijne zaligheid vraagt, en dat alle te zamen door Hem, den Koning, óf verdoemd en uit den hemel geworpen, óf Hem onderdanig gemaakt zijn, om Hem te dienen en steeds gereed te zijn tot den dienst van het volk, dat uitverkoren is om eeuwiglijk des Konings zaligheid te zien en te smaken. Als Zion nu gehoord heeft, wat de Kouing met Zijn Woord, Zijn Evangelie Zion tot heil en verlossing in de wereld gedaan heeft, is het v e r b l i j d . Hier vernemen wij, wat Zion slechts vroolijk maken kan, hoe het daartoe geboren is, om zich eeuwiglijk te verblijden, hoe het op den berg der vreugde woont, hoe het wel aanvechting op aanvechting heeft, maar uit alle benauwdheid verlost wordt, en hoe eene eeuwige blijdschap zijn deel is. „Dat Israël zich verblijde over Dien, Die hen gemaakt heeft; dat de kinderen Zions zich verheugen over hunnen Koning", luidt het deswege in Psalm 149. De d o c h t e r e n van J u d a zijn de maagden, de kuische zielen, die hare knieën voor Baal niet buigen; zij laten zich door den dienst der afgoden niet bevlekken, maar volgen het Lam, waar het ook heengaat. Zij zijn dochteren van hare moeder Lea, en hebben van haar geleerd het woord na bange ure: „Ditmaal zal ik den Heere loven!" Deze dochteren echter leven in de verstrooiing; zij zijn ongetroosten, over wie alle onweders gaan; onvruchtbaren, die niet baren; zij kunnen het niet voor zich vasthouden: „Die u gemaakt heeft, is uw Man". Zij zijn met de anderen verkocht onder de macht van alle dwingelandij, en vreezen voor de geduchte ijzeren wagens. Deze dochteren, die tot den Heere roepen om verlossing uit de hand harer vijanden, die zoo gaarne, hoe zondig zij zich ook kennen, uit het zondigende Jericho, dat zijnen ondergang nabij is, zouden willen uitgaan, hebben ook gehoord, welke overwinningen Koning David behaald heeft, welken buit, welke heilsgoederen Hij medebrengt. Zij hebben hot gehoord; zij hebben het nog niet gezien, zij gelooven evenwel, wat zij gehoord hebben, en, terwijl zij dat gelooven, wordt haar des Heeren arm geopenbaard (Jes. 53: 1), zoodat zij blijde uitroepen, terwijl zij met de oogen des geestes dezen arm aanschouwen: Vertreed, o mijne ziel, de sterken! Zoo zijn zij blijde en zeggen met Debora: „Ik, den Heere zal ik zingen, ik zal den Heere, den God Israëls psalmzingen", Richt. 5. Zij h e b b e n zich v e r h e u g d van wege Uwe oord e e l e n , of wel over Uwe heerschappij. Wat wij hier onder oordeelen of heerschappij te verstaan hebben, kan eene verlichte ziel het best verstaan uit 1 Kon. 3 : 2 7 en 28, waar het woord in al de eigenaardigheid zijner beteekenis voorkomt: „Toen antwoordde de koning en zeide: Geeft aan die het levende kind, en doodt het geenszins; die is zijne moeder. En geheel Israël hoorde dat oordeel, dat de koning geoordeeld had, en vreesde voor het aangezicht des konings; want zij zagen, dat de wijsheid Gods in hem was om recht te doen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 mei 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Aanteekening op Psalm 97.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 mei 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken