Bekijk het origineel

Aanteekening op Psalm 119: 25 en 26.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekening op Psalm 119: 25 en 26.

3 minuten leestijd

Yers 25. M i j n e z i e l k l e e f t a a n h e t s t o f.
Dit leven is voor de geloovigen een onafgebroken strijd, een strijd vanwege de zonde, vanwege het missen van God. Yandaar dan het zuchten en roepen, dat wij hier vinden: „Mijne ziel kleeft aan het stof", d. w. z. mijne ziel wordt door het zichtbare ternedergedrukt, ondergehouden. Wie datgene zoekt, wat boven is, die klaagt zich aan, dat zijne ziel aan het stof kleeft; hij zou dit stof zoo gaarne willen herscheppen of veranderen, en zet er zich zoo gaarne met zijne gansche ziel in vast. Daar vindt hij evenwel niets van hetgeen hij zoo gaarne zou willen vinden. De moed om zich door dit leven met kracht eenen doorgang te banen ontzinkt hem, en hij ligt als een doode in het graf. De arme mensch! Begreep hij toch slechts, dat God regeert en dat wij niet noodig hebben, het in onze hand te dragen. De geloovige gevoelt het, dat hij in stof en aseh als het ware gebonden is, doch hij verontschuldigt zich niet, maar hij roept: „Ik ellendig menself, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods!"
M a a k m i j l e v e n d n a a r Uw W o o r d.
Gij hebt ons de beloftenis gegeven: Ik leef, en gij zult leven.
Gij hebt dus beloofd, dat Gij mijn leven wilt zijn in mijnen dood.
Vers. 26. Ik heb U m i j n e w e g e n v e r t e l d.
Wat zijn onze wegen anders dan zonde, zoo wij niet in de hand des Yaders zijn! Ileere mijn God, daar vertel ik U van mijn beroep en mijnen dagelijkschen arbeid, en dat ik met mijn werk niet vooruit kan komen. Waar is daar mijn geloof? En Gij moet tot mij spreken: „Hebt gij nog uw verhard harte?" Ach, ik denk slechts aan straf! Ik vertel mijne wegen, e n G i j h e b t mij v e r h o o r d . Ik riep tot U, en Gij neigdet Uw oor tot mij; Gij hebt mijn gebed nooit afgewezen. Al mijne verkeerdheden maak ik U bekend.
L e e r mij Uwe i n z e t t i n g e n . Wat zijn toch Gods rechten en inzettingen ? Het zijn de rechten, die God den Zijnen als een voorrecht geschonken heeft, te weten, dat zij al hunne zonden op het Lam leggen; dat zij ontzondigd worden met de asch van de roode vaars. Gods rechten en inzettingen zijn, dat Hij Zijnen geliefden Zoon overgegeven heeft, opdat allen, die in Hem gelooven, niet verloren gaan. Hij heeft Zijn volk het recht gegeven, dat het voor Zijn aangezicht jubelen mag, en nu vraagt het: Leer mij, opdat ik mij door den duivel dit recht niet late ontrooven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 mei 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Aanteekening op Psalm 119: 25 en 26.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 mei 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken