Bekijk het origineel

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 9 : 14—18. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 9 : 14—18. (Slot.)

9 minuten leestijd

Zoo heeft dan de Apostel aangetoond, dat het geene onrechtvaardigheid is, wanneer God Heidenen roept en doet ingaan in het Koninkrijk der hemelen, wanneer Hij vloek- en doemwaardige zondaren tot bekeering roept en hen doet deelen in Zjjne zaligheid, wanneer Hij dus Zijne genade, Zjjne ontferming verheerlijkt; -want dat juist is Zijne gerechtigheid, dat juist overeenkomstig Zijn wezen. Maar, zou iemand tegenwerpen, dat God Zijn volk Israël, het volk, aan hetwelk Hij zulke groote voorrechten geschonken, dat Hij zoo hoog verheven heeft, verwerpt, dat Hij het verhardt en doet verloren gaan, dat is onrechtvaardig. Dat ook dit niet het geval is, toont de Apostel aan met de woorden van Vers 17: W a n t de S c h r i ft z e g t t o t F a r a o : T o t d i t z e l v e h e b I k u v e r w e k t, o p d a t Ik in u M i j n e k r a c h t b e w i j z e n zou, en o p d a t M i j n N a a m v e r k o n d i g d w o r d e op de g a n - s c h e a a r d e.
De Apostel haalt de Schrift aan, en wel als Gods "Woord. Dezelfde Schrift, waarop de Joden zich beriepen, om daaruit t e bewijzen, dat God hen niet mocht verwerpen, maar hun genadig m o e s t zijn, haalt de Apostel aan, om daaruit aan te toonen, dat zij geheel iets anders zegt, dan wat de mensch, wat vleesch en bloed haar wil laten zeggen. Wordt niet voortdurend de Schrift aangehaald, om te bewijzen, dat er bij God eene algemeene genade is? — welnu, juist op de Schrift zal gewezen en uit haar aangetoond worden , dat zij het tegenovergestelde leert, dat zij spreekt van eene v e r k i e z i n g der genade, dat God Zich over den een ontfermt, den ander verhardt, beide naar Zijnen wil. O, indien menigeen, die met ijver den Bijbel verspreidt, wist, wat er werkelijk in staat, hij zou hem wegwerpen en verbranden. Heeft nu de Apostel eerst op Mozes gewezen, om te bewijzen, dat het ook bij den heiligste alleen genade is, zoo hij zalig wordt, nu wijst hij op Faraö, die in de geschiedenis naast Mozes stond, om te doen zien, dat en hoe God verhardt en verwerpt. — Hoe toch stond het met Faraö? God had hem gemaakt tot een groot en machtig koning; het machtigste rijk, waar de kunsten en wetenschappen haren hoogsten bloei hadden bereikt, had Hij hem gegeven, en hem dus boven alle anderen hoog verheven. Nu gaf de Heere hem onder zijne onderdanen een bijzonder volk, hetwelk de Heere Z i jn volk noemde, maar dat de koning, om hun geloof, omdat zij niet meededen met zijnen afgodendienst, haatte en vervolgde. Over het verdrukte ontfermt Zich de Heere, daaraan bewijst Hij juist Zijne genade en ontferming. Zoo wil dan de Heere in Zijne ontferming Zijn volk uithelpen en verlossen, juist dit ellendige en beklagenswaardige, dit door de wereld verachte en verworpene volk. En daartoe moet Hem nu Faraö, deze door God zoo hoog bevoorrechte koning, dienen. Daarom komt tot hem het woord: „Laat Mijn volk trekken, opdat het Mij diene. Maar de koning verzet zich tegen den raad Gods; hij wil niet erkennen, dat God hem alle macht gegeven heeft, om Gods wil te volbrengen, hij wil z i j n e koninklijke gunst en genade niet laten samengaan met G o d s genade en barmhartigheid. En zoo zegt hij dan: „Wie is de Heere, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken ?" Wij moeten nu niet denken, dat Faraö geene kennis van God en Zijne waarheid gehad heeft. O, te zeggen: „Wie is do Heere?" dat ligt in het hart van iederen eigengerechtige. Faraö heeft toch herhaaldelijk gezegd: „Bidt den Heere voor mij", en heeft beleden: „Ik heb mij ditmaal verzondigd; de Heere is rechtvaardig, ik daarentegen en mijn volk zijn goddeloozen!" — wat wil men meer? Nochtans stelt hij zich Gode in den weg en blijft daarbij, trots alle getuigenissen Gods en trots de wonderteekenen, die Hij doet, nu Hij Zich opgemaakt heeft om Zijn arm, ellendig volk te verlossen. Had Faraü zich met dit volk, dat God toch Z i j n volk noemde, op éénen hoop laten werpen, zoo ware hij met dit volk behouden- Maar daartoe was hij veel te hoogmoedig. En zoo werd hij dan door God verhard. Maar hoe verhardt God den mensen ? O, dat doet God in eenen weg, waarbij Hij den eigen gerechtigen menscli, die niet voor God in de schuld wil vallen, te gemoet komt, alles in zijne hand legt, — den mensch de eereplaats inruimt en Zelf den ondersten weg gaat. Daar •wordt dan de mensch gerust en denkt, dat hij het is, dat hij het kan, en dat het van hem afhangt. Zoo eischt God van Farao, het volk te laten trekken; God had immers het volk ook wel anders kunnen uitleiden, maar Hij stelt het in Farao's, in des konings hand, en geeft hem de eere. Nu dacht Farao, dat het van hem afhing. God laat het den Egyptischen toovenaars toe", dezelfde wonderen te doen als Mozes; toen dacht Faraü: Mijne goden zijn even machtig als die God. God verhoorde het gebed, dat Mozes op Faraü's verzoek deed; God zond keer op keer hulp en bevrijding van de plagen. Daardoor werd Farao's hart gerustgesteld en verstokt, terwijl hij dacht: [Iet staat met mij zoo slecht, zoo gevaarlijk niet, anders zou God mij niet helpen. Zoo doet God te allen tijde bij degenen, die zich tegen Hem verzetten: Hij komt met Zijne zegeningen en weldaden, met Zijne hulp, met Zijn "Woord, maar ach, de mensch laat zich daardoor niet tot bekeering brengen, maar zegent zichzelven en denkt, dat alles wél met hem staat, en gebruikt het Woord om zichzelven te handhaven en te rechtvaardigen, in plaats van daarvoor in de schuld te vallen en daardoor verbrijzeld te worden, en zoo wordt hij dan ongevoelig voor de straf, hij wordt verhard en gaat midden in zijne gerustheid verloren. Zoo is het Farao gegaan, en wat heeft hij nu daarmee verkregen en uitgericht? O, Gods macht is slechts des te meer verheerlijkt geworden. Was Faraü een machtig koning, God betoonde Zich toch als Een, Die nog veel machtiger is. Deed Farao al zijne macht gelden, om het volk niet te laten gaan, God, Die Zich nu eenmaal had voorgenomen, om Zijn arm, vertrapt volk te helpen, had toch eene nog veel grootere macht daartegenover. En zoo moest al de woede, al de hoogmoed van Farao, al zijn wederstreven slechts daartoe dienen, dat het des te meer openbaar werd, welk een God de Heere, de God Israëls is, hoe groot Zijne macht, hoe onwankelbaar Zijne trouw, hoe rijk Zijne barmhartigheid en genade is. De Heere Zelf zeide tot Faraü, Ex. 9: 16: „Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijne kracht aan u betoonde, en opdat men Mijnen Naam vertelle op de gansche aarde". En het werd verteld in alle landen. Rachab heeft het getuigd, toen zij tot de beide verspieders zeide: „Ik weet, dat de Heere u dit land gegeven heeft, want wij hebben gehoord, dat de Heere de wateren der Schelfzee uitgedroogd heeft voor ulieder aangezicht. Als wij het hoorden, zoo versmolt ons hart, want de Heere, ulieder God, is een God boven in den hemel en beneden op de aarde". En die dit getuigd heeft, geloofde in den Heere en vond genade, en haar naam werd opgenomen in het geslachtsregister onzes Heeren Jesus Christus. En wat hebben de schriftgeleerden en Farizeën, de overpriesters, de groote raad gedaan, toen de Heere kwam om Zijn arm, gevangen volk te verlossen, en zij zich Hem in den weg stelden en Zijn Woord en getuigenis niet als waarheid wilden erkennen? De Heere zette de deur der genade wijd open voor al het arme, ellendige, verlorene volk, dat verbrijzeld en verbroken voor God ternederlag; maar die op den stoel van Mozes gezeten waren, zooals zij meenden, gingen niet in en verhinderden ook anderen om in te gaan; zij stelden zich den stroom der genade in den weg, het zou niet gaan naar Gods raad en voornemen, en zij dachten het te hebben gewonnen, toen zij den Heere Jesus Christus aan het kruis genageld en Zijn graf verzekerd hadden, — maar wat hebben zij daarmee uitgericht? wat daarmee uitgewerkt? Opgestaan is de Heere Jesus Christus, de overwinning heeft Hij behaald, en het is openbaar geworden, dat ook zij met al hunne macht slechts daartoe hebben moeten dienen, dat de macht Gods, de rijkdom Zijner genade zich des temeer verheerlijkte en Zijn Naam verkondigd werd in alle landen; immers is tot alle Heidenen de prediking gekomen van Christus, den Gekruisigde, de prediking van de verzoening der zonden door Zijn bloed.
Zoo moet het dus blijven bij hetgeen Paulus in Yers 18 er aan toevoegt: Zoo o n t f e r m t H i j Z i c h d a n d i e n s H ij w i l , en v e r h a r d t d i e n H i j wil. Een schrikkelijk woord, denkt gij ? Neen, voorwaar een heerlijk, een troostrijk woord voor alle armen en ellendigen, die wegzinken voor Gods Woord, — vreeselijk echter en schrikkelijk voor hen, die zichzelven voor God willen handhaven in hunne eigengerechtigheid. Of hoe zou Paulus het anders hebben moeten zeggen, opdat het ons naar den zin zou zijn? Had hij moeten zeggen: „Zoo ontfermt Hij Zich dan over wien g i j u wilt ontfermen, en verhardt, dien g i j verhard wilt hebben?" Het is toch beter, zooals het hier geschreven staat. God is vrij, om te behouden en zalig te maken wat en hoe Hij wil. Genade is genade En zoo is Hij ook vrij, om te verharden en te verwerpen, die Hem wederstaat en Zijne genade veracht. Wie zal Hem binden en zeggen: „Wat doet Gij?" Het is echter bij Hem geene luim, geene blinde willekeur, maar alles openbaring Zijner heerlijkheid, Zijner gerechtigheid. — Zoo blijft ons dan niets over, dan aan Zijne voeten neder te zinken en ons op genade en ongenade aan IIem over te geven, alle aanmatiging van eigene gerechtigheid te laten varen, en te roepen om Zijne ontferming!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 mei 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 9 : 14—18. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 mei 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken