Bekijk het origineel

Over het gebed, naar aanleiding van Joh. 16 : 23 en 24 en Heid. Cat. Vr. en Antw. 116.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Over het gebed, naar aanleiding van Joh. 16 : 23 en 24 en Heid. Cat. Vr. en Antw. 116.

23 minuten leestijd

Hoe meer wij bedenken, dat wij zondaars zijn, des te meer j zullen wij den troost van de vergeving der zonden noodig hebben. De vergeving der zonden nu hebben wij in het geloof. Daar kan het dan niet uitblijven, of het hart wordt verruimd, de oogen worden geopend, en wij zien eene zee van barmhartigheid, liefde en trouw. Moedigt dat niet den mensch, den armen, hulpbehoevenden menseh aan om te putten en te nemen? moedigt het hem niet aan tot het gebed? Als er bij God alles, alles is, en Hij zulk een ruim hart heeft, dat Hij ons alles wil schenken, zouden wij, die toch zoo arm zijn dan niet vragen om heil, om hulp, om verlossing en genade? om alles wat wij behoeven ? Toch zeker wel! Maar wij laten ons de bron, waaruit wij allen vrij mogen scheppen, toesluiten. Als wij zoeken, en het niet terstond vinden, dan laten wij den moed zinken; komt het niet van de heuvelen en bergen, dan komt het in 't geheel niet; de handen worden slap, e n . . . de duivel heeft, wat hij wil. Wij hebben er daarom behoefte aan onszelven ook de goede leer van het gebed eens voor te houden. "Wij willen daartoe opslaan Joh. 16 : 23 en 24: V o o r w a a r , v o o r w a a r zeg I k u: al w a t g i j den V a d e r z u l t b i d d e n in M i j n e n N a a m , dat zal H ij u g e v e n . Tot nog toe h e b t g i j n i e t g e b e d e n in M i j n e n N a a m ; b i d t , en g i j z u l t o n t v a n g e n , o p d at u w e b l i j d s c h a p v e r v u l d zij. Wij knoopen hieraan vast, wat in onzen Catechismus staat van het gebed, en wel Vraag 116: W a a r o m is h e t g e b e d den C h r i s t e n en v a n n o o d e ? Antwoord: D a a r o m , d a t d i t h e t voorn a a m s t e s t u k der d a n k b a a r h e i d is, h e t w e l k God v a n o n s v o r d e r t ; en d a t God Z i j n e g e n a d e en d en H e i l i g e n G e e s t a l l e e n d i e n g e v e n wil, d i e H e m, m e t h a r t e l i j k z u c h t e n , z o n d e r o p h o u d e n , d a a r om b i d d e n en d a a r v o o r d a n k e n.
De Heere Jesus had Zijnen discipelen medegedeeld, dat Hij hen zou verlaten; Hij had hun gezegd, dat Hij weder tot den Vader ging. „Eenen kleinen tijd", zeide Hij, „en gij zult Mij niet zien; en wederom eenen kleinen tijd, en gij zult Mij zien: want Ik ga heen tot den Vader." (Joh. 16: 16.) Dat begrepen de discipelen in 't geheel niet. Zij droomden van niets anders dan geluk, en h u n geluk bestond daarin, dat zij voortdurend bij den Heere waren, en Zijne leer, Zijn Woord hoorden, en verder vraagden de discipelen naar niets, naar hemel, hel, noch aarde; zij hadden den Heere bij zich, hoorden Zijne liefelijke woorden, waren daarin hoogst gelukkig, en dachten, dat het altijd zoo zou blijven. Dat echter de Heere door één van hen zou verraden worden, dat Hij door de hoogeerwaarde overpriesters en schriftgeleerden zou ter dood veroordeeld worden, ja dat men Hem zelfs aan een schandelijk kruishout zou nagelen, dat wilde er niet bij hen in, hoe dikwijls Hij het hun ook had gezegd.
Het ging hun, zooals het ons allen gaat. „Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven!" heeft de Heere gezegd. Nu bidden wij allen om geluk, en wenschen elkander geluk, maar dat het hierbeneden door een tranendal heen moet, dat bevreemdt ons altijd, en als wij vandaag lachen, kunnen wij het niet begrijpen, dat wij morgen weer zouden weenen. Bovendien, de discipelen gevoelden toen niet veel van zonde, zij hadden den Heere bij zich, en gaf Hij hun ook soms eene berisping, zoo was Hij toch ook wederom zoo vriendelijk en liefderijk jegens hen, dat zoolang de Heere bij hen was, hun geweten hen zeker niet erg zal geplaagd hebben. Dat dus de Heere voor hunne zonden zou moeten lijden en sterven, dat wilde er niet bij hen in, evenmin als zoo iets er bij ons in wil; want als wij van den troost des Evangelies gewagen, dan hebben wij geene zonde op ons geweten; wanneer wij echter zonde op ons geweten hebben, dan verstaan wij van het heerlijke Evangelie niets. Telkens moet de Heere weder komen om ons te zeggen, wat wij voor het oogenblik niet verstaan. Het Woord komt en neemt zijnen intrek in het hart, en dat doet het.
De Heere Jesus nu zegt: V o o r w a a r , v o o r w a a r ! Dat is zoo Zjjne koninklijke eedzwering. Hij gebruikt niet vele woorden. Klem u aan Zijn „amen, amen!" vast, en de hel kan u niet houden, iedere nood en iedere angst moet wijken. Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar d e z e rots staat onwrikbaar. „Voorwaar, voorwaar I k z e g u", zeide Hij tot Zijne discipelen, en zegt daarmede tot ons: Ik geef ook u deze groote genade, u, die dit Boek hebt, dat de blinde Heidenen en ook de blinde Christenen niet hebben, maar dat u gegeven is, u, zeg Ik, — wie gelooft, die heeft het! De Heere stelt Zich echter gaarne zoo aan de discipelen voor, alsof Hij niet meer bij hen was. Als Hij tot hen zegt: Al w a t g i j d e n Y a d e r b i d d en z u l t in M i j n e n N a a m , d a t z a l H i j u g e v e n , dan stelt Hij Zichzelven aan hen voor als niet meer bij hen zijnde. — Zoolang Hij bij hen was, vraagden zij Hem om alles; en baden zij ook al eens, dan baden zij tot God den Yader, maar bleven bij dat alles toch zoo ledig; het was bij al hun bidden toch niet het rechte leven, zij leefden meer in hetgeen zij van den Heere Jesus vernamen. Maar de geestelijke mensch is als een herkauwend dier, zoo is hij door God gemaakt. Zij zaten midden in het groene gras, hoorden het geklank, maar aten niet, Het ging hun zooals zoovelen uwer, die ook den klank "van het liefelijk Évangelie hooren, maar niet eten, — er moet eerst leven in den mensch komen! Zij baden, ja, maar zij hadden daarbij geene groote blijmoedigheid; het was maar zoo ten halve. De Heere zegt: B i d t , en g i j z u l t o n t v a n g e n, o p d a t u w e b l i j d s c h a p v e r v u l d z i j . Zij hadden dus nog geene groote blijdschap. Groote blijdschap, — ja, daaronder versta ik iets, dat niet onder woorden te brengen is. Deze blijdschap bestaat daarin, dat ik kan zeggen : Er moge komen wat er wil, ik kan niet ongelukkig worden, ik ben voor eeuwig geborgen, eeuwig gelukkig. Zoodanige blijdschap zouden de discipelen hebben. — Als ik arm ben en weet, dat in het testament van eenen rijke eene groote som aan mij is vermaakt, dan eet ik vroolijk wel is waarnog eenen kleinen tijd mijne broodkorst; weldra, zoo denk ik, ben ik rijk, heb eenen mooien wagen en prachtige paarden. Als ik de zekerheid heb, in gunst te staan bij een groot vorst, dan mogen de honden nog een weinig naar mij bijten, en de ezels naar mij slaan, daar stoor ik mij niet aan ! Immers als ik ia de hoofdstad kom, wacht mij de eer; maar de anderen moeten beschaamd buiten blijven staan en komen er niet in. — Der discipelen blijdschap moest volkomen zijn. Men kan wel een oogenblik blijdschap in God hebben, maar spoedig is zij weer verdreven; liet zichtbare, het aardsclie komt er weer tussehen. Dat is niet de blijdschap, die de Heere bedoelt; Hij wil Zijnen jongeren eene v o l k o m e ne blijdschap verzekeren. Dit is echter eene eigenaardige blijdschap; want vooreerst is hierbeneden in het ondermaansche alles onvolkomen, ten andere houdt het niet op in dit leven, dat wij nu zingen en dan weder weenen, dat wij heden vol moed en getroost zijn, en morgen weder terneergeslagen. Het is, als wanneer ik eenige goudstukken in mijne hand heb, deze goed vasthoud en daarna, omdat ik nu eenmaal moet, omdat mijn beroep het meebrengt, door slijk en drek moet, en toch het goud behoud, zonder dat het vuil wordt, en het niet verlies, — dat is eene volkomene blijdschap. Daarbij kan ik wel sidderen en beven, daarbij kan ik bang te moede zijn, ik kan weenen, zorgen en mijzelven kwellen, nu kan mij dit, dan dat drukken ; maar bij zulk worstelen weet i k : daarboven is er Ben, en Die daarboven is, is ook hier in het hart, en dit hart is ook daarboven, er is eene vereeniging, — en zoo ligt deze blijdschap veel, veel hooger dan dood, graf en drek, dan tranen, zuchten en zorgen. Dat zij hooger ligt, zal ik u bewijzen: allen, die gelooven, zijn menschen, zij liggen steeds onder en komen toch altijd weer boven. Zij zouden niet kunnen overwinnen, ware er geene hoogere blijdschap in hen, die al het lijden wegneemt en hun vleugelen geeft, om op te stijgen.
Wanneer ik mijnen zoon naar een vreemd land zend, zoek ik het op alle manieren zoo te schikken, dat hij daar gelukkig is, dat hij zichzelven niet behoeft te kwellen; ik zorg, dat hij goedsmoeds zjj, dat hij vroolijk en opgeruimd van geest blijve. Zoo zijn wij nu ook in den vreemde, en moeten door deze wereld en dit leven heen, moeten door den dood heen. Nu wil onze hemelsche Yader ook, dat wij goedsmoeds blijven, daarom moeten wij bidden. Maar hoe moeten wij nu bidden? „Al wat gij den Yader zult bidden i n M i j n e n N a a m " ; — „tot nog toe hebt gij niet gebeden in M i j n e n N a a m " , zegt de Heere Jesus. Wat is dat toch: „in Mijnen Naam"? Wil dat zeggen, dat wij, als wij ons gebed hebben uitgesproken, er nog ten slotte moeten bijvoegen: „in den Naam van Jesus Christus", zooals wij bijv. achter in ons Psalmboek verscheidene gebeden hebben, aan welker slot als aanhangsel voorkomt: „door onzen Heere Jesus Christus, in Wiens Naam wij onze gebeden besluiten"? Ja, dat is naar de letter; maar dit is niet alles wat Jesus bedoelt, als Hij zegt, dat wij zullen bidden in Zijnen Naam. Wij moeten wel is waar voor den Vader belijden, dat wij slechte kinderen zijn, dat wij niet deugen, dat wij niet waardig zijn, kind genaamd te worden, wij hebben te belijden al onze zonde en schuld, maar één ding mogen wij vasthouden, nml. dat de Heere Jesus gezegd heeft: Gij moogt vrijmoedig tot Mijnen Vader gaan, moogt aan Zijne deur aankloppen, en als gij aanklopt, doet Hij de deur open; Ik zeg u: Gij moogt Hem om alles vragen en bidden, en het zal u gegeven worden; zoek, zoek! ga het huis Mijns Vaders binnen, daar is iets voor u klaar gelegd ; zoek, zoek! en gij zult vinden! (Matth. 7 : 7 en 8.) En nu, wat zou u nog hinderen? Mijn Vader is immers uw Vader! Ik wil niets voor Mijzelven hebben; al wat Ik heb, deel Ik met u! Mijn Vader is uw Vader! zoo moogt, ja zoo zult gij dus als kinderen tot Hem gaan. Meer nog! gij hebt zonde en schuld, en het is u bang; het zal u niet meer bang zijn! Mijn Naam heeft iets te beteekenen bij den Vader, Mijn Naam is Jesus, en reeds lang ligt op Mijns Vaders tafel de kwitantie voor al uwe schuld, onderteekend met Mijn bloed, dat alles betaald is, en daar ligt het eeuwige Testament, hetwelk geldigheid verkregen heeft in Mijnen dood, waarin gij gemaakt zijt tot erfgenamen Gods, tot Mijne medeërfgenamen. — De bedoeling is dus niet, dat wij al onze gebeden zullen besluiten met een „in den Naam van Jesus Christus", maar dat wij met ons gansche hart, met een waarachtig, ongeveinsd geloof den Heere Jesus Christus aangrijpen en Zijne gerechtigheid, die Hij voor ons verworven heeft door Zijn allerheiligst lijden en sterven, door de macht Zijner opstanding; dat wij dus de gansche volkomenheid, die de Gemeente in Christus heeft, den Vader in het geloof met hart en gedachten voorhouden. Dan slaan wij telkens, als wij tot den Vader naderen, het oog op het kruis, op het ledige graf, en naar de Rechterhand des Vaders; daar zit Hij, Jesus. Dat is bidden in den Naam des Heeren Jesus. Dan steunt leven, hart en gemoed op de heilsbeloften van Jesus Christus, de ziel houdt deze in geloof aan den Vader voor, houdt aan Hem voor al wat de Heere Jesus is, wat Hij gedaan, geleden en gezegd heeft, wat Hij verworven heeft, wat Hij ons van God gezegd heeft; dan kan de Vader niet toornen, en al zeiden ook alle duivels: „Hij wil niets van u weten!" zoo zeg ik tot hen: Gij liegt, Hij is mijn Vader, de Heere Jesus heeft het gezegd! „Maar gij zijt een groot, een gruwelijk zondaar!" Des te eerder moet ik gaan! „Maar zijt gij dan niet bang voor den vreeselijken gloed des toorns Gods?" De Heere Jesus heeft geroepen: „Mijn God! Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?" toen is Hij voor mij door dezen gloed heengegaan en hoeft mij verlost van den toekomenden toorn. Bidden in den Naam des Ileeren Jesus is dus: met een blij gemoed en hart, met een ongeveinsd geloof te zien op alles, wat de Ileere Jesus voor ons is, en van Hem op God den Yader, Die onze God en Yader is door al hetgeen de Heere Jesus voor ons verworven heeft. Komt men dan opnieuw met zonden, klaagt men: „Ach, ik ben geen rein, geen heilig man", zie, de Heere Jesus is een rein en heilig Man; en de arme zondaar en de Heere Jesus gaan samen tot den Vader. Weeskinderen, zooals wij zijn, zijn geene vroolijke, lustige kinderen; zij hebben den duivel tot vader gehad en eene Hethietische tot moeder, maar werden door God gevonden buiten in het veld, liggende in hun bloed, en God in den hemel is hun een rechte Vader geworden en geeft deze ellendige kinderen over aan Zijnen Zoon; Die brengt hen terecht, reinigt hen, brengt hen weder en legt hen in den schoot Zijns Vaders.
De Heere Jesus heeft gezegd: Tot nog toe hebt gij n i e t g e b e d e n in M i j n e n Naam. Dat zij eene onderwijzing ook voor ons! , Als wij met verlichte oogen zien op hetgeen de Heere Jesus zegt, zoo zullen wij, al hebben wij ook reeds vijftig jaar in den Naam des Heeren Jesus gebeden, toch moeten zeggen: Tot nog toe hebben wij het nog niet gedaan. Wij mogen dus de woorden: „Tot nog toe hebt gij niet gebeden in Mijnen Naam" wol goed in gedachtenis houden. Ja, heb ook dikwijls gebeden in den Naam des Heeren Jesus, heb uwe verlorenheid en verdorvenheid volkomen gevoeld en daarbij met volle blijmoedigheid gezien op den Heere Jesus, en van Hem op den Vader, — al is dit ook waar, zoo zult gij toch, j a juist te meer moeten zeggen : Voorwaar, ik heb het nog nooit verkregen, ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht! Ach, dat wij ons toch verootmoedigen en deze woorden des Heeren Jesus aannemen, opdat ons in waarheid geopend worden de schatten des hemels, opdat wij verzadigd en getroost worden en onze blijdschap volkomen zij, opdat wij, ofschoon wij weenen, toch van harte getroost zijn en vroolijk lachende zeggen: Is de hemel voor mij gekocht, wie zal hem mij ontnemen?
Zulk een gebed nu is het voornaamste stuk der dankbaarheid. Als iemand bij mij komt, opdat ik hem helpe, zoo help ik hem naar mijn vermogen, en hoop, dat hij zoo dankbaar is, dat hij het aan geenen ander vertelt, en voorts het geschonkene goed besteedt en zich daarmee redden kan; want als hij telkens terugkwam, moest ik ten laatste ophouden met helpen, want zoo veel heb ik niet. De dankbaarheid echter, die God ons leert, is eene andere. Wanneer men ziek is geweest, en men zich eenmaal in de stralen der zon verkwikt heeft, dan zal men telkens weder hare warmte zoeken; of wanneer men zich eenmaal aan eene bron heeft gelaafd, dan zal men telkens weder zich met haar frisch en helder water verfrisschen. Zoo wil de Heere, dat wij ook jegens Hem zullen doen. -— IIet is echter een zwaar stuk, dit stuk van de dankbaarheid. Ik wil u niet berispen, maar in den grond moogt gij toch allen uzelven afvragen: Zijn wij dankbaar? De mensch is trotsch en hoogmoedig en zegt: „Nu ja, ik ben in nood geweest, en ben • geholpen; de zon heeft voor mij geschenen, maar wat nu verder? ik heb ook betaald, ben dankbaar geweest, wat moet ik nog. meer danken ?" Daar blijft dan wel is waar de goede God aan het geven, maar de mensch heeft er niets aan. Nog eens : een. zwaar stuk is dit stuk van de dankbaarheid, want wij meenen, dat alles zoo vanzelf spreekt. De koning moet regeeren, daarvoor ontvangt hij immers zijn geld; de burgemeester moet zijn ambt waarnemen, daarvoor wordt hij immers betaald; de dominee moet preeken en catechiseeren, hij ontvangt ook het zijne; derijke moet geven, want waarvoor heeft hij anders zijn geld?1 Zoo gaat het door, en de duivel leert schier allen menschen hetschandelijk communisme; maar het gevolg daarvan zal zijn, dat men, meenende in den hemel te komen, er toch niet inkomt., want men heeft op aarde geen danken geleerd.
Het gebed is het voornaamste stuk der dankbaarheid. Tot; de dankbaarheid behooren drie zaken: waarheid, gerechtigheid en ootmoed. Waarheid, om te belijden mijne schuld, mijnen nood en mijne behoefte, om te belijden, dat ik mij daarin ongelukkig gevoel; dat is waarheid, en de waarheid zal bestaan. Gerechtigheid, om mij, wanneer ik geholpen ben, tot dienst, liefde en achting verplicht te rekenen jegens hem, die mij geholpen heeft. Ootmoed, om mij niet tegen hem te verheffen,, maar te bedenken: Toen hij mij hielp, lag ik in de diepte, ei* hij stond in de hoogte.
Van waar komt het, dat men reeds naar het uitwendige zoo weinig dankbaarheid vindt? Dat komt daarvan, dat er geene eerlijkheid van gemoed is. A!s iemand eene schuld heeft, en hij heeft een eerlijk gemoed, dan is hij in nood. Als iemand schuld voor God heeft, en hij heeft een eerlijk gemoed, zoodat hij Gods Wet niet mag geschonden weten, dan is hij in nood, en in zijn binnenste leeft de waarheid: „Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen 1" - Waar dankbaarheid is, daar is gerechtigheid. Waar God den mensch uit eeuwige ontferming geholpen heeft, toen. geene tranen of zuchten hem baatten, daar is deze gerechtigheid: Ik ben voor eeuwig Uw schuldenaar, o Ileere, neem mijne ooren en doorboor ze; ik wil niet vrij, maar eeuwig Uw knecht zijn, ik wil U loven en prijzen, en voor de gansche wereld belijden, dat Gij het gedaan hebt! — Ootmoed is er,, zoodat men, hoewel zijn leven lang de zonde hatende, nochtans voor God blijft een dief, echtbreker en doodslager, iemand, die God niet gelooft en Hem in het aangezicht slaat. Men blijft zijn leven lang, hoewel men met het beste geweten voor God en menschen wandelt, toch een zondaar; en daarbjj heeft men den moed, om voor koningen en de machtigen onder de menschen te zeggen: „Alle vleesch is als gras, en al zijne goedertierenheid als eene bloem des velds; het gras i s verdord, de bloem i s afgevallen".
De ware dankbaarheid is dus de gezindheid: ik kon mijzelven niet helpen, ik had moeten omkomen; maar de Heere heeft mij geholpen, daarom zal Hij nu ook daarvan de eer hebben, en ik blijf eeuwig Zijn schuldenaar, ik kan Hem nooit betalen! — Zoo behooren dus waarheid, gerechtigheid en ootmoed tot de ware dankbaarheid.
Eiken morgen is er nieuwe nood, dat houdt niet op; zoo ia echter ook eiken dag onze zonde nieuw, er komt geen einde aan al de booze gedachten; heeft God den mensch heerlijk geholpen, heeft Hij hem telkens weder geholpen, ten slotte •vreest de mensch toch nog, dat het hem aan een doodhemd Tzal ontbreken. — Waarachtige hulpeloosheid en reddeloosheid moest er wel zijn! Zoo wij oprecht en eerlijk zijn voor God en Zijne heilige Wet, zoodat het ons om Gods eer en waarheid gaat, dan kunnen wij geenen stap doen, zonder dat de wereld komt, zonder dat er verzoekingen van allerlei aard komen, opdat wij toch een deel van Gods eer zouden laten vallen, en wij, ach wij lieten los, zoo niet de vreeze des Almachtigen den mensch vervulde. Zoo is er dus voortdurend bij elk waarachtig Christen nood en hulpeloosheid; maar juist in den nood leert men bidden, zoodat men tot God komt en Zijne sterkte aangrijpt. Zoovele duizenden jaren reeds draagt Hij de wereld, en nog altijd doet Hij eiken morgen Zijne zon opgaan! Zoovele jaren en dagen uws levens zijn reeds voorbij, en als gij tot Hem gaat met uwe zonden, zeg, of Hij ze niet vergeeft! De ootmoed blijft, zoo men in waarheid den honderddertigsten Psalm heeft gezongen en uit de diepte tot >den Ileere moet roepen; dan kan men God danken, dat Hij «enen mensch op eene rots zet, die allen vijanden te hoog is. Zelf blijft men wel is waar beneden in de diepte liggen, God «chter wordt op het hoogst verhoogd, en men ziet Jesus ter Rechterhand Gods verheven; maar indien men zelf niet zoo in -de diepste diepte lag, men zag Jesus niet zoo hoog.
Dat is dus dankbaarheid, en uit deze dankbaarheid komt voort, wat de Heere God gezegd heeft: Hoort, Ik heb u gered, Ik heb u geholpen; roept Mij dus aan in den dag der benauwdheid, Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren. <Ps. 50 : 15.) Dat heeft Hij gezegd. En de Heere Jesus zegt: „Al wat gij den Vader bidden zult in Mijnen Naam, dat aal Hij u geven!" En in den Catechismus lezen wij, „dat God Zijne genade en den Heiligen Geest alleen dien geven wil, die IIem, met hartelijk zuchten, zonder ophouden, daarom bidden"; — het moet ons er dus om te doen zijn. Wanneer ik «chter tot God kom, kan ik niet zooveel woorden vinden; al kom ik ook met alle blijmoedigheid, zoo is toch mijne tong bezwaard, vooral wanneer de nood of de toorn Gods mjj drukt; dan stijgt er soms slechts een zucht op, die echter uit de diepte des harten komt Die nood heeft, laat niet los; daarom staat er ook: „zonder ophouden". Evenals de Kananesche vrouw laat hij niet los, hij moet hulp hebben, daarom laat hij niet los, totdat hij die heeft.
„Al wat gjj den Yader zult bidden in Mijnen Naam, dat zal Hij u geven." Wat is dit „al wat"? Dat is uwe zaak, niet de mijne! Wat weet ik van uwen nood, en wat weet gij van den mijnen? Maar God kent uwen nood, Hij weet, wat u drukt, en wat u op het hart ligt. Gij moet echter niet loslaten, al scheldt Hij u ook, — zeg gij : Goed, Yader, Gij hebt gelijk, ik bon het niet waard, maar Gij hebt ook een recht als Vader, en dat kan U geen koning ontnemen; en op dit recht, dat Gij hebt, daarop beroep ik mij: Vader, geef mij eenen kus! — „Zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken." J a , het danken blijft achterwege; schandelijk genoeg, dat het achterwege blijft. Het is met u slechts ten halve; gij hebt het genot gesmaakt van gered te worden, het is u enkel te doen geweest, om van uwe plaag af te komen, en voor het overige is het u om het even, van waar de hulp kwam. Gij zijt een dief! Ik heb u als eenen eerlijken broeder geholpen, gij dankt niet, du9 hebt gij het geroofd, wel is waar op eene hoffelijke manier, evenals iemand, die op eene vriendelijke en hoffelijke wijze geld verlangt, maar, zoo hij wat minder beschaafd was geweest, het pistool zou genomen hebben en het op die wijze zou opgeëischt hebben. Zoo is het met u slechts eene halve zaak, — en gij zijt een dief. — Waar het gebed is, het waarachtig gebed, daar is ook de dankbaarheid. Maar juist de oprechte zal er zich steeds op betrappen, dat zijn dank achterwege blijft! Dank God met uw doen! dank God daarmee, dat gij vroolijk geniet, wat Hij u gaf, en dat gij voor de toekomst op Hem vertrouwt. Wie in waarheid tot God gaat met de belijdenis, dat hij zoo ondankbaar is, dat hij geenen dank bij zich vindt, die dankt in waarheid; het gaat door kamp en strijd heen, maar door den Geest der vernieuwing komt het er nochtans toe, dat men anders gaat doen dan te voren, dat men God verhaalt, hoe machtig, goed, getrouw en rijk Hij is, wat Hij gezegd en gedaan heeft, dat men Hem looft en verheerlijkt, dat men in den nood wederom met het gebed tot Hem komt, en zegt: „Geloofd zij de God Israëls van nu aan tot in eeuwigheid!"
9 Mei 1858. H. F. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 juli 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Over het gebed, naar aanleiding van Joh. 16 : 23 en 24 en Heid. Cat. Vr. en Antw. 116.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 juli 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken