Bekijk het origineel

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 10 : 14—17.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 10 : 14—17.

20 minuten leestijd

In het voorgaande heeft de Apostel er op gewezen, dat er voor God geen onderscheid is tussehen Joden en Grieken. Hij >kent slechts armen en ellendigen, Hij kent slechts vloek- en doemwaardige zondaren, voor IIem zijn allen overtreders van Zijne heilige Wet, voor Hem liggen allen onder hetzelfde :oordeel der verdoemenis, hetzij zij van der jeugd aan in Gods ?Woord onderwezen en daarmee bekend en vertrouwd zijn, lof niets daarvan weten, hetzij zij uitwendig in allerlei zonde en goddeloosheid leven, of een eerbaar, godsdienstig leven leiden, — als zij voor God komen, dan is alles zwart, alles onrein en verdorven; en waar dan iemand in den angst jizijner ziel, wijl hem alle steun ontvallen, alle grond onder ide voeten weggezonken is, uit de diepte zijner verlorenheid den Naam des Hoeren, den dierbaren Jesusnaam aanroept als den eenigen, waarin vergeving der zonde, behoudenis en zaligheid Sis, daar wordt ervaren, dat de Heere rijk is, rijk in genade en barmhartigheid, rijk in de macht Zijner eeuwige liefde, rijk, onuitputtelijk rijk aan troost, vrede en leven. Wanneer de Heere wil helpen, behouden en zalig maken, dan vraagt Hij niet, of wij Joden of Heidenen, Gereformeerd of Luthersch zijn >f wat ook, — bij Hem is geen aanzien dea persoons; Hij vraagt alleen: Is er nood, is er honger en dorst, is er een verlangen naar Mij en Mijn heil, is er een roepen om genade, ;en nauwelijks merkbaar zuchten, een stil verlangen, dat echter ;och luid klinkt in de ooren des Heeren? Daarnaar vraagt Hij, »elijk immers geschreven staat: „Een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden". Is dat nu Gods wil ;n welbehagen, dan moet het ook Gods wil zijn, dat bij Joden en Heidenen, zonder onderscheid, zulk een verlangen, zulk een roepen gewekt worde, en dat geschiedt toch alleen door de prediking des Woords; en dan is het ook Gods wil en welbehagen, dat er predikers worden uitgezonden in de geheele wereld, niet alleen onder de Joden, maar ook onder de Heidenen, j a onder de diepst gezonkenen. Als dat echter Gods wil en welbehagen is, dan mochten de Joden er geen kwaad van spreken, als Paulus onder de Heidenen predikte, ook hun de blijde boodschap bracht; dan mochten zij, dan mogen ook wij den overvloedigen stroom der genade Gods niet willen indammen en God geene wet willen voorschrijven, hoe ver Hij zou mogen gaan in Zijne b armhartigheid, opdat wij niet, vóór wij het vermoeden, onszelven buitengezet zien en er geen deel meer aan hebben.
Daarom gaat de Apostel in Vers 14 aldus voort: H o e zull e n z i j d a n H e m a a n r o e p e n , in W e l k e n z i j n i et g e l o o f d h e b b e n ? Hoe toch zal een zieke om den dokter zenden en in zijnen nood hem roepen, indien hij niet weet en gelooft, dat er een dokter is, die hem kan helpen en van zijne ziekte verlossen? Een kind zal, wanneer het pijn heeft, wanneer het in gevaar verkeert of in nood is, toch zijnen vader en zjjne moeder niet roepen, niet tot hen de toevlucht nemen, indien het niet weet en gelooft: dat zijn mijne ouders, daar is een vaderhart, dat voor mij klopt, daar is innige moederliefde, waarin ik geborgen ben ' Wel is zoo iets niet altijd even helder in onze gedachten, niet altijd even duidelijk in ons bewustzijn, in onze voorstelling, maar in den grond wordt dit geloof, dit vertrouwen, hetzij bewust of onbewust, toch gevonden, waar het toevlucht nemen is en het hart om hulp roept. Wat weet een klein kind er van, wat voor heldere gedachten zal het hebben van hetgeen het aan zijne moeder heeft, wanneer het om haar schreit, wanneer het naar de moederborst verlangt ? — en toch heeft het onbewust het geloof, het vertrouwen, dat het bij zijne moeder zal vinden, wat het noodig heeft, wat zijn verlangen bevredigt. En wanneer nu het roepen tot God uit liet hart en van de lippen komt, zoo ligt daaraan ook dit geloof ten grondslag: daarboven is een open oog, dat mijnen nood aanschouwt, een oor, dat naar mijn geroep hoort, ja, dat zich neigt tot den zwaksten zucht, een hart, dat niet koud en onverschillig daarbij blijft, maar met innerlijke ontferming en liefde over mij bewogen is. Waar dit roepen is en tot God opstijgt: „Zijt mij genadig, o God! naar Uwe goedertierenheid; delg mijne overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmharhartigheden! Wasch mij wel van mijne ongerechtigheid, en reinig mij van mijne zonde!" — daar is toch het geloof, dat er bij God zulk eene groote barmhartigheid is, dat er bij God vergeving van zonde is, dat er dus eene verzoening, eene genoegdoening bij God is in het bloed Zijns lieven Zoons Jesus Christus, dat Hij den zondaar, die zich met een verslagen hart, met belijdenis van zonde en schuld tot Hem opmaakt, niet verwerpt, maar hem aanneemt, zooals de vader den verloren zoon. Of als de Ileere aldus wordt aangeroepen: „Laat Uw aangezicht over Uwen knecht lichten; verlos mij door Uwe goedertierenheid, Ileere! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan" (Ps. 31 : 17), dan komt ook dit roepen, evenals al het roepen in de Psalmen, voort uit het geloof, dat God de Zijnen niet laat varen, dat Hij woord en trouwe houdt, dat er een troon der genade is in den hemel, en tot dezen een vrije en geopende toegang in Christus Jesus, dat God een Vaderaangezicht heeft, ook als Hij het eenen tijd lang verborgen houdt, en Zich in donkerheid hult, zoodat de troost voor onze oogen verborgen is, en dat Hij het weder zal doen lichten, gelijk de zon na den nacht, zoodat de beenderen weder vroolijk worden, die Hij verbrijzeld heeft. Ook aan het geroep van Job, hoe ongeloovig het ons, op zijne woorden afgaande, ook moge toeschijnen, ligt toch dit geloof ten grondslag: God kan niet onrechtvaardig zijn; op de eene of andere wijze — hoe, dat weet ik niet, maar op de eene of andere wijze zal Hij toch mijn recht aan het licht doen komen: „Ik weet, mijn Verlosser leeft!"
E n , zoo vervolgt de Apostel, h o e z u l l e n z i j in H em g e l o o v e n , v a n W e l k e n z i j n i e t g e h o o r d h e b b e n? — namelijk de Heidenen, want van hen is hier steeds in de eerste plaats sprake; maar, zooals het bij hen is, zoo is het ook bij ons, — ook hier is geen onderscheid. Hoe zullen wij in Hem gelooven, van Welken wij niet gehoord hebben? Uit onszelven weten wij het toch niet. Uit onszelven kennen wij noch den Yader, noch den Zoon. „Niemand heeft ooit God gezien; de eeniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders i s , Die heeft Hem ons verklaard", zegt Johannes in zijn Evangelie. O, wanneer een mensch ternederligt, in het bewustzijn en gevoel zijner zonde en schuld, dan weet hij: ik ben een overtreder van alle geboden Gods met gedachten, woorden en werken, ik heb den eeuwigen dood verdiend; hij ligt als verpletterd onder den donder der Wet van Sinaï, de vloek is over hem uitgesproken naar het vreeselijke woord: „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet om dat te doen!" en het is alles nacht en duisternis om hem heen, liij gevoelt niets dan toorn. Kan hij nu weten, hoe het er in Gods hart voor hem uitziet? Kan hij uit zichzelven weten, of hij voor Gods gerieht veroordeeling of vrijspraak zal vernemen, of hij daarboven eenen veroordeelenden Rechter, dan wel eenen genadigen, eenen verzoenden God en Vader zal vinden ? Kan hij door eigen gedachten en overleggingen er op komen, zich er op verlaten en er aan gelooven, dat God de wereld alzoo lief heeft gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe; dat God Zijnen Zoon overgegeven heeft tot eene verzoening voor onze zonden, opdat wij gerechtigheid en eeuwig leven zouden hebben, opdat wij, die van nature kinderen des toorns en dienstknechten des duivels zijn, aangenomen zouden zijn tot Gods kinderen en erfgenamen? Daarvan weten wij uit onszelven niets. Achter dit geheim van den Goddelijken vrederaad is geen mensch uit zichzelven ooit gekomen! Hoe zouden wij dan daaraan gelooven, hoe in weerwil van nood en dood, vloek en verdoemenis ons daarop kunnen verlaten? Het moet ons eerst gezegd worden. Deze tijding moet eerst van uit den hoogen hemel tot ons gebracht worden. Dat moeten wij in de diepte van onzen nood in den afgrond onzer verlorenheid eerst als eene blijde boodschap, als een dierbaar Evangelie vernemen, ja telkens en telkens weder vernemen, opdat wij het gelooven.
Vandaar het woord: „Hoe zullen zij in Hem gelooven, van Welken zij niet gehoord hebben" ? — waarop Paulus laat volgen: e n h o e z u l l e n zij h o o r e n z o n d e r d i e h u n p r e d i k t? God toch doet Zijn Woord en Evangelie niet zoo onmiddelijk van uit den hemel liooren, maar Hij gebruikt menschen als middelen en werktuigen, waardoor Hij spreekt, die als het ware Zijne herauten zijn en de groote daden Gods te verkondigen hebben, gelijk wij in Hand. 2 lezen, dat op den Pinksterdag, toen de Heilige Geest over de Apostelen kwam en zij begonnen te spreken met andere talen, zooals de Geest hun gaf uit te spreken, — dat de menschen, die samengestroomd waren, hunne verwondering te kennen gaven zeggende: „Wij hooren hen in onze taal de groote werken Gods verkondigen!" — En welke waren nu die groote werken Gods, waarvan zij predikten? Welke waren de overwinningen, waarvan zij gewaagden? Dit waren de groote werken Gods, dat God genadig had nedergezien op eene in zonden verlorene wereld, dat Hij haar niet van Zich gestooten, haar niet in do hel geworpen had, maar dat Hij haar had liefgehad en haar eene eeuwige verlossing bereid had; dat de Zone Gods den strijd had aanvaard, waarin wij het onderspit moesten delven en voortdurend moeten delven, den strijd tegen zonde, dood en duivel, dat Hij de zege heeft behaald en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht; — dat God Hem, Dien wij in onze vijandschap hebben verworpen, gedood en gekruisigd, niet in den dood en het graf heeft laten blijven, maar Hem heeft opgewekt en tot eenen Heere en Christus gemaakt, in Wien heil, gerechtigheid en leven is, en Die spreekt: „Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven", — en: „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen". Dat hoorden zij, die uit alle landen te Jerusalem samengekomen waren, en zoo kwamen zij tot het geloof. Gepredikt wordt het door dezulken, die het aan zichzelven hebben ervaren en daarom kunnen zeggen: Zoo zag het er bij mij uit, en dat heeft de Heere aan mij gedaan, — geloof in IIem, Hij zal bij u niet anders doen. Niet van eenen engel moest de hoofdman Cornelius het Evangelie hooren, maar van eenen mensch, die in dezelfde verlorenheid geweest was en genade gevonden had, — daarom •werd tot hem gezegd : „Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petius; deze zal u zeggen, wat gij doen moet". En wat moest hij nu doen? Nedervallen aan de voeten des Heeren Jesus, zichzelven wegwerpen, maar Hem aangrijpen, Dien de Vader gegeven en verzegeld heeft. Zoo wordt er gepredikt, opdat men hoore en geloove.
E n hoe z u l l e n zij p r e d i k e n , i n d i e n zij n i et g e z o n d e n w o r d e n ? zoo lezen wij verder in Yers 15. „Gezonden", namelijk door God, Die dit alles bepaalt en ook deze wonderbare keten in Zijne hand heeft, opdat dezulken, die niets van Hem gehoord hebben, tot het geloof komen en I l em aanroepen, den God, rijk van genade en ontferming, en alzoo zalig worden. Hij maakt en geeft, dat er zulke predikers komen, Hij zendt hen, gelijk de Heere Jesus tot Zijne discipelen zeide, vóór Hij van hen scheidde: „Gaat henen in de geheele wereld, predikt het Evangelie allen kreaturen", — gelijk Hij ook Paulus gezonden had, en de Apostel zal, toen hij deze woorden schreef, er wel aan gedacht hebben, dat de Heere tot hem gezegd had: „Ik verlos u van dit volk, en van de Heidenen, tot dewelke Ik u nu zende, om hunne oogen te openen, en hen te bekeeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des Satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij". (Hand. 2 6 : 1 7 en 18.) En zoo zendt de Heere Zijne predikers nog tot op den huidigen dag, door eene inwendige roeping, hun Zijn Woord in het hart gevende en in den mond leggende, en door de uitwendige roeping, waarmee de Gemeente hen roept tot het ambt, hetwelk eene roeping van God den Heere Zeiven is. Waar nu de Heere zendt, daar gaat het in den regel toe, zooals wij het zoo dikwijls in de Schrift vinden. Geestdrijvers komen uit zichzelven geloopen, maar die de Heere zendt, moet Hij eerst daartoe dwingen, hoewel Hij hen dan ook vrijwillig weet te maken. Toen de Heere Mozes zond, zeide deze: „Ik ben te oud, en ben niet wel ter tale, zend toch door de hand desgenen, dien Gij zoudt zenden". Toen de Heere Jeremia zond, antwoordde deze: „Ach Heere, Heere! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong". En de Heere moest tot hem zeggen: „Zeg niet: ik ben jong; want overal waarhenen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult gij Bpreken!" En toen de Heere Jesaia wilde zenden, zeide deze eerst: „Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben"; toen raakte een engel zijnon mond aan met eene kool van het altaar, en zeide: „Uwe misdaad is van u geweken en uwe zoude is verzoend". Allen, die de Heere zendt, houden zichzelven voor onbekwaam. Hoe was het bij de Apostelen ? Een van hen valt aan de voeten des Heeren en roept uit: „Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch!" en toen juist sprak de Heere tot hem: „Yrees niet; van nu aan zult gij menschen vangen". En hoe was hij later nogmaals en eerst recht verbrijzeld, toen de Heere tot hem zeide: „Weid Mijne schapen". — Zuo zendt God predikers, opdat Hij Zijne Gemeente, die Hij door Zijn Woord vergaderd heeft, ook door Zijn Woord beware. En hier mogen zij zich niet laten ontmoedigen door het diepe gevoel van eigene onmacht en onwaardigheid, — ook hun geldt het woord, dat God rijk is over allen, die Hem aanroepen.
Wanneer nu God de Heere predikers zendt, doet Hij dat naar het woord der belofte, toen zoowel, als heden ten dage en van ouds her. Daarom schrijft de Apostel: G e l i j k ges c h r e v e n is: Hoe l i e f e l i j k z i j n de v o e t e n derg e n e n , die v r e d e v e r k o n d i g e n , d e r g e n e n , dio h e t g o e d e v e r k o n d i g e n ! Hij zendt Zijne predikers dus niet als wetdrijvers, welke komen met gebod op gebod, hier een weinig, daar een weinig, en eenen zwaren last opleggen. Wel moet zeer zeker ook voortdurend de Wet gepredikt worden, opdat ons voortdurend onze zonde ontdekt worde, en wij verootmoedigd en tot arme zondaars gemaakt en daarbij gehouden worden, opdat wij voortdurend uit alle valsche gerustheid uitgedreven worden, en hart en oor worden toebereid, om te hooren naar do liefelijke stem des Evangelies, der blijde boodschap van het heil, dat God in Christus bereid heeft voor Zijne arinen en ellendigen, voor hen, die gezeten zijn in duisternis en schaduwe des doods, voor hen, die zuchten onder de tyrannie der zonde en der wet. Het woord, dat hier beide keeren vertaald is door „verkondigen", beteekent eigenlijk evangeliseeren, Evangelie verkondigen; hun moest alzoo vrede verkondigd worden als eene blijde boodschap na den bangen strijd, na den angst en nood, gelijk het ook ergens heet: „Troost, troost Mijn Volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jerusalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat hare ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand dos Heeren dubbel ontvangen heeft voor al hare zonden", dubbel, d. i. dubbele genade, genade vóór en genade na. Is dat geen vrede? is dat geen goeds? Wat kan er beters zijn voor een gemoed, dat bekommerd is vanwege de zonde? En is het niet liefelijk, wanneer ons zulk een woord gebracht wordt? — Wij vinden de hier door Paulus aangehaalde woorden in het 52slc Hoofdstuk van Jesaia, alwaar geschreven staat: „Hoe liefelijk zijn op de bergen" — van waar men de boodschappers ver in den omtrek kan zien en hooren, als zij de bazuin aan den mond zetten, — „de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet hooren, desgenen, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet hooren". Wat is nu het goede, het heil, dat zij verkondigen? Zjj zeggen tot Zion: „Uw God is Koning!" Dat is echter een Zion, dat gevormd wordt uit Joden en Heidenen, zooals wij verder lezen: „De Heere heeft Zijnen heiligen arm ontbloot voor de oogen aller Heidenen, en al de einden der aarde zullen zien het heil onzes Gods", en: „Hij" — Christus — „zal vele Heidenen besprengen", — met Zijn bloed. En nu komt de machtige prediking, dat en hoe do Knecht des Heeren, onze Heere Jesus Christus, de zonde gedragen, de schuld uitgedelgd heeft, — de prediking van Christus, den Gekruisigde, die wij in Jes. 53 hebben: „Waarlijk Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen", en: „De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing geworden."
God heeft het Zijne gedaan. Hij heeft het Evangelie, de blijde boodschap, laten verkondigen, opdat men hoore, geloove, den Naam des Heeren aanroepe, en alzoo zalig worde. Hij heeft dit gedaan onder Joden en Heidenen, ten tijde van den Profeet Jesaia, zoowel als ten tijde van den Apostel Paulus, en doet dit tot op den huidigen dag. Maar in plaats van deze verkondiging met een blijmoedig en dankbaar hart aan te nemen, z i j n n i e t a l l e n h e t E v a n g e l i e g e h o o r z a a m g e w e e s t, zooals wij in het 16(lc Yers lezen. „Niet allen", zegt de Apostel, omdat men gedacht zou hebben, dat allen deze blijde boodschap met blijdschap zouden hebben aangenomen en haar geloofd. Maar neen, velen sloten hunne harten er voor toe en stieten baar van zich. En geen wonder! Zoo was het steeds gegaan, en ook dat was te voren geprofeteerd. W a n t , zoo gaat Paulus voort, J e s a i a z e g t : H e e r e , w i e h e e f t o n ze p r e d i k i n g g e l o o f d ? Dat zegt de Profeet immers in het 53Blc Hoofdstuk, juist waar hij komt met de prediking van den gekruisigden Christus, waar hij predikt, dat het met den mensch en al zijne gerechtigheid gedaan is, hoe het met allen roem des vleesches uit en voorbij is, hoe alles zonde, alles verloren en verdorven is, hoe echter God Zijnen Knecht heeft laten komen, Die alleen Gods wil gedaan, volkomen gedaan, en alles volbracht heeft, hoe Hij onze zonde en schuld op Zich genomen heeft, toen Hij in onze plaats getreden is, en in alle zwakheid en onmacht een volkomen heil tot stand gebracht heeft. Hier klaagt Jesaia dan: „Wie heeft onze prediking geloofd ?" — want deze Knecht des Hecren heeft immers geene gedaante noch heerlijkheid. O ja, zoo van des menschen kracht en wijsheid, zoo van des menschen gerechtigheid en heiligheid gepredikt 'werd, zoo er gepredikt werd, dat de mensch toch ook nog iets kan en moet, dat de Heere het niet eenig en alleen is, zoo er dus eenige ruimte werd gelaten voor den vrijen wil des menschen, zóó iets zou worden aangenomen, zulk eene prediking zou geloofd worden. Maar omdat de prediking der gezondene dienstknechten des Heeren zulk eene is, waarbij den mensch alles uit de handen genomen en in de hand van dezen „Knecht des Heeren" gelegd wordt, Die alleen Gods wil gedaan, Gods raad volvoerd heeft, daarom wordt deze prediking niet geloofd, althans door slechts zeer weinigen geloofd. Immers zegt de Profeet: „Wie heeft onze prediking geloofd?" als wilde hij zeggen: bijna niemand heeft haar geloofd. En zoo ten tijde van Jesaia, zoo ook ten tijde van Paulus, — en zullen wij ons verwonderen, of zullen wij ons daardoor in de war laten brengen, wanneer het ook nu nog zoo gaat, dat er weinigen zijn, die deze prediking gelooven en wien de voeten der boden, die vrede verkondigen, liefelijk zijn ? Dit is een bewijs te meer, dat het gaat naar de waarheid van Gods Woord.
Maar hoe het ook ga, al is ook de groote meerderheid het Evangelie niet gehoorzaam, God gaat Zijnen gang. Hij wil Zich een volk vergaderen uit Joden en Heidenen, Hij heeft het gedaan en doet het voortdurend, een volk, dat Zijnen Naam aanroept en daarin al zijn heil, al zijne zaligheid vindt. Daarom wordt Hij niet moede en is tot nog toe niet moede geworden, om in Zijne ontferming voortdurend de prediking te doen hooren, de verkondiging van hetgeen God gedaan heeft, opdat men geloove. Zoo is dan, zegt de Apostel, h e t g e l o o f uit l i e t g e h o o r , en h e t g e h o o r door het W o o r d , d.i. het bevel, G o d s . En omdat het Gods Woord en Gods bevel is, daarom zal de prediking Zijns Woords, in weerwil van alles, wat zich tegen haar opmaakt, trots alles, wat haar wil onderdrukken, toch blijven bestaan, totdat ook de laatste der uitverkorenen, hetzij uit de Joden of uit de Heidenen, binnengebracht is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 juli 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 10 : 14—17.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 juli 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken