Bekijk het origineel

Antinomianen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Antinomianen.

8 minuten leestijd

Met dit woord wil men in 't algemeen hen aanduiden, die men in onze taal eenvoudig Wetbestrijders noemt. Dat zullen dan zij zijn, die Gods Wet verachten, omdat zij hare bevelen niet opvolgen. Dat men dit vreemde woord gebruikt, moge bewijzen, dat men vertrouwen heeft in de genoegzame kennis der hoorders of lezers, — beter ware het nochtans, ten einde alle verwarring te voorkomen, dat men zijne eigene taal gebruikte. Het wil ons intusschen voorkomen, dat wij hier te doen hebben met den toeleg, om door het gebruik van een vreemd woord zijnen naaste verachtelijk te maken en den belijders der vrije genade Gods eene smet aan te wrijven. Hoe het zij, het spraakgebruik heeft dezen term geijkt. Laat ons echter de taal niet gebruiken om onze gedachten te verbergen, maar veeleer het kwaad bij den rechten naam noemen en de overtreding van het negende gebod: „Gij zult geene valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste" niet bevorderen, waartegen ook de 112de Vraag van den Ileidelbergschen Catechismus waarschuwt.
Wetbestrijders is de naam, die hun toekomt, wier leer en wandel niet strookt met den eenvoudigen inhoud der Wet Gods, en die daarom haar verwerpen of iets anders voor haar in de plaats stellen. Zekerlijk, wie des Heeren Wet niet houdt, is een overtreder der Wet. Wie dat dan niet erkent, volhardt in zijnen wandel der goddeloosheid, en wie zóó, zonder eenig berouw te toonen, hare uitspraken veracht, bestrijdt haar, heeft de zonde lief en drijft innerlijk den spot met Rom. 8 : 7 : „Daarom, dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der Wet Gods niet, want het kan ook niet", maar hij zal dan evenzoo moeten vernemen, wat Vers 8 zegt: „En die in het vleesch zijn, kunnen Gode niet behagen". Welke jammerlijke gevolgen zulk eene onverschilligheid heeft, kan niet genoeg gezegd worden. Daar wederstaat men Gods gebod, dat heilig, rechtvaardig en goed is; geeft den duivel plaats; geeft het heilige den honden prijs en houdt zeker eene opvatting vari de Wet over, maar niet de Wet Gods zelve, die eene dergelijke opvatting juist verdoemt. Daar is geene ware verootmoediging, en waar dan anderen misleid en door dien stroom medegesleept worden, daar geldt wel het woord uit den Brief van Judas: „Ontfermt u wel eeniger, onderscheid makende, maar behoudt anderen door vrees en grijpt ze uit het vuur; en haat ook den rok, die van het vleesch bevlekt is".
Niet genoeg is het, op anderen te letten, die in zulk eenen strik des duivels vallen. Ook hij, die, en zulks met recht, de openbare overtreding laakt, heeft ernstig te overwegen, wien hij aan zichzelven heeft, in welke betrekking hij zelf tot de Wet staat, gedachtig zijnde, dat wie de geheele Wet zal houden, en in één zal struikelen, schuldig geworden is aan allen. (Jak. 2 : 10.) Wie hier als getuige nevens schuldigen staat, vergete ook de verantwoordelijkheid voor eigen doen niet, maar gedenke de gelijkenis des Heeren Jesus, die handelt over eenen Parizeer en eenen tollenaar (Luk. 18 : 9 —14); zij is tot ons aller leering gegeven, en wie een vermaak heeft aan de Wet Gods naar den inwendigen mensch, verstaat haar als tot hom gesproken. De anderen maken zich daarvan af op lichtvaardige •wijze; zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jesus is. In dio gelijkenis komt, gelijk in het gansche Woord, onze verhouding tot Wet en Evangelie uit, dat is, weibezien, onze gansche verhouding tot God, en ook wordt hier het ongelijk aan den dag gebracht, dat inenigen eenvoudigen belijder van de genade Gods in Christus wordt aangedaan. „Een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden", luidt de toepassing des Heeren. Naar het voorbeeld van den Farizeër gaat het dien, die als Wetbestrijder hem aanmerkt, die eenvoudig erkent door het reehtder Wet te zijn uitgesloten van de zaligheid Gods, en daarbij weet, dat hij alleen Gode aangenaam is door het geloof in Christus. Zulk een Farizeër gaat niet gerechtvaardigd in zijn huis, terwijl de andere daarentegen getroost wordt met de zegeningen van dien Jesus, Die de Wet en de Profeten niet heeft ontbonden, maar volkomen vervuld. De rechtvaardigheid door het geloof in Christus is daar, waar men door de Wet volkomen veroordeeld is. Daar kan men de Wet niet anders dan billijken en prijzen, al komt daartegen op al wat zich met eigen werken van gerechtigheid vóór God wil doen gelden — O, anderen te verdoemen gaat gemakkelijk; iets anders is het, eerlijk om te gaan met zichzelven en met anderen naar het recht der Wet, die geestelijk is en geestelijk oordeelt. De beste schrijvers, 't zij oude of nieuwe, die dit voorbijzien, doen naar Jer. 8 : 8 : „Ziet, waarlijk tevergeefs werkt de valsche pen der schriftgeleerden". En het is zeker niet naar den eiseh der Wet, dat de liefde Gods en des naasten verzaakt wordt, om een eigen standpunt van rechtvaardigheid in te nemen, juist daar, waar de Wet het onrechtvaardige van al onze handelingen bewijst, omdat wij God niet, maar onszelven.zoeken. En al predikt men dan ook heerlijke, liefelijke dingen in den geest der menigte, de uitkomsten leeren geheel iets anders. Aan bewijzen daarvoor uit de Schrift is geen gebrek; zij zijn te veel om te noemen.
Reeds in do eerste dagen der prediking van het volbrachte werk van Christus, om niet verder terug te gaan, bestonden er verschillende opvattingen van de beteekenis en werking des Woords, tegen welke opvattingen de Apostelen gedurig moesten waken. Daarom leerde Paulus (Rom. 3 : 20), dat uit de werken der Wet geen vleesch gerechtvaardigd zal worden voor God, want door de Wet is de kennis der zonde. In Gal. 3 : 1 1 verklaart hij dit, betuigende, dat de rechtvaardige uit het geloof zal leven. En Jakobus zegt (Iloofdst. 2: 24): „Ziet gij dan nu, dat een mensch uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof?" Waar toch geen zondaarsgeloof is, maar zulk een geloof, waaraan Gods werk ontbreekt, daar is een dood geloof. Tusschen de beide Apostelen bestond daarover geen strijd; beiden stonden op den goeden grond, waarop hen de Hoilige Geest gezet had. Maar hoeveel strijd is daarna niet ontstaan onder hen, die geloof en werken wenschten öf te scheiden öf te vereenigen, als waren die niet één. En was het niet in de dagen der Hervorming, dat door Johannes Agricola een strijd ontstond over de beteekenis der Wet, die tegenover het Evangelie gesteld was? Nu is de Wet onveranderlijk, de Profeten getuigen daarvan; zoo zegt Ezechiël'(Hoofdst. 36: 27): „En Ik zal Mijnen Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijne inzettingen zult wandelen en Mijne rechten zult bewaren en doen". De Wet is nog dezelfde, maar de heerschende opvatting der Wet is genoeg om scheiding teweeg te brengen; en in die opvatting niet te deelen, is vaak reeds genoeg om als een Wetbestrijder te worden aangemerkt. Men gehoorzaamt evenwel eenvoudig het Evangelie, als de vervulde Wet, wanneer men als een door haar arm gemaakt zondaar in Christus gelooft. Moet 's menschen persoon en bekwaamheid als grond van heiligheid vóór God dienen, en moeten „onze goede werken" die meening staven, dan verstaat men de Wet nóch zooals Mozes, nóch zooals de Heidelbergsche Catechismus die verstaat. Dan houdt men er eene werkgerechtigheid op na, die met de gerechtigheid door het geloof in strijd is; reden genoeg om op te komen tegen al zulk willen en loopen, dat niet is des ontfermenden Gods. Hier roept Gal. 5 : 4 ons toe: „Christus is u ijdel geworden, die door de Wet gerechtvaardigd wilt worden;- gij zijt van de genade vervallen". Dat men zulke uitspraken, als deze ééne uit vele, niet telt,: verklaart, dat men op den klank af menigmaal hen veroordeelt, die dan nog niet eens gelegenheid verkregen om zich te verantwoorden vóór de rechtbank des Woords. Zoo meent men dan de spookgestalte van het antinomisme of de stelselmatige Wetbestrijding ontdekt te hebben, waar het niet is; terwijl daar, waar het ergste te vreezen staat, aan de mogelijkheid van dwaling zelfs niet wordt gedacht. Dit wordt men gewaar overal waar met volle instemming wordt aangehoord: „De mensch, die deze dingen doet, zal door dezelve leven", maar een terugdeinzen is voor de even gewichtige uitspraak: „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet, om dat te doen". Indien men deze beide uitspraken niet staan laat als Gods Woord, moet men aan de zijde van de bestrijders der Gereformeerde leer komen tot eene Wetbestrijding, die in dat kamp als zoodanig nergens gewild en overal gevonden wordt. Dit eischt eene nadere verklaring, die wij in zeer algemeene trekken laten volgen. (Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 juli 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Antinomianen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 juli 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken