Bekijk het origineel

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

15 minuten leestijd

Hoofdstuk III.
Het IJsenburger land.


Er geschiedt niets bij geval, maar alles wordt, zooals onze voortreffelijke Ileidelbergsche Catechismus ons leert, door Gods vaderlijke hand ons toebeschikt. Door zulk een geloof werd ook Hartung gesterkt en bemoedigd, om zich te laten leiden, werwaarts de Heere hem leiden zou. De Keurpalts, tot hiertoe het tweede vaderland van zoovele getrouwe getuigen der Gereformeerde belijdenis, had zich voor hem gesloten. Nu verleende de Heere hem den toegang tot een ander land, waarover een Godvreezende, beslist Gereformeerde graaf regeerde, t. w. het IJsenburgsche. Tegenwoordig bestaat het uit verscheidene zoogenaamde „Standesherrschaften"; toen ter tijd strekte het zich in 't Noorden uit tot aan het gebied der vrijheeren van Riedesel, in 't Zuiden tot aan de stad Dieburg in de tegenwoordige Hessen-Darmstadtsche provincie Starkenburg. Het bestond evenwel niet uit een afgerond geheel, maar telde verscheidene zoogenaamde „enclaves", stukken lands, die door vreemd gebied gescheiden waren van het grootere deel, waarin de residentiesteden Biidingen en Birstein liggen. Zulk eene IJsenburgsche enclave vormde het dorp Geinsheim, niet verre van Mainz, aan gene zijde van den Rijn gelegen. Dat was de plaats, waar onze vluchteling in Juni 1626 weder eenen werkkring vond.
De landsheer, graaf Wolfgang Ernst, was uit gehoorzaamheid aan het Woord Gods en uit bezorgdheid voor het eeuwig welzijn zijner onderdanen, in Januari 1548 begonnen, de Hervormde belijdenis in zijn tot dusver Luthersch gebied in te voeren. Ofschoon liij dit bovenal door getrouwe vermaning en onderwijzing uit Gods Woord, en niet door uitwendigen dwang gedaan wilde hebben, stuitte hij daarbij toch op velerlei tegenstand van den kant zijner onderdanen, vooral bij hen, die in de meer afgelegen deelen des lands woonden. Zoo ook in Geinsheim, alwaar de bewoners zoowel door den invloed dor naburige Hessen-Darmstadtsche beambten als van den abt van het klooster Sint-Jacobsberg te Mainz, die in Geinsheim zekere rechten kon doen gelden, tegen de Gereformeerde belijdenis opgehitst werden. Toen Ilartung derwaarts kwam, had de Hervormde belijdenis er reeds sedert jaren vasten voet gekregen; maar toch bestonden er bij de meer bejaarde i inwoners nog vele vooro »rdeelen tegen haar. De abt van het genoemde klooster, die zich nu reeds lang in de bestaande kerkelijke toestanden had leeren schikken, droeg Hartung voor het leeraarsambt aldaar voor, welke voordracht graaf Wolfgang Ernst van IJsenburg goedkeurde en bekrachtigde. Deze Godvreezende vorst, die onder de beproevingen van den oorlog onuitsprekelijk leed, verdeelde den lste" April 1628 zijn land onder zijne vijf zoons; Geinsheim met de heerlijkheid Dreieichenhain viel ten deel aan graaf Wolfgang Hendrik. Deze had zich in jeugdige, edele geestdrift voor de zaak van den vogelvrij verklaarden Boheemschen koning en paltsgraaf Prederik V, om wiens wille de groote, noodlottige üuitsche oorlog uitgebroken was, in het jaar 1622 aangesloten bij de krijgsmacht van hertog Christiaan van Brunswijk, onder wien hij als overste dapper tegen de keizerlijken streed, totdat hij in den slag bij Stadtlohe krijgsgevangen gemaakt werd. Later, nadat hij door den Keizer begenadigd en ontslagen was, en ook de belofte had afgelegd, dat hij nooit weder de wapenen tegen hem zou opvatten, geraakte hij in allerlei buurkwestiën en geschillen met Mainz en Darmstadt. Laatstgenoemde stad deed hem een proces aan wegens vredebreuk. De Rijksdag te Regensburg veroordeelde hem den 9't n November 1630 tot vergoeding van al de schade, die zijne troepen den landgraaf van Darmstadt hadden berokkend. Landgraaf Georg II, met de uitvoering van dit vonnis belast, bezette den l5teo Maart 1631 de nog aan graaf Wolfgang Hendrik toebehoorende dorpen in het Zuiden zijns lands en liet zich als landsheer huldigen, terwijl de Graaf met zijn gezin naar Frankfort vluchten moest. Tot de dorpen, die door de troepen van den Landgraaf in bezit werden genomen, behoorde ook Geinsheim. Wederom braken er voor Hartung en de zijnen bange dagen aan, want de Hessen trachtten hier terstond, evenals in de andere door hen bezette plaatsen, eenen Lutherschen predikant aan te stellen. Toch gelukte hun dit hier eerst in het najaar van 1632, zooals uit eene opmerking van Hartung is af te leiden. De prior van het klooster op den Sint-Jacobsberg, die hem tot het leeraarsambt had voorgedragen, beschouwde het als eene krenking zijner rechten, dat Hessen zonder zijne toestemming den Hervormden predikant afzette. Hij handhaafde hem daarom zoo lang als hij kon op zijnen post, namelijk tot het bovenvermelde tijdstip, toen Hartung eindelijk met de zijnen wederom in ballingschap moest gaan. In zijne plaats werd nu een Luthersch predikant aangesteld, Peter Bierar geheeten, wien het echter al spoedig evenzoo vergaan zou als Hartung.
Wederom zat de dienaar des Heeren met de zijnen in radeloosheid neer, en wist in het eerst niet, werwaarts hij zijne schreden moest richten. Toen kwam hij op de gedachte, zich naar Offenbach aau den Main te begeven. Daar hoopte hij wel ergens een onderkomen in dezen treurigen tijd te zullen vinden.


Hoofdstuk IV.
Offenbach. Het overlijden van graaf Wolfgang Ernst.

De thans door hare vele fabrieken vermaarde stad Offenbach aan den Main was in de dagen, toen Hartung er een toevluchtsoord zocht, een eenvoudig landstadje, welks voornaamste sieraad in het indrukwekkende kasteel van den graaf van IJsenburg bestond. Maar in de geschiedenis der Gereformeerde Kerk van Dnitschland is het eene hoogst belangrijke stad. 't Is waar, het materialistische streven onzer dagen, benevens de vóór tientallen jaren ingevoerde vereeniging der Gereformeerden en Lutherschen, hebben ook hier — evenals elders — bij de nakomelingschap de herinnering aan de vroegere beteekenis dezer stad aanmerkelijk geschokt en verzwakt. Reeds in Maart 1609 had graaf Wolfgang Ernst aan de beide Frankforter vreemdelingengemeenten, de Nederlandsche en de Fransche, na den brand van haar kerkgebouw, verlof gegeven, om in de kerk te Offenbach hare godsdienstoefeningen te houden. De hier gevestigde Duitsch-IIervormde Gemeente heeft zich van oudsher door bekwame, ook letterkundig ontwikkelde predikanten onderscheiden. Eene hofdrukkerij, door laatstgenoemden Graaf opgericht, heeft belangrijke diensten aan de Hervormde Kerk bewezen. Over allerlei avonturiers die in de 18Je eeuw te Offenbach woonden, waaronder vele godsdienstige dweepers, zwijgen wij hier, evenals van de in het laatst der 17de eeuw hier gevestigde Pransche Hervormde Gemeente.
Na eene tweejarige harde onderdrukking door Beiersch krijgsvolk, waarbij zelfs het kasteel van graaf Wolfgang Hendrik door hen bezet en deze uit huis en hof verdreven was, maakte de tusschenkomst van Gustaaf Adolf, koning van Zweden, het hem weder mogelijk, derwaarts terug te keeren. De Beieren sloegen nu namelijk op de vlucht, en de Graaf vestigde thans hier zijne residentie. Bij hem vond Hartung met de zijnen huisvesting. Een dag van groote blijdschap was het voor de inwoners van Offenbach, toen den 15del1 November 1631 de Zweeclsche koning, wien de Hervormden in Duitschland veel meer genegen waren dan de Lutherschen, deze plaats binnentrok en twee dagen op het kasteel aldaar doorbracht. Hij overreedde den Graaf om in zijnen dienst te treden, wat voor den Graaf en zijn land noodlottige gevolgen zou hebben. Wij vinden het vergeeflijk, dat graaf Wolfgang Hendrik — na de vele verdrukkingen, die hij doorstaan had, — zijne belofte vergeten en in Zweedschen dienst treden kon. Van den Keizer kon hij tot nog toe tegen de onderdrukking door de Beieren geene hulp verkrijgen, zijn land leed onuitsprekelijk en was hom grootendeels ontnomen. Daarom klemde hij zich dan ook aan Gustaaf Adolf vast. De doop van een dochtertje bracht hem in 't najaar van 1632 naar Offenbach terug, inde dagen, toen Hartung met de zijnen hier aankwam De Graaf zorgde voor huisvesting iu zijn slot, en wijl de hier gevestigde predikant Johan Bodewijk Gottfried sukkelend was, nam Hartung tijdelijk zijn dienstwerk waar. Doch behalve de oorlogsweeën ontbrak het in dezen tijd ook niet aan andere rampen. Na den vroegtijdigen dood van den Zweedschen koning werd het IJsenburgerland ten diepste geschokt door het afsterven van den ouden Godvreezenden graaf Wolfgang Ernst op het kasteel te Birstein, den 21"e nMei 1633. Te midden van al de onrust en de verschrikkingen van dezen tijd was hij ingegaan in de woningen der eeuwige rust en des vredes, en was in letterlijken zin Gods Woord aan hem bewaarheid, dat zegt: „De rechtvaardige wordt weggeraapt vóór het kwaad; hij zal ingaan in den vrede, zij zullen rusten op hunne slaapsteden, een iegelijk die in zijne oprechtheid gewandeld heeft" (Jes. 57 : 1 en 2), want de ergste dingen zouden nog eerst na zijnen dood over het IJsenburgsche land komen. Overal in het land betreurde men hem diep en hield men — voor zoover de omstandigheden het veroorloofdeu - op den dag, toen zijn lijk in de stadskerk te Büdingen waarheen men het had overgebracht, werd bijgezet, eenen rouwdienst Dit geschiedde den 14d e"Juni. Onze Hartung predikte op dien dag te Offenbach over de woorden uit Ps. 27 : 4 : „Eén ding heb ik van den Ileere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijnen tempel". Deze later in druk verschenen predikatie is getiteld: „Eene Christelijke klaag-, troosten lofprediking, voor de aanzienlijke en volkrijke Gemeente enz., te Offenbach vergaderd geweest, gehouden door mij hiertoe aangewezenen Joh. Hartungium, banneling uit de Palts en predikant". Te Frankfort bij Joh. Friedr. Weiss, 1633. In i 4", 31 pagina's. — Opgedragen is deze leerrede aan de zoons van den overleden Graaf, wien hij te gelijker tijd zijne dankbaarheid betuigt voor de huisvesting, die hij in hun land na zijne tot driemaal toe herhaalde verdrijving uit de Keurpalts door de vijanden der Evangelische Waarheid gevonden had, alsmede voor al de genoten weldaden. Slechts op veler dringend verzoek had hij zijne predikatie in het licht gegeven. Zijne tegenwoordige bediening noemt hij daarin eene onzekere.
Het is een voorbeeldige prediking, die Hartung ons geeft, welke ons voldoende bewijst, welk een voortreffelijk leeraar en getrouw uitlegger van het Woord Gods hij geweest is. Nadat hij in zijne voorafspraak de aanleiding tot deze zijne leerrede heeft aangegeven, geeft hij eene zeer heldere verklaring van ! zjjne tekstwoorden. Hierna volgt de indeeling in deze twee punten: 1" de bede van David, dat hij in het huis des Heeren mocht wonen al de dagen zijns levens; en 2" wat hij in het huis des Heeren doen wilde. De denkbeelden zijn voortreffelijk ontwikkeld en duidelijk voorgesteld, de taal is voor dien tijd edel te noemen. W|j nemen er hier slechts een brokstuk van over, uit het midlen, waar hij over het „Eén d i n g h eb i k v a n d e n H e e r e b e g e e r d " , het volgende zegt: „David onderwindt zich niet, dit ééne te begeeren uit eigen macht, wijsheid of kracht, maar van den Heere bidt hij het af. Men hoort dikwijls van eenen potentaat of eenen anderen hoogwijzen man, die van meening is, dat het in zijne macht of wijsheid staat, Gods Woord en kerken staande te houden, waarom zij daarvan dan ook roem en naam willen hebben en „defensores ecclesiae et verbi" (beschermer der Kerk en dos Woords) willen genoemd worden. Maar let wel, Geliefden in den Heere, David is toch zeker wel zoo machtig en zoo wijs als ooit iemand na hem; toch verstaat en weet hij beide: ten eerste dat het begeeren, en ten andere ook het behouden van dit ééne niet in zijne macht en wijsheid staat, maar hij erkent zijn onvermogen, geeft zijnen trouwen God de eer, en van Hem smeekt hij, dat hij niet alleen in het buis des Hoeren eenmaal moge komen, maar dat hij er ook in moge blijven. Dat moeten wij, beiden heeren en onderdanen, in de vreeze Gods ook doen, onze vermetelheid en onzen trots laten varen, en alleen van God bidden, dat wij burgers en leden in het huis en in de Kerk Gods zijn en blijven mogen. Zoo moet dan ook een ieder naar mate van zijn beroep en zijnen stand met trouw en grooten vlijt al datgene doen, waarvan hij weet, dat het ter bevordering van het Koninkrijk Gods en voor 's Heeren Naam noodig is. Daarom en om tot zoodanigen vlijt aan te sporen, noemt de Heilige Geest bij den Profeet de Godzalige regenten „voedsterheeren" en „zoogvrouwen" der Kerke Gods. (Jes. 49.) Maar al heeft iemand om zoo te zeggen ook alles gedaan, zoo moet hij daarbij toch bedenken, dat er een andere Man en eene andere Macht toe noodig is dan menschelijke macht en wijsheid, om Gods huis en Gods Kerk te doen blijven, en ons er in. Daarom late een iegelijk af yan zijne vermetelheid, en helpe de Kerke Gods veelmeer bouwen met den gebede, naar het voorbeeld van David, en dringe zich met geweld niet anders in het huis des Heeren in, dan andermaal met het dierbare gebed, onderwinde zich ook niet om op eenigerlei wijze daarin te blijven dan wederom met het gebed. Want wij voor ons zijn het niet, die de Kerk en het huis des Heeren zouden kunnen staande houden; onze voorvaderen zijn het óók niet geweest, onze nakomelingen zullen het óók niet zijn, — maar Hij is het geweest, is het nog en zal het altijd zijn, tot Wien David hier bidt, nml. de Heer aller heeren. Eén ding bid ik van den Heere, dien Heere nml., Die tot ons zegt in Matth. 28: „Ik ben met ulieden al de dagen, tot de voleinding der wereld", en Die naar Hebr. 13 is Jesus Christus „heri, hodie et in saecula" (gisteren en heden en in der eeuwigheid); en in Openb. 1: „Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige". Want gij en ik zijn vóór duizend jaren niet geweest; en daar niettemin de Kerk zonder ons is staande gebleven, moet zij staande gehouden zijn door Hem, Wiens Naam is: „qui erat et heri" (Die ook gisteren was). Zoo zijn wij het thans ook niet bij ons leven, want de Kerk wordt door ons niet staande gehouden, omdat wij den duivel, den paus en alle ongeloovigen niet van ons zouden kunnen weren, en onzenthalve de Kerk voor onze oogen en wij met haar te gronde zouden moeten gaan, zooals wij dagelijks ervaren, indien er niet een andere Man ware, die beiden, de Kerk en ons, staande hield, Die daar heet: „qui est et hodie" (Die ook heden is). Evenzoo zullen wij er ook niets aan toedoen, dat de Kerk in stand gehouden wordt, wanneer wij dood zijn, maar H i j zal het doen, Die daar heet: „qui venturus est et in saecula", dat wil zeggen: Die zijn zal in eeuwigheid. En wat in zoodanige zaak onze voorvaderen hebben moeten zeggen, dat moeten wij thans zeggen, en dat zullen onze nakomelingen ook zeggen met den 1248 t e " Psalm: „Ten ware de Heere, Die bij ons geweest is, als de inenschen tegen ons opstonden: toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak". Daarom, laat ons terdege aeht slaan op de verzuchting van David, en ons vooral niet inbeelden, uit onszelven een lid der Kerk Gods te worden en te blijven, maar dit met heel ons hart van God bidden. Want zoolang zijn wij de op de markt ledig staanden, en kunnen wij niet in den wijngaard der Christelijke Kerk komen, tenzij wij daartoe geroepen en verwaardigd worden (Matth. 20), en kunnen wij tot Christus niet geraken, tenzij dat de Vader ons trekke (Joh. 6). Ja, zelfs als verwaardigden en getrokkenen kunnen wij niets goeds werken en doen zonder de hulp wederom van Christus (Joh. 15), maar moet beide, het willen, nml. een lid der Kerk Gods te worden, en het volbrengen, t. w. het volharden daarbij, van God tot ons komen (Pilipp. 2). Daarom moeten wij beide, gelijk gezegd is, van den Heere door het gebed zoeken en ontvangen.
„Eindelijk geeft ook David in deze zijne bede te kennen, hoe lang hij in het huis des Heeren begeert te zijn en te blijven. „Al de dagen mijns levens", zegt hij; dat wil zeggen: hier tijdelijk in het Woord en het geloof, en daar eeuwiglijk in aanschouwen. Zoo bidt hij ook en vertroost hij zich aan het slot van den 23> t e n Psalm: „Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des Heeren blijven in lengte van dagen". Daar lezen wij andermaal hoe lang onze broeder David in het huis des Heeren begeerde te zijn: niet een uur, een dag of eene week of een jaar, maar zijn leven lang. Dat moet wel een groote lust en begeerte zijn!"
Zoo predikte Hartung en deelde als een getrouw rentmeester over Gods verborgenheden het Woord uit, hier en elders, tijdig en ontijdig. Wat echter bovenal zijne prediking van groote beteekenis maakte, was de hartslag der Gereformeerde leer, die haar doortrilde: het roemen in de vrije genade Gods jegens den verloren zondaar, de praedestinatieleer, die den Heere God geeft wat het Zijne is, Hem op het hoogst verhoogt en den mensch op het diepst vernedert!
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 mei 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 mei 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken