Bekijk het origineel

14. De Gereformeerde dogmatiek.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

14. De Gereformeerde dogmatiek.

16 minuten leestijd

a.) In de zestiende eeuw.
Leerling en opvolger van Calvijn te Genève was Theodoor van Beza, die als exegeet en dogmaticus voor ons van groots beteekenis is. Veel uit zijne drie deelen van „ T r a c t a t i o - n e s t h e o 1 o g i c a e " , d. i. Godgeleerde verhandelingen, behoort tot de dogmatiek. In het eerste deel treedt hij ook op tegen Sebastiaan Castellio en verdedigt met groote uitvoerigheid en grondigheid de praedestinatie-leer tegen diens bedenkingen. Bovendien vindt men in het eerste gedeelte der „ T r a c t a t i o n e s " eene c o n f e s s i o f i d e i , welke van onverwachte beteekenis voor de Gereformeerde Kerk van Hongarije geworden is, doordat zij h a a r eerste belijdenisschrift werd. Eene volledige dogmatiek bezitten wij van hem niet. Die leverde P e t r u s Martyr, een Italiaan, in zijne „ L o e i c o m m u n e s " , welke na zijnen dood door den schoonzoon van Zwingli, Gualterus, iu 1580 in het licht gegeven werden.. P e t r u s Martyr, professor te Ziirich, heeft de eigenaardigheid, d at hij het beeld Gods vooral in de heerschappij van den meuschi over de dieren ziet. Voor het overige hield hij zich, reeds watde uiterlijke indeeling betrof, streng aan Calvijn. De toon van, deze „ L o e i " is de levendige, frissche toon van den tijd der Reformatie; ook is Martyr zeer tehuis in de kerkvaders. Het Calvinistische type volgen evenzoo de Berner theologen Wolfgang Musculu8 en Benedictus Aretius in hunne „ L o e i " , beiden evenzeer als voortreffelijke exegeten bekend. Ook een Hou g a a r v Stephanus Szegedinus, gaf in 1585 te Bazel „ L o e i c o m m u - n e s " in het licht, die echter onvoltooid bleven, naardien zij alleen de theologie en de antliropologie behandelen.
I n de Palts zijn door de opstellers van den Heidelbergschen, Catechismus onderscheidene werken van dogmatischen inhoud: geschreven. 1) Het werk-van Caspar Olevianus: „De s u b - s t a n t i a f o e d e r i s g r a t u i t i i n t e r D e u m et e l e c t o s " ,. in 2 Boeken ; het behelst eene hoogst belangrijke en opmerkelijke v e r k l a r i n g van de Apostolische Geloofsbelijdenis e n i s m e t veel warmte geschreven; men kan het eenen geleerden tegenhanger van onzen Catechismus noemen. Het a r t i k e l : „nedergedaald ter helle" erlangt hier eene uitstekende uitlegging, die niet behoorlijk in onze Kerk is doorgedrongen, maar in den laatsten tijd op voortreffelijke wijze weder opgenomen is in Dr. Kohlbrügge's „Vragen en antwoorden tot opheldering en bevestiging van den Heidelbergschen Catechismus", bladz 102. Van gelijke beteekenis voor de dogmatiek is 1) de „ E x p o s i t i o S y m b o li a p o s t o l i c i s i v e a r t i c u l o r u m f i d e i , in q u a S u m ma g r a t u i t i f o e d e r i s a e t e r n i i n t e r D e u m et f i d e i es b r e v i t e r et p e r s p i c u e t r a c t a t u r " , — Frankfort 1576, Herborn 1580, — een kostelijk werk; 2) het „ C o r p u s d o c - t r i n a e c h r i s t i a n a e " , naar voorlezingen van Dr. Zacharias Ursinus '), door Dr. Pareus in 1622 uitgegeven, vervolgens te Hanauinl561 door Phil. Pareus. Dit uitnemend werk volgt nauwkeurig den gang van den Heidelbergschen Catechismus en verdeelt dienovereenkomstig de l o o i der Dogmatiek. Bij de 54ste Yraag van den Catechismus ontwikkelt Ursinus de praedestinatie-leer volkomen op dezelfde wijze als Calvijn en de Dordtsche vaderen. Dat de opstellers van den Heidelbergschen Catechismus besliste volgelingen van Calvijn waren, blijkt uit deze drie bijzondere geschriften duidelijk.
In gelijken geest als de Paltsische school, maar toch zelfstandig, arbeidde de grootste Hessische Godgeleerde Andreas Hyperius, een tijdgenoot van Calvijn. Zijn werk „ M e t h o d us - t h e o l o g i a e " , (1568) zag, jammer genoeg, niet volledig het licht. Hij heeft eene hem eigen zienswijze en stelt het anthropologische op den voorgrond; nochtans handhaaft ook hij het 'Gereformeerde dogma, al moge hij zich als Godgeleerde niet met Beza kunnen meten.
Nemen wij van de zestiende eeuw een algemeen overzicht, :zoo moet gezegd worden, dat Calvijn nog onbeperkt in dit tijdvak den schepter zwaait. Wat de wijze van voorstelling aangaat, deze is vol leven; de exegese schenkt nog gloed en leven aan de dogmatiek; de laatste is niet scholastiek. Er is ook minder strijd; vooral is er minder tegenspraak binnen de eigen muren te overwinnen; men verheugt zich nog algemeen in de duur gekochte schatten der Reformatie. De bronnen hebben hare frischheid behouden. Men gaat van de exegese uit, ook als men op den akker der dogmatiek arbeidt. De dogmatische begrippen zijn nog geene formules geworden, die de een den ander naspreekt. In één woord, Calvijn geeft over ' t algemeen den toon aan.

b.) In de zeventiende eeuw.
In de zeventiende eeuw komt het orthodoxe leerbegrip tot vastere formuleering en wordt met meer scholastieke formules toegerust. De dogmatiek maakt zich allengs van de -exegese los, daarin geheel afwijkende van Calvijn; het dogma -werd niet altijd in de levenwekkende bron der Heilige Schrift gedompeld, om vernieuwd daaruit weer te voorschijn te komen. Zoo naderde ook in de Gereformeerde Kerk de tijd, waarin men aan de Schrift de haar toekomende plaats in het middelpunt niet meer toestond, en zoodoende terugkeerde tot de -oude paden der scholastiek. Zoo kwam het, dat de dogmatiek bet overwicht verkreeg over de levende behandeling van het "Woord der Schrift, waardoor de exegese op den achtergrond geraakte. Dit laatste had, gelijk men weet, ook in de Luthersche Kerk plaats, en wel dermate, dat August Hermann Franke in 1686 te Leipzig geen college voor exegese aangegeven vond. Uit het begin dezer eeuw zijn als dogmatici Keckermann te Heidelberg, Polanus te Bazel en een Hes, met name Heinrich Alsted, te noemen; laatstgenoemde paste het eerst de scholastieke benamingen op de dogmatiek toe. Het laatst arbeidde hij te Stuhlweissenburg in Zevenbergen met grooten zegen.
Yan zeer groote beteekenis was de Synode van Dordrecht in 1618 en 1619. Zij was een keerpunt. De gezamenlijke Gereformeerde Kerk verwierp met loffelijke getrouwheid aan hare belijdenis het semipelagiauisme der Arminianen. Deze Arminianen wilden van hetgeen de kracht der Gereformeerden uitmaakte, namelijk de zuiver Bijbelsch-exegetische richting der Godgeleerdheid, op zulk eene wijze misbruik maken, dat zij geheel en al van de belijdenisschriften vrij zouden worden; zij stelden er hunne eere in om zoover mogelijk af te blijven van alle dogmatische vaststelling. Tegenover deze nieuwigheid op theologisch gebied, die Arminius en zijne aanhangers voorstonden en die slechts moest dienen om ketterijen te bedekken, trokken de orthodoxen de teugels der dogmatiek strakker aan, en zoo mettertijd daaruit zekere overspanning geboren werd, dan dragen de Arminianen daarvan in hoofdzaak de schuld, gelijk het evenzeer aan hen toe te schrijven is, dat de Kerk in de handen van den Staat overgeleverd werd. 1) Men moet traliën in de vensters aanbrengen, om veilig te zijn voor de dieven, en kan zich niet laten weerhouden door de overweging, dat het uitzicht er door belemmerd wordt. Het ongeluk bestaat juist daarin, dat er dieven zijn; het is echter niet de schuld van de traliën, als men den blik niet meer onbezorgd gelijk voorheen in de ruimte kan laten weiden. Yan deze Synode af wordt het zwaartepunt van de Gereformeerde theologische leerontwikkeling naar Holland verlegd. Gomarus, de voorvechter der orthodoxie op de Synode, schreef eene reeks van dogmatische verweerschriften. Hij had verscheidene volgelingen, onder welke vooral een Pranschman, Maresius, dient genoemd te worden, die meer dan 42 jaren met zegen in Holland werkzaam was. Hij schreef in 1659 (vervolgens in 1673) een „ S y s t e m a t h e o l o g i c u m " . Deze Maresius was de representant van den goeden ouden tijd, en iu zijne wijdloopige aanmerkingen verdedigt hij het orthodoxe leerbegrip tegen Arminianen, Coccejanen en mede tegen de vólgelingen van Descartes. Zijn boek verdient na de Institutie van Calvijn het meest aanbevolen te worden. Waleus, Alting, Amesius, Hoornbeek en Daneus gaan meer op scholastieke wijze te werk. Het hoogtepunt van scholasticisme aanschouwen wij in de „ S e l e c t a e d i s p u t a t i o n e s" van Gijsbertus Voetius te Utrecht, 1648—1669. Hij werd do stichter eener school, die alras in dogmatisch formalisme verviel; de behandeling van elk dogma afzonderlijk wordt uitgebreid tot omvangrijke, geleerde twistredenen in scholastieken trant.
In tegenstelling met Yoetius kwam eene andere school op, welker hoofd Coccejus uit Bremen was. Deze brengt wel eene frisschere, meer opwekkende behandeling der Heilige Schrift en dringt op Bijbelsche eenvoudigheid aan; toch was het hem onmogelijk op levenwekkende, duurzame wijze tegen de scholastieken zijner dagen zich te doen gelden. Hem ontbraken namelijk het diepe inzicht en de reformatorische vastheid van eenen Olevianus, en zoo kon hij, alhoewel hij het begrip van den f o e d u s Dei cum h o m i n i b u s van Olevianus aanvaardde, toch niet tot het voetspoor van Olevianus terugvoeren, al mocht er naar den klank ook veel overeenstemming schijnen te zijn. Coccejus schreef eene „Summa d o c t r i n a e de f o e d e r e et t e s t a m e n t o Dei", en heeft in dit werk de zoogenaamde foederaalmethode in de dogmatiek ingevoerd. Het verbondsbegrip diende hem tot grondslag en ter verdeeling van de dogmatische stof en geeft als het ware het kristallisatiepunt daarvoor aan. Zijn gevoelen is, dat God met Adam in een verbond trad ; onder de voorwaarde van gehoorzaamheid naar dat verbond werd Adam geschapen; het Sacrament van dat verbond was de boom des levens, en de verbondsbelofte het eeuwige leven. Adam viel, omdat li ij niet onveranderlijk goed geschapen was, maar veranderlijk. Daarop sloot God met den mensch een nieuw verbond, het verbond der genade, tot welks uitvoerder echter Christus besteld werd. Door Christus werd liet eerste verbond, het werkverbond, ter zijde gesteld, en wel hierdoor, dat Hij door het storten van Zijn bloed leven en gerechtigheid wederbracht; in Hem worden de uitverkorenen van de verdoemenis bevrijd en als rechtvaardig beschouwd, en tevens begiftigd met de vrucht der rechtvaardigverklaring, d. i. met de heiliging. De wijze der verkondiging of openbaring van dit genadeverbond, dat met het eerste Evangelie in Gen. 3 : 15 aanvangt, wordt onderscheiden in 1° de o e c o n o m i a a n t e l e g e m , 2° de o e c o n o m i a sub l e g e, 3° de o e c o n o m i a p o s t l e g e m.
Maar bij dit systematiseeren geraakte hij op eenen zijweg, die gevaarlijk was voor de eenheid der Schriftleer, dewijl hij de geloovigen, die onder de wet van Mozes leefden, beschouwde als geheellijk onder den ban der wet besloten. Naar zijne meening waren de vaderen in het geloof nog onder den vloek, en hij laat hen geen deel hebben aan het kindschap, aan de aanneming tot zonen, de a d o p t i o in f i l i o s . Ook zou de vergeving der zonden nog niet volkomen geweest zijn; ten tijde des ouden verbonds zou er slechts nanfaig, geen ayiats volgens Rom. 3 : 2 5 geweest zijn, hetwelk echter niets anders dan een spelen met woorden is, dewijl toch beide keeren aan God zoowel de nagiaig als de aquais toegekend wordt. De zonden laten voorbijgaan of wel vergeven, dat zijn verschillende voorstellingen van vergeving van zonden, en de beweegreden is in Gods oog beide keeren dezelfde, namelijk het werk der verzoening van Christus. Coccejus werd daarom van de zijde der orthodoxen duchtig aangevallen '), want hij kwam in strijd met het woord van Calvijn: „ u n a s u b s t a n t i a in v a r i a disp e n s a t i o n e " , volgens hetwelk er van Adam af slechts é én godsdienst, slechts é é n e soort van zondenvergeving is. E n evenzeer week hij van Olevianus af, die nooit de vaderen vóór Christus bij de Christenen achtergesteld heeft.
Zijne Bijbelverklaring, schoon veel goeds bevattende, vloeit over van willekeur en droomerijen. Die foederaal-methode werd gevolgd door Momma, Burmann en Witsius, zóó evenwel, dat zij in mindere mate van de orthodoxe leer afweken. Wij moeten het over het geheel als willekeur aanzien, dat men het begrip van het verbond als grondbeginsel en allereersten verdeelingsgrondslag van de dogmatiek aanneemt; men verkrijgt daardoor een te eng vakwerk, te smalle indeelingen, in welke zich de door de voorgangers verwerkte stof der dogmat i ek niet insluiten laat.
Ter zelfder tijd tastte ook de wijsbegeerte van Descartes in Holland zekere punten der dogmatiek aan. Yan Til, Braunius en Heidanus leveren in hunne werken daarvoor de bewijzen. Tegen dit milde Cartesianiame in de dogmatiek ijverden inzonderheid Maresius en Peter van Maastricht.
Slaan wij ten slotte nog eenen blik op Zwitserland. Aldaar schreef Antistes Wolleb id 1626 zijn voortreffelijk „ C o m p e n - d i u m t h e o l o g i a e c h r i s t i a n a e " , dat zich onderscheidt door beknoptheid en nauwkeurigheid. In den loop der eeuw blinkt nog Heidegger met zijne „ M e d u l l a t h e o l o g i a e" uit, waarin hij met omzichtigheid van de Coccejaansche foederaal- methode gebruik maakt. Als medearbeider van Heidegger bij de doorzetting der P o r m u l a c o n s e n s u s Helv e t i c a , gelijk ook op dogmatisch gebied, moet Frans Turretin genoemd worden, wiens „ I n s t i t u t i o t h e o l o g i a e e l e n c h - t i c a e " in drie deelen in 1674 te Genève verscheen. Deze Institutio van Turretin zouden wij in de derde plaats naast Calvijn en Maresius kunnen aanbevelen. Zij behelst eene apologetische uiteenzetting der afzonderlijke leerstukken en is bijzonder geschikt om nageslagen te worden. Alleen in Schotland er Amerika wordt zij thans nog gewaardeerd.

c.) In de achttiende eeuw.
I n deze eeuw kreeg de philosophie van Leibnitz en Wolf invloed op den dogmatischen arbeid, hetgeen aan de werken van Stapfer en Wyttenbach te bespeuren is, met wie de zelfstandige behandeling der Gereformeerde dogmatiek een einde neemt. Het Arminianisme, eenmaal als Pelagianisme door de Kerk afgewezen, liet zich meer en meer gelden en heeft ten slotte, strijd voerend onder het schild van het Rationalisme, op het vasteland de zege behaald. Wat waarlijk Gereformeerd is, weten heden ten dage slechts weinigen meer, en verscheidenen hunner weten het slechts, omdat zij uit een wetenschappelijk oogpunt er belang in stellen. In Groot-Brittanje en Amerika, is de Gereformeerde orthodoxie nog heerschende, ofschoon ook daar de zuivere leer meer en meer terugwijkt voor eene pietistisch-methodistische opvatting van het Christelijk leven en voor de belangstelling in schitterende Christelijke werkzaamheden. I n Duitschland is Ebrard evenmin als Heppe gereformeerd te noemen in den zin van de zestiende en de zeventiende eeuw.
Alexander Schweizer is een Schleiermacheriaan van den uitersten linkervleugel. Schleiermacher zelf beproeft geloof en philosophie als twee instrumenten te doen samenstemmen; hij predikt een evangelie in zijnen naam, en is wel in ieder dogma een groote k e t t e r ; zie Strauss, „De Christus des geloofs", bladz. 230 '). Heppe's „Dogmatiek der Evangelisch-Gereformeerde Kerk" en Schweizèrs „Geloofsleer der Evangelisch-Gereformeerde Kerk" behooren als geschiedkundige verzamelwerken met omzichtigheid gebruikt te worden. Ebrards „Christelijke Dogmatiek" is belangwekkend om den theoloog Ebrard, doch niet om de Gereformeerde Dogmatiek te leeren kennen ; in de leer der genade en van het Avondmaal volgt hij zijnen eigenen weg.
Zoo worde dan ten slotte in hoofdzaak naar Calvjjn, Maresius, Turretin en Wolleb verwezen. Yoor hen, die waarheid zoeken, is op dogmatisch gebied reeds in de vorige eeuwen genoeg geschreven.


1) In eenen (in het Leven van Ursinus, bladz. 614) bij Sudhoff gedrukten brief zegt UrsinuB: „Toen ik den geheelen Bijbel doorgelezen bad (om helderheid te verkrijgen omtrent de praedestinatie) belaehte ik eensdeels en verwenschte ik anderdeels die ellendige twistgesprekken en dien nevel van drogredenen, die vruchteloos tegenover dezen b l i k s e m der praedestinatie gesteld worden". — Op bladz. 4 1 5: „In de beproevingen des levens heb ik het hondengeblaf leeren verachten, dat aangeheven wordt tegen deze leer" (aan Crato).


1) Een goed beeld van de Synode van Dordrecht krijgt men door bet lezen v u Van der Tnuk, Jobannes Bogermao. Groningen 1868.


1) Maresius noemt hem deswege in het Systema, bladz. 387, «novatorum jiatriarcham et patronum".


1) Strauss zegt aldaar: „Schleiermacher is zoo min een volgeling van Calvijn, als Lessing een van L u t h e r " . Gode zij dank, Die ons door zulke „enfants t e r r i b l e s ", als Strauss, althans van de halfheden verlost.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juli 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

14. De Gereformeerde dogmatiek.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juli 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken