Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Aanteekening op Psalm 148.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekening op Psalm 148.

10 minuten leestijd

Leer den Heere loven, en verneem, wie het zijn, die Hem loven moeten. Waarom zij Hem loven moeten, wat Hij hun gedaan heeft en met hen gedaan heeft, zegt ons Vers 5: „want als Hij het beval, ". Menschen moeten Hem loven, — waarom? Zie Vers 13 en 14; vergelijk 1 Kron. 29 : 10. Zie Openb. 5 : 13.
Zoo God voor ons is, wie of wat zal tegen ons zijn ? Als God in Christus voor ons is, dan is alles voor ons. Het Woord is aller schepselen Heer. Vergeljjk Job. 37 ; Hebr. 1 : 3 ; Ef. 1 : 22.
Vers 1. Zie Luk. 2 ; Deut. 32 : 1 en 2 ; Psalm 19 ; Jes. 1 : 2.
Vers 2. Vergelijk Gen. 3 2 : 1 ; 2 Kon. 7 : 6 ; 19 : 35; Job 38 : 7 ; Ps. 103 : 20 en 21 ; Jes. 6 : 3 ; Luk. 2.
Vers 3. Zon en m a a n , — Gen. 32 : 31 ; Jos. 1 0 : 13 en 14; Jes. 60 : 20; Joël 3 : 4 ; Matth. 27 : 45. L i c h t e n de s t e r r e n , — Richt. 5 : 20; Matth. 2.
Vers 4. Vergelijk 1 Kon. 18 : 43—48; Job. 38 : 25—38; 36 : 27—31 ; Ps. 104 : 3: Zach. 10 : 1 ; 14 : 17; Matth. 5: 45; — den zondvloed; — Jes. 5 0 : 3 ; Joël 2 : 2 3 ; — den regenboog; — 1 Sam. 12 : 18; Ps. 77 : 17.
Vers 5. Het scheppen is God zulk eene geringe zaak, als u iets te zeggen; Hjj beveelt het n i e t.
Vers 6. Zie Jer. 33 : 20; Col. 1 : 1 7 ; Hebr. 1 : 3.
Vers 7. Vergelijk Psalm 104; Ps. 77 : 17; Jona 1 : 15 en 17.
Vers 8. Zie Job 38 : 22 en 23. V u u r , — 2 Kon. 1 : 1 2; de drie jongelingen in den vurigen oven; Ex. 9 : 24; het vuur ging uit van den Heere, en verteerde op het altaar het brandoffer met het vet; Sodora en Gomorra; donder en bliksem. H a g e l , — Ex. 9 : 25 en 26; Jos. 10 : 11. S n e e u w, — 2 Sam. 2 3 : 2 0 ; Ps. 147:16 en 17; Jes. 1:18. Damp, — Gen. 19:28. S t o r m w i n d , — (Sirach 40 : 33—36); Matth. 14 : 32; al schijnt het daarbij ook het onderst boven te gaan.
"Vers 9. Vergelijk Ps. 7 2 : 3 ; 6 8 : 1 7 ; 114:4; Jes. 5 2 : 7; 5 4 : 1 0 . V r u c h t b o o m e n , — Psalm 1; Ps. 96:12; 104:16; Jes. 5 5 : 1 2 en 13; levensboom, groene boom, dorre boom; Jes. 56 : 3; Mark. 11:14 en 21. C e d e r b o o m e n , — Ps. 29 : 5; Jes. 14 : 7 en 8; 10 : 19 ; Zach. 11:1.
Vers 10. Zie Psalm 8. Wild g e d i e r t e . Een leeuw doodde den ongehoorzamen Profeet. Daniël in den kuil der leeuwen. David versloeg eenen leeuw en eenen beer. — Vee. Bileams ezelin. Zie voorts Ps. 144: 13 en 14; Jona 4 : 1 1 . — K r u i p e n d g e d i e r t e . Zie Ex. 7 : 12; Jon. 4 : 11 ; Hand. 2 8 : 5 . — G e v l e u g e l d g e v o g e l t e . Raven brengen Elia brood. Zie ook Ps. 1 4 7 : 9 ; Luk. 12 : 24. Musschen: Luk. 1 2 : 6 . Zwaluwen: Ps. 84 : 4.
Vers 11. Gij k o n i n g e n . Vergelijk Jos. 12:7—24; dit zijn de koningen des lands, die Josua sloeg, — een en dertig koningen. Spr. 8 : 1 5 : „Door Mij regeeren de koningen". — Dat God ook door heidensche koningen Zijnen Naam verheerlijkt en zulke koningen gebruikt ten dienste van Zijne Gemeente blijkt op menige bladzijde der Heilige Schrift. 2 Kron. 36 : 23 : „Zoo zegt Kores, koning van Perzië: De Heere, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven". — Ezra 1 : 2 en 3: „De Heere, de God des hemels, — Hij is de God, Die te Jerusalem woont". Hoofdstuk 6 : 1 en 7 : „Toen gaf de koning Darius bevel, — laat hen aan den arbeid van dit huis Gods". Vers 12: „De God nu, Die Zijnen Naam aldaar heeft doen wonen, werpe terneder alle koningen en volken, die hunne hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis Gods, dat te Jerusalem is Ik, Darius, heb het bevel gegeven ". Hoofdstuk 7 : 12: „Arthasasta, koning der koningen, aan Ezra, den priester ". Vers 23: „AI wat naar het bevel van den God des hemels is, dat het vlij'tiglijk gedaan worde, voor het huis van den God des hemels; •want w a a r t o e zou er g r o o t e toorn z i j n over het 1 k o n i n k r i j k des k o n i n g s en z i j n e r k i n d e r e n ? " — Esther 6 : 1 : In denzelven nacht was do slaap van den koning geweken, en hij zeide, dat men het boek der gedachtenissen, de kronieken, brengen zou". — Dan. 2 : 47 : „De koning antwoordde Daniël en zeide: Het is de waarheid, dat uliedes God een God der goden is, en een Heere der koningen". Hoofdstuk 3 : 2 8 : „Nebukadnezar antwoordde en zeide: Geloofd zij de God van Sadrach, Jlesach en Abed-nego, Die Zijnen engel gezonden, en Zijne knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en des konings woord veranderd, en hunne lichamen overgegeven hebben, opdat zij geenen god eerden J noch aanbaden, dan hunnen God". Vers 29 : „Er is geen ander God, Die alzoo verlossen kan". Hoofdstuk 4 : 34 : „Ten einde 1 dezer dagen nu hief ik, Nebukadnezar, mijne oogen op ten hemel, want mijn verstand kwam weder in mij; en ik loofde den Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte don Eeuwiglevende, omdat Zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, I en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht". Hoofdstuk 6 : 21 : „De koning antwoordde en zeide tot Daniël: O Daniël, gij knecht des levenden Gods!" Yers 27 : „Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheid". Vers 28: „Hij verlost en redt". — Ps. 2 : 10: „Nu dan, gij koningen! handelt verstandiglijk, laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!" — Ps. 33 : 16; 45 : 10. — Ps. 68 : 30 : „Om Uws tempels wil te Jerusalem zullen U de koningen geschenk toebrengen". — Ps. 72 : 10 en 11; 110 : 5; 136 : 17 en 18. — Vs. 23: „Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid". — Ps. 138 : 4 : „A11& koningen der aarde zullen U, o Heere! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds". — Ps. 144: 9 en 10; 149 : 8. — Jes. 45 : 1 : „Die delenden der koningen ontbindt". Hoofdstuk 49 : 7 : „Koningen zullen het zien en opstaan". Vers 23 : „En koningen zullen uwe voedsterheeren zijn". Hoofdstuk 52: 15: „Ja, de koningen zullen hunnen mond over hem toehouden". Hoofdstuk 60 : 3 : „En de Heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot den glans, die u is opgegaan". Vers 10: „Hunne koningen zullen u dienen". Vers 11: „Opdat men tot u inbrenge het heir der Heidenen, en hunne koningen tot u geleid worden".
V o r s t e n en r e c h t e r s . Psalm 76: „God is bekend in Juda, — Die den geest der vorsten als druiven afsnijdt, Die den koningen der aarde vreeselijk is". — 2 Kron. 19 : 6 en 7: „Ziet wat gij doet, want gij houdt het gericht niet den mensche, maar den Heere; en Hij is bij u in de zaak van het gericht. Nu dan, de verschrikking des Heeren zij op ulieden". — 1 Sam. 2 : 30 : „Die Mij eeren, zal Ik eeren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden". — Zie ook nog Psalm 47.
Vers 12. J o n g e l i n g e n , en ook maagden. Psalm 78; 119:19; 144:12; Jer. 31:12, 13 en J4; 33:10 en U ; Joël 3. — Pred. 1 1 : 9 : „Verblijd u, o jongeling!" — G ij o u d e n met de j o n g e n . Zie Jes. 9 : 1 6 ; Jer. 31 : 13; 33:34; Klaagl 5:13 en 14; Jes. 9 : 1 6 ; Zach. 8 : 4 en 5.
Vers 13. Z i j n Naam a l l e e n is hoog v e r h e v e n. Vergelijk Ex. 15: 7; Deut. 32 : 3 en 4; Richt. 13: 18; 1 Sam. 1 2 : 2 2 ; 2 Sam. 7 : 2 3 en 26; 1 Kron. 16:8—12; Neh. W: 5 en 6; Ps. 99 : 2 ; 113:4. — Z i j n e M a j e s t e i t . Zie Ps. 8 :2 en 10. — Zie voorts Ps. 103; 115:3—9; Mal. 1:11.
Vers 14. Hij h e e f t den hoorn Z i j n s v o l k s verh o o g d , — Ps 75:11; 89 : 18; 92 : 11; 112:9. Den roem al Z i j n e r g u n s t g e n o o t e n : Deze is onze God. Jes. 41: 16. De Geest leert ons den Heere roemen, opdat wij, gelijk Gods Israël, de smarten vergeten, die wij hier moeten doorstaan, en doet ons het lied der overwinning aanheffen, juist dan, wanneer wij onderliggen. Der k i n d e r e n I s r a e l s , des v o l k s , dat n a b i j Hem is, of: des volks van Hem, Die nabij Hem is, m. a. w. des volks Christi. Vergelijk Deut. 4 : 7 ; Ps. 73: 28; Jer 30 : 21; Zach. 13:7; Ef. 2: 17. Luther vertaalt: des volks, dat Hem dient; „dient", — niet naar vleesch, maar naar geloof.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 5 June 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Aanteekening op Psalm 148.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 5 June 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken