Bekijk het origineel

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 9 : 14—18.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 9 : 14—18.

11 minuten leestijd

Op de vraag, of Gods woord en belofte aan Israël dan niet uitgevallen is, wanneer een deel van dit volk niet gelooft, maar afvallig wordt en verloren gaat, — hetgeen toch, tot des Apostels grootste smart, meer en meer aan het licht kwam, — heeft hij in de voorgaande Verzen geantwoord, dat daarvan geene sprake kan zijn, maar dat daarentegen Gods raad bestaat, en dat God ook nu nog handelt en regeert in Zijn Rijk, zooals Hij van ouds her gedaan heeft. Niet alle kinderen Abrahams naar het vleesch waren kinderen der belofte, Izak wel, maar Ismaël niet, en zoo zijn ook nu nog niet allen Israël, die van Israël zijn, en niet allen kinderen Abrahams, die van Abraham afstammen naar het vleesch. Ja, meer nog: God is vrijmachtig, en naar Zijne vrijmacht komt Hij met Zijn heil, met Zjjne zaligheid, waar Hij wil, om den een aan te nemen en den ander te verwerpen, uit hetzelfde volk sommigen zalig te maken en de overigen te verdoemen; ook dat heeft Hij van ouds her gedaan. Nog vóór de geboorte van Izaks beide zonen, nog eer zij iets goeds of kwaads gedaan hadden, zoodat er dus van verdienste en waardigheid hoegenaamd geene sprake kon zijn en er dus ook nog geen onderscheid kon zijn, had God reeds over hen besloten, opdat het niet zij verdienste der werken, maar alleen de genade van Hem, Die roept, en heeft den eenen liefgehad, den anderen gehaat, den eenen aangenomen, den anderen verworpen. En zooals Hij toen deed, zoo doet Hij ook nog heden.
Vleesch kan zich echter niet schikken in de wegen Gods, in Zijne wijze van doen en Zijne regeering in het Rijk der genade. Dat de mensch, met al hetgeen hij zelf is en kan en heeft, er zoo geheel moet overschieten, zoo volstrekt niets zal beteekenen, met betrekking tot de zaligheid, dat daarbij ook de hem van God geschonkene gaven en voorrechten hem geenen grond geven, waarop hij zich zou kunnen verlaten, en dien hij voor God zou kunnen doen gelden, waarom Hij hem zou m o e t en aannemen en zalig maken, maar dat God naar Zijne vrije verkiezing den een genadig is, en den ander verwerpt, — kan dat recht zijn? is dat geene onrechtvaardigheid? Wat zull e n wij dan z e g g e n ? Is er o n r e c h t v a a r d i g h e id b i j God? Dat zij v e r r e , — zoo spreekt de Apostel, en zegt daarmee hetzelfde als Mozes (Deut. 3 2 : 4 ) : „Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is: want al Zijne wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht, rechtvaardig en recht is Hij". Dat betuigt Mozes tegenover het geslacht van zijnen tijd, dat eveneens voortdurend over God wilde heerschen en het voor onrechtvaardig verklaarde, zooals God oordeelde en Zijne genade verheerlijkte, maar dat door Mozes verworpen wordt met de woorden : „Hij heeft het tegen Hem verdorven, het zijn Zijne kinderen niet, de schandvlek is hunne; het is een verkeerd en verdraaid geslacht", en door hem een „dwaas en onwijs volk" genoemd wordt, hetwelk van Gods genade niets wilde weten, maar zichzelf voor Hem wilde handhaven, en juist zoo van Hem afviel.
Neen, God is niet onrechtvaardig, integendeel, alles is bjj Hem naar gerechtigheid, zoowel wanneer Hij Zijne genade verheerljjkt, als wanneer Hij verdoemt. W a n t Hij z e gt t o t M o z e s : I k zal Mij o n t f e r m e n , d i e n s I k Mij ontf e r m , en z a l b a r m h a r t i g z i j n , d i e n I k b a r m h a r t ig b e n . Deze woorden lezen wij Ex. 33 : 19. Het volk Israël had een gouden kalf gemaakt en het aangebeden. Gods toorn was daarom in een vreeselijk oordeel over het volk gekomen. Mozes bad en smeekte voor het volk, opdat de Heere het niet mocht verteren en uitdelgen in Zijnen toorn, maar hem en het volk verder mocht leiden en Zelf met hen trekken, en zij zoo de belofte verkregen. En hier weet dan Mozes, niet slechts wanneer hij spreekt van het volk, dat zoo zwaar gezondigd heeft, maar ook wanneer hij van zichzel ven spreekt, van niets anders te roemen dan van genade, en niet van eigene waardigheid, en houdt het Qode voor, dat Hij hem Zijne genade heeft toegezegd, en bidt Hem op grond daarvan om Zijne genade, gelijk hij zegt, Yers 12: „Gij hebt gezegd: I k ken u bij name! en ook: Gij hebt g e n a d e gevonden in Mijne oogen!" En dan verder, Yers 13: „Indien ik g e n a de gevonden heb in Uwe oogen, — gelijk Gjj zegt, — zoo laat mij nu Uwen weg weten, en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uwe oogen". Dat is een wonderlijk woord en gebed. Eerst gelooft hij op Gods woord, dat hij genade gevonden h e e f t , en op grond daarvan bidt hij, dat hij genade mocht vinden. Het gaat daarmee evenals wij in het eerste Hoofdstuk lezen van de rechtvaardigheid Gods, of van de gerechtigheid, die voor God geldt, — dat zij is uit geloof tot geloof, niet uit geloof tot de werken, maar dat het van het begin tot het einde is en blijft: geloof, en niets anders. Yan de zijde des menschen is het niets anders dan g e l o o f ; en van Gods zijde niets anders dan g e n a d e . Is God eenen mensch genadig en laat Hij hem Zijne genade wedervaren, dan geschiedt dit, opdat wij ons aan deze genade houden, aan haar blijven hangen, tot deze genade de toevlucht nemen, om steeds opnieuw te ervaren, hoe God telkens en telkens weder genadig is. Dit gebed verhoort God de Heere dan ook, en Hij verzekert Mozes opnieuw : „Gij hebt genade gevonden in Mijne oogen", en voegt er vervolgens in het 19de Vers aan toe, — dezelfde woorden, die de Apostel hier in dezen Biief aanhaalt — : „Ik zal genadig zijn, wien Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wien Ik Mij ontfermen zal". Van genade spreekt dus de Heere, enkel van genade, en dat tegenover eenen man als Mozes. Zoo bij iemand, dan zou men bij hem van verdienste, van waardigheid hebben kunnen spreken. Immers had Mozes in Egypte zich zijner verachte en vertrapte broeders niet geschaamd, maar zich opgemaakt om hen te helpen! Immers heeft hij de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom geacht dan de schatten in Egypte! Hoe heeft hij niet pal gestaan tegenover al den hoogmoed en de woede van Farao en het murmureeren des volks, en heeft vastgehouden aan Gods woord. Lezen wij vervolgens niet uitdrukkelijk van hem: „De Heere sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijnen vriend spreekt" ? (Ex. 33 : 11.) En de Heere Zelf getuigt later van hem: „Hij is getrouw in Mijn gansche huis; van mond tot mond spreek Ik met hem. en niet door duistere woorden, en de gelijkenis des Heeren aanschouwt hjj". Zou hier dan niet van werken, van verdienste en waardigheid sprake kunnen zijn, bij zulk eenen voortreffelijken man Gods? Neen, wij lezen slechts van „genade", evenals wij ook in de geschiedenis lezen van Noach, toen de gansche toenmalige wereld aan het oordeel werd overgegeven —: Noach, deze prediker der gerechtigheid, die pal stond tegenover een geheel geslacht, dat zijnen weg had verdorven en zich door Gods Geest niet meer wilde laten bestraffen, — Noach vond genade bij God; dus ook hier is geene sprake van verdienste der werken of van waardigheid, maar van genade. — Is het nu van Gods zijde genade, dan is de mensch, dan zijn wij voor God zondaren, dan staan wij voor Hem in onze schuld, dan hebben wij geene rechtsaanspraak voor Hem, dan is God ook vrij, om genadig te zijn, wien Hij genadig is, en Zich te ontfermen, wiens IIjj Zich ontfermt. Dan kan het toch geen onrecht zijn van Gods zijde, als Hij Zijne genade, Zijne ontferming laat heerschen over onwaardigen. De genade heeft het steeds enkel met onwaardigen te doen, met dezulken, die het niet verdiend hebben, anders ware het geene genade. Wij kennen de gelijkenis van de arbeiders in den wijngaard, waar de heer des huizes dengenen, die het laatst, nog ter elfder ure gekomen waren, hetzelfde loon gaf als hun, die zich er op beroemden den last des daags en de hitte te hebben gedragen, en toen dezen daarover murmureerden als over eene onrechtvaardigheid, zeide de heer tot hen: „Is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil? of is uw oog boos, omdat ik goed ben?" — Is het nu onrechtvaardig, als God goed is, indien Hij genade laat heerschen ? Was het onrechtvaardig van God, toen Hij uit loutere genade Heidenen riep en zalig maakte? Is het onrechtvaardig, als Hij ook nog heden ten dage eenen menseh midden uit zijne zonde, uit zijn verderf rukt, eenen mensch, van wien wij zoo licht denken: Yan dien komt niets terecht, die gaat verloren? Hoe zijn wij dan zeiven. daartoe gekomen, indien wij werkelijk daartoe gekomen zijn, dat wij vergeving der zonden hebben, dat wij met God verzoend zijn, — was het dan geene genade eu is het niet tot op dezen dag en tot op dit uur nog genade, vrije genade ? Wat hebben wij van onzen kant dan daartoe kunnen bijdragen? Met al ons willen en loopen, met al ons werken, onze moeite en ons pogen om rechtvaardig en heilig te worden, om deel te hebben aan Zijne gerechtigheid, — wat hebben wij daarmee uitgericht? wat daarmee verkregen? Niets, in waarheid niets! En zoo wij er iets mee hebben uitgewerkt, dan is het dit, dat wij daardoor hebben geleerd: ik kan daarmee niets uitrichten, ja, het is waar, wat de Apostel hier zegt: Zoo is het d a n n i e t d e s g e n e n, d i e w i l , noch d e s g e n e n , die l o o p t , maar des ontf e r m e n d e n Gods. Paulus, die hier dit betuigt, heeft het ervaren ; dat ervaren ook allen, die de gerechtigheid, die voor God geldt, verkrijgen. Hoe heeft de Apostel getracht om met willen en loopen eene eigene gerechtigheid voor God te verkrijgen! wat heeft hij ter bereiking van dit doel geworsteld en gestreden! e n . . . . hij heeft het niet bereikt. Maar toen hij ternederlag in den nood zijner ziel, toen hij in de duisternis zat, blind zijnde, daar in de Rechte straat te Damaskus, verbrijzeld door de verschijning op den weg, door het woord, dat tot hem gekomen was: „Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij ? " en hij zich leerde kennen als eenen vijand Gods, eenen overtreder van alle geboden met gedachten, woorden en werken, en niets anders wist dan: „Ik ben verloren! Kan er voor iemand als ik nog genade zijn?" — toen kwam de eeuwige ontferming Gods tot hem in de diepte zijner verlorenheid en nam hem op en legde hem aan Gods Vaderhart. Daarvan heeft hij dan ook getuigd, en dat zijn gansche leven lang: „Maar mij is barmhartigheid geschied". En allen, die het eveneens gezocht hebben in hun willen en loopen, in hun werken, in hun worstelen en strijden, in hun eigen doen, en daarmee niets tot stand gebracht hebben, maar tot wie het Woord des levenden Gods kwam, het Evangelie van Jesus Christus, van het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegdraagt, — zij allen moeten het ook betuigen: „Mij is barmhartigheid geschied!" Of waarom zijn er, zooals de Heere eenmaal zegt, zoo velen, die zullen zoeken in te gaan in het Koninkrijk Gods, en zullen niet kunnen, indien niet, omdat zjj zoeken in te gaan door hun willen en loopen, d. i. door hunne verdienste, hunne waardigheid, in plaats van als armen en ellendigen alleen door Gods ontferming? God is God. Door Zijne almacht en naar Zijnen •wil heeft Hij de wereld geschapen, niemand heeft Item daarbij geholpen; het is dus geheel overeenkomstig Zijn wezen, dat Hij ook in het Rijk der genade zonder ons toedoen alles volbrengt, en behoudt en zalig maakt alleen door Zijne ontferming. Daarom laat God het den mensch nimmer met de Wet gelukken, maar zullen wij daarmee voortdurend slechts alles bederven, opdat wij het leeren en er bij blijven: Het is niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar alleen, van het begin tot het einde, des ontfermenden Gods. (Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 mei 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 9 : 14—18.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 mei 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken