Bekijk het origineel

De eerste Hongaarsche leeraars in Bohemen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De eerste Hongaarsche leeraars in Bohemen.

7 minuten leestijd

De eerste verkondiger van het Woord Gods, dio bij gelegenheid van een bezoek in 1781 eenigen tijd te Moravec vertoefde, was Samuël Galambossy, predikant te Sobehrad. Kort daarna, in December van het jaar 1783, kwam Joh. Szalatnay, de eerste en in jarenlangen arbeid vergrijsde prediker van Moravec, om, door opofferende liefde gedrongen, onder de verlaten Bohemers een ambt te aanvaarden. Deze man, een ware patriarch der herboren Kerk van Bohemen, bracht hoogst belangrijke aanteekeningen uit de geschiedenis van zijnen tijd bijeen, waarvan wij er hier eenige laten volgen. Bij zijne beschrijving van de verwoesting van het koninkrijk Bohemen, ten tijde van den noodlottigen slag aan den Witten Berg (bij Praag), haalt hij de woorden aan, die do keizerlijke bibliothecaris te Praag tot hem gesproken had: „Pro dolor, exstirpata religione, exstirpata eruditio", en verhaalt dan, dat een keizerlijk gezant het bericht heeft overgebracht van de acte van tolerantie, en, zijn zwaard op de tafel leggende, in de volle vergadering van het geheele Gubernium deze woorden uitsprak: „Heden breng ik dit besluit te uwer kennis; wie zich ooit verstout zijnen mond hiertegen open te doen, zal met den dood gestraft worden".
Over het afscheid van zijn vaderland, schrijft Szalatnay het volgende: „Toen wij ons op weg wilden begeven naar Bohemen, kwam eene groote menigte oudere studenten en professoren met ons samen in eene zaal, namen daar afscheid van ons en wenschten ons voorspoed in ons geestelijk ambt. liet was zulk een roerend oogenblik, dat mij de tranen in de oogen sprongen, en ik met weemoed vervuld werd bij de gedachte, dat ik deze geliefde collega's, mijn geliefd vaderland, mjjne geliefde bloedverwanten, maar vooral mijne geliefdo moeder, eene weduwe, wier eenige zoon ik was, moest verlaten. Met Gods hulp ben ik dit alles echter te boven gekomen, en weldra keerde de blijdschap in mijn hart terug. Zoo kwamen wij, de eerste dienstknechten, om den verlaten wijngaard te bebouwen, niet aangelokt door aardsche goederen, ook niet uit verlangen om het Boheemsche brood te eten, maar ter wille van een heilig doel, gedreven door den Heiligen Geest, uit Christelijke liefde, om aan het Boheemsche volk het zuivere Woord van God te verkondigen, namelijk hun, die de Heere heeft uitverkoren. Daarom hebben wij ons vaderland verlaten, een vaderland, het land Kanaan gelijk, onze ouders, onze bloedverwanten, het geluk, dat wij daar zouden gehad hebben, j a dat als het ware ons reeds wachtte. En wie onder de Boheemsche broeders van dezen tijd mocht denken, dat wij hier slechts een ambt of een bestaan zouden gezocht hebben, of wie ons thans onze karige bezoldiging, als aan eenen huurling, uitbetaalt, en, daar het in zijne macht staat, geene liefde gevoelt voor onzen persoon, die is een onwaardig, een ondankbaar en een zeer slecht evangelisch Christen".
In zijne beschrijving van de eerste tijden der pas gestichte Gemeente zegt hij: „Uitwendig was zij gelijk aan eenen vuurbrand, die uit het vuur gered is (Am. 4 : 1 1 ) , zonder schoonheid en zonder gestalte. De godsdienstoefening word in stallen, schuren of boerenwoningen gehouden. Vele plaatsen, waar thans boerderijen staan, zijn bebouwd en bezaaid geworden, en andere onvruchtbare en dorre plaatsen zijn in godsakkers veranderd, die nu besproeid worden door de bronnen der liemelsche waarheid, tot verkwikking der geloovigen. De predikers werden ter inwoning van het eene dorp naar het andere gedreven, omdat men hun niet veroorloofde in een dorp te wonen.
Wat het innerlijke leven aangaat, met name het geloof en de liefde, de mededeelzaamheid en den ijver, kan de tijd der tolerantie gelijkgesteld worden met de tijden der Apostelen. Men denke slechts aan den ijver, waarmee de broeders toen ter tijd hunne kerken gebouwd hebben! Het gebeurde niet zelden, dat zij in tien weken geheel gereed waren. Met welk eene liefde hingen allen hunne zielverzorgers aan! Hoe heeft men hen van alle kanten met geschenken overladen. Een ieder achtte zich gelukkig, wanneer hij zich op de eene of andere wijze bij zijnen leeraar bemind kon maken, zoodat wij diep getroffen waren door de genegenheid van al onze gemeenteleden. Aan beide zijden was het de reine liefde en oprechtheid, die alle aardsche voordeelen versmaadde en in geen enkel opzicht afweek of baatzuchtig was, en al onze lasten zoo licht maakte, dat wij ons niet bekreunden om al de tegenspoeden, armoede en bespotting, ons vaderland niet meer misten en ons hier in Bohemen tehuis gevoelden.
Ook in het bezoeken der godsdienstoefening betoonden al de leden den vurigsten ijver. Bij sneeuw, regen, hitte of storm twee of drie uren in schuren te staan of onder het hevigste onweer twee of drie uren, ja nog verder mede te loopen, ten einde de bijeenkomsten bij te wonen, was voor hen geen bezwaar. De rijpere jeugd kwam des Zondags bijeen, om het godsdienstonderwijs te ontvangen. Ook na de namiddaggodsdienstoefening, die het volk in groote menigte bijwoonde, verzamelde zich de jeugd in de school, en des zomers ging zij meermalen met den leeraar uit, sprak in het vrije veld over godsdienstige onderwerpen, of las een of ander oud Boheemsch boek voor. Kortom, het licht der broederen schitterde in alle Christelijke deugden en godsdienstplichten ter eere Gods, tot blijdschap der engelen en tot troost van alle rechtgeloovigen".
Terwijl hij hun voorts allen hartelijk vermaant om te bedenken , waarvan zij verlost geworden zijn, de slapenden r opdat zij ontwaken, de lauwen, opdat zij in ijver ontsteken mochten, de dooden, opdat zij tot een nieuw leven mochten opstaan, besluit hij zijnen herderlijken brief met de volgende woorden: „Doen wij alzoo, dan zal God Zijn Zion, dat Hij in ons midden gesticht heeft, ook bevestigen; Hij zal Zijnen wijngaard, dien Hij met Zijne Rechterhand geplant heeft, ook bewaren; Hij zal dezen hof met de beken Zijner liefde besproeien. De zegen Gods zal over de geheele Boheemsche natie uitgegoten worden, en de stralen van Zijnen roem zullen schitteren in de harten harer zonen. De poorten der hel zullen u, Zion Gods, niet overweldigen. God zal Zijn wyerk, onder ons begonnen, niet laten varen; Hij zal daaraan voortarbeiden tot opde toekomst van onzen Heere Jesus Christus, en het zal Hem nimmer berouwen, dat Hij u, Zijn volk, heeft uitverkoren. Amenr zoo zij het. Amen. Bevestig, o Heere, Uw werk onder ons. Amen".
Hieruit zien wij, met welk eenen geest, met welk eene Goddelijke hoop die eerste dienstknechten des Heeren uit Hongarije op het vernieuwde Boheemsch-Moravische Zion begonnen zijn te arbeiden.
Het zielental van hen, die zich in den beginne hadden aangemeld als tot de Evangelische Kerk behoorende, bedroeg 482 in 28 plaatsen. De godsdienstoefening werd in eene daartoe ingerichte schuur van Bart. Novak in Moravec gehouden. Hier hield Job. Szalatnay den 29steD Februari 1784 zijne eerste prediking over Jes. 61 : 1—3.
Welk eene uitwerking deze prediking op de aanwezigen gehad heeft, blijkt uit de mededeeling van den prediker zeiven : „Toen ik deze heilige woorden voorlas, werd de geheele Gemeente ontroerd, vooral echter zij, die om huns geloofs wil allerlei verdrukking, beproeving en kerkerstraf hadden moeten verdragen. Met tranen in de oogen hoorden zij de geheele preek aan, die bij hen niet zoozeer herinneringen aan treurige tijden had opgewekt, als wel blijdschap over de vrijheid, die ons het Woord Gods predikt".
Nog in datzelfde jaar had men eene pastorie gebouwd, die echter, daar zij van pas geveld hout gemaakt was, reeds na vijf jaren instortte en door eene nieuwe, van steen, vervangen werd, die heden nog staat. Te gelijk werd er een kerkhof aangelegd, en in het volgende jaar ging men over tot het bouwen ecner kerk. De gemeenteleden hebben zeiven de steenen gehouwen, het bout uit hunne eigene bosschen ten geschenke gegeven, en de vrouwen hebben de steenen aangedragen, zoodat het huis des Heeren reeds den 4'len November 1785 in tegenwoordigheid van vier leeraren kon ingewijd worden. De predikant der plaats sprak over de woorden uit Matth. 21 : 13.
Ten aanzien van de gemeenteleden, die rondom Strmêch verstrooid waren, werd besloten, dat de leeraar hen om den anderen Zondag bezoeken zou, waarbij de gemeenteleden te Moravec zich verbonden, hem er dan telkens heen te brengen.
Tot het jaar 1827 vervulde de leeraar Joh. Szalatnay zijn ambt onder vele moeilijkheden en ontberingen. Na vier-enveertigjarigen arbeid ontsliep hij in den Heere, den l!)11111 October 1827, negen en zestig jaren oud zijnde. Boven zijne assehe op het kerkhof te Moravec heeft men eenen grafsteen als gedenkteeken opgericht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 juli 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

De eerste Hongaarsche leeraars in Bohemen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 juli 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken