Bekijk het origineel

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

10 minuten leestijd

Hoofdstuk VIII.
Dreieichenhain


De Heidelbergsche Catechismus geeft ons in de 27ste Vraag van de Voorzienigheid Gods deze treffend schooue omschrijving, dat zij is „de Almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders de schepselen, als met Zijne hand nog onderhoudt en alzoo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen n i e t b i j g e v a l , m a a r v a n Z i j n e V a d e r - l i j k e h a n d ons toekomen". Ook Hartung heeft dit, wat hij zoo vaak aan anderen voorhield, bij zijne afzetting te Nierstein in de praktijk geleerd. Op hetzelfde oogenblik, toen de vijanden hem met zijn gezin in het verderf poogden te storten, had de Voorzienigheid des Heeren reeds voor hem gezorgd en riep hem bij monde van dezulken, door wier hand God ons op deze ellendige aarde regeeren wil, naar eene andere plaats in het Isenburgsche land, en wel naar Dreieichenhain.
Nauwelijks hadden de Isenburgsche graven hun land van den Keizer weder teruggekregen, wat, zooals wij weten, in November van het jaar 1642 geschiedde, of de weduwe van den in 1635 overleden graaf Wolfgang Hendrik, gravin Maria Magdaleua, herinnerde zich den trouwen getuige der waarheid, dien men eens, nadat hem ten onrechte zulk eene zware beleediging was aangedaan, zonder hem voldoening te geven uit den Isenburgschen dienst had laten treden. Zulk een verzuim moest thans goedgemaakt en Hartung schitterend tegenover zijne vijanden gerechtvaardigd worden, nu Gods tijd daartoe gekomen was. Thans gedacht Hartung met dank aan den Heere het woord, dan zijn broeder eens te Geinsheim in dagen van zware beproeving tot hem gesproken had.
De toestanden evenwel, die hij te Dreieichenhain vond, waren alles behalve aanlokkend. De landgraaf van Hessen-Darmstadt had in de zeven jaren, dat hij de Isenburgsche landen bezat, het hier juist zoo ver weten te brengen, dat door een zijner Luthersche predikanten de Gereformeerde belijdenis, die buitendien in vroeger jaren ten gevolge der mederegeering van eenen Lutherschen graaf menigeu aanval te verduren had, bijna geheel uitgeroeid was. Zoo vond hij bij zijne komst aldaar slechts één Gereformeerd gemeentelid, den schout van het dorp, en wat deze hem verhaalde van den vorigen Gereformeerden predikant, luidde volstrekt niet bemoedigend. Deze was een Nassauer, Johannes Thomae geheeten, geboortig uit Willingen in het Neukircher kerspel in het Westerwoud. Na het volbrengen van zijne academische studiën te Herborn en aan eene Nederlandsche universiteit, werd hij onderwijzer aan het paedagogium te Herborn, en weinige jaren later, in November 1632, aan de Gereformeerde Latijnsche school te Dillenburg, van waar hij den 9J e" November 1633 tot predikant le Dreieichenhain beroepen werd. De bij deze plaats behoorende dorpen, inzonderheid Sprendlingeu, volgden echter zeer slecht zijne prediking. Op zekeren Zondag was er slechts één man uit het genoemde dorp in de kjsrk, wat de Isenburgsche regeering noopte, ieder huis aldaar eenen kwartgulden boete op te leggen. Doch door zulke maatregelen werden de lieden juist te afkeeriger van den predikant. Tegen de ambtenaren waren zij niet opgewassen; maar den predikant, die in hun midden woonde, konden zij allerlei kwaad berokkenen. Op zekeren dag, toen vreemd krijgsvolk of liever krijgsgespuis hier op beestelijke wijze huishield, werd Thomae gevaarlijk door hen gewond. Om de noodige verpleging te vinden, bracht men hem naar het kasteel te Offenbach. Toen hij genezen was, kon hij niet naar Dreieichenhain terugkeeren, wijl het oorlogsgevaar hem weerhield. Zoo moest hij dan, ofschoon hij hier bijna in 't geheel geene bezoldiging genoten had, op eigene kosten een vol jaar te Frankfort wonen. Hij keerde daarop naar zijn vaderland terug, alwaar hij in 1635 weder te Herborn als praeceptor der secundo en prima werd aangesteld. Den 1611"1 April 1641 werd hij door den inspector Nisener en den raadsheer Daurn als predikant in het naburige Bicken aangesteld.
Het ergst voor Hartung was nu de omstandigheid, dat de Darmstadtsche landgraaf Georg II den door hem aangestelden Lutherschen predikant Mag. Johan Georg Gerth ook verder bleef beschermen, en dat de Isenburgsche regeering dezen niet kon verjagen, want in Sprendlingen had Hessen het presentatierecht der predikantsplaats, en hier was de zetel van den Lutherschen predikant, die echter wegens het oorlogsgevaar te Dreieichenhain woonde.
Welk eene scheeve verhouding daaruit voor Hartung ontstond , laat zich denken. Daarbij kwam dat in de filiaalgemeente Götzenhain op zes personen na allen de belijdenis der der tegenpartij waren toegedaan. De kerk vond hij dikwijls, ondanks de van overheidswege bedreigde straf, geheel ledig. Op eenen boete- en bededag was er eens geen mensch in de kerk, en op den voorafgaanden Zondag alleen de schout en eene vrouw. Ook kon het niet uitblijven, dat hij al zeer spoedig in allerlei moeilijkheden kwam met zijnen Lutherschen ambtsbroeder, die hier de eenige rechthebbende meende te zijn en zijne Luthersche geloofsleer alle Zondagen in zijne predikatiën, met heftige uitvallen tegen de Gereformeerden, op den voorgrond stelde. Ilartung kon, waar het de eer en de waarheid zijner Gereformeerde belijdenis gold, niet zwijgen, maar besprak eveneens bij voorkomende gelegenheden in zijne predikatiën al die leerstellingen der Luthersche Kerk, welke niet met het Woord Gods overeenstemmen. Vooral brandmerkte hij het „exorcisme" of de zoogenaamde duivelbanning bij den doop der kinderen, want volgens deze leer zouden de moeders slechts duivelen ter wereld brengen, en waren de kinderen tot aan hunnen doop duivelen. Ook vraagstukken betreffende de leer van het Heilig Avondmaal werden door hem behandeld, en daarbij toonde hij aan, in welke punten de Lutherschen dwaalden. Maar nóg heftiger karakter verkreeg het verschil tusschen hen over het recht betreffende de godsdienstoefening in het tot Sprendlingen behoorende Götzenhain
Hessen had bij den afstand van dit deel des lands aan Isenburg met de gravin-weduwe van Isenburg aangaande de pastorale rechten in Sprendlingen eene overeenkomst gesloten. Maar de filiaalgemeente Götzenhain was daarbij, merkwaardig genoeg, niet in aanmerking genomen. Op die omstandigheid grondde Isenburg nu de aanspraak, in Götzenhain de vrije hand te hebben. Gerth moest, door Isenburg daartoe aangemaand, zijnen arbeid aldaar staken. De godsdienstoefeningen te Götzenhain moesten door den Gereformeerden predikant te Dreieichenhain geleid worden. Doch hiertegen protesteerde Hessen. En nu streden letterlijk beide partijen oin het houden van de godsdienstoefeningen aldaar. Van Isenburgsche zijde werd toen eindelijk, om aan den twist een einde te maken, de kerk te Götzenhain gesloten. Daartegen verliief echter op bevel zijner Ilessische overheid de Luthersche predikant Gerth te Dreieichenhain zeer beslist zijne stem; zelfs wist hij eenmaal door list zich den toegang te verschaffen. Op eenen anderen keer, toen Ilartung en zijn Luthersche collega elkander aan de kerk ontmoetten, kwam eerstgenoemde, die dichter bij de deur stond, den Lutherschen leeraar voor, nadat zij ten aanhoore hunner gemeenteleden eenen geruimsn tijd achtereen over de wederzijdscbe aanspraken eene woordenwisseling gevoerd hadden. Ilartung predikte ditmaal (het was op Zondag Quasiniodogeniti van het jaar 1644) als de eerste Gereformeerde predikant in de Götzenhainer kerk. Ook later hield hij daar herhaaldelijk godsdienstoefeningen, terwijl deii Lutherschen predikant door de gewapende macht het gebruik der kerk, waarvan hij zich meermalen met geweld poogde te verzekeren, belet moest worden. Een paar maal woonde graaf Johan Lodewijk van Isenburg, die in dat jaar zelf de regeering over zijn land aanvaard had, de prediking van Hartung bij, en poogde hij door vriendelijke woorden de lieden tot kalmte te stemmen. Eindelijk werd er besloten, dat beide predikanten zich van het leiden der godsdienstoefeningen te Götzenhain onthouden zouden, om intusschen deze zaak te kunnen regelen. De inweners zei ven werden naar de Gereformeerde kerk te Dreieichenhain verwezen De Ilessen-Darmstadtsche beambten kregen nu echter bevel om niet toe te laten, dat de Gereformeerde predikant ambtsverrichtingen te Götzenhain uitoefende. Doch op die wijze werd aan de vijandschap tusschen de beide kerkgenootschappen slechts te meer voedsel gegeven L a t e r , na Hartungs vertrek, hernieuwden zich dan ook deze geschillen.
De plaatselijke verhoudingen, of liever wanverhoudingen, em het voortdurend getwist waren voor onzen Hartung alles behalve aangenaam. Ofschoon hij een beslist Gereformeerd theoloog was, en onder de gegeven omstandigheden geene nadere gemeenschap met zijne Luthersche mede-Christenen begeerde te hebben, wenschte hij in vrede met hen te leven. Hij leerde evenwel ook in zulke toestanden als in bestieringen en leidingens des Heeren te berusten.
Een weinig draaglijker scheen zijn toestand te zullen worden,, toen in Juni 1643 zijn broeder Georg Frederik, na den Lüneburgschen dienst verlaten te hebben, door gravin Maria Magdalena tijdelijk tot baljuw en rentmeester van Hain werd aangesteld. Maar ook deze vreugde was van korten duur, want" dewijl de tijd te kwaad was en hem hier geene voldoende middelen tot zijn onderhoud konden gewaarborgd worden, vroeg en verkreeg hij reeds den 3aen Augustus van hetzelfde jaar,, dus slechts weinige weken na zijne aanstelling, zijn ontslag,, natuurlijk tot grooten spijt van zijnen broeder Johannes.
Maar deze werd hier door zijnen God —juist in eenen tijd, toen de bovengenoemde geschillen het ondraaglijkst waren, — nog in een anderen diepen weg geleid. In het voorjaar van 1644 werd zijne trouwe echtgenoote door den dood van zijne zijde weggenomen. Dat was een harde, j a de hardste slag, die hem ooit getroffen had. Zij, die al de ellende en den nood in de vreeselijkste oorlogsjaren met hem gedeeld had, was hem nu ontvallen. Dieper werd hij destijds, toen hij zich daarna onder de hand des Heeren gebogen had, ingeleid in het recht verstand van de troostvolle leer der eeuwige verkiezing uit genade. Ja, wat een tijdgenoot, de Ilessen-Kasselsche hofprediker Theophilus Neuberger in zijn geschrift: „Het gouden kleinood van Paulus uit Romeinen 8 : 28—30" (Kassei, 1632) zegt op bladz. 8 en 9, dat las Hartung destijds met tranen in de oogen, maar innerlijk doordrongen van de kracht dezer woorden, aan zijne gedeeltelijk reeds volwassen kinderen voor: „Dengenen, die God liefhebben, moeten alle dingen medewerken ten goede, namelijk ter bevordering hunner welvaart en zaligheid. Onze zaligheid bewerken kan de beproeving op zichzelve niet, maar medewerken kan zij als een voortreffelijk middel, waardoor wij menschen eerst gebracht worden tot de erkentenis van en liet berouw over onze zonden, gelijk de Ileere Zelf aantoont, wanneer Hij zegt in Hos. 5 : 15: „Ik zal henengaan eo keeren weder tot Mijne plaats, totdat zij zichzelven schuldig kennen en Jlijn aangezicht zoeken". Dan, wanneer de Ileere henengaat en wederkeert tot Zijne plaats, of Zijne hand aftrekt en het ons kwalijk laat gaan, erkent men, dat men schuld opzich geladen heeft, zooals uit het voorbeeld van David, Manasse en anderen genoegzaam blijkt. De beproeving dient tot ons welzijn, naardien daardoor ons geloof, onze hoop en ons geduld bekrachtigd, liefde tot het Woord Gods gewekt en wij tot het gebed aangespoord w-orden. Dat zijn de heilzame vruchten der gerechtigheid, welke de tuchtiging geeft aan hen, die er door geoefend zijn".
De Heere liad Hartung hier in eene woestijn geleid, om vriendelijk met hem te spreken, gelijk Hij door den mond van den Profeet Hosea getuigt. (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 juli 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 juli 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken