Bekijk het origineel

Correspondentie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Correspondentie

4 minuten leestijd

D e n 15den Juli 11. o v e r l e e d te S o l d i n in de Neumark (Brandenburg) na een langdurig en smartelijk zenuwlijden de Heer L i c . F. W. J. D i l l o o , laatstelijk P r e d i k a n t dei- G e r e f o r m e e r d e G e m e e n t e aldaar, in den ouderdom van nog slechts vijftig jaren.
Menigeen van de lezers van het Zondagsblad, voornamelijk in zooverre zij te Amsterdam wonen, was in de gelegenheid een- en andermaal uit den mond van onzen nu ontslapen medebroeder in de bediening het Evangelie, hetzij in de Duitsche of de Nederlandsche taal, van den kansel te hooren, terwijl anderen hem slechts bij geruchte of uit zijne gedrukte leerredenen en andere geschriften kennen.
Friedrich Wilhelm Jacob Dilloo werd geboren te Stralsund den 18den October 1841. Yan 1861—'64 studeerde hij in de theologie te Greifswald, Erlangen en Berlijn. Door den omgang met belijders der Gereformeerde leer kreeg hij de belijdenis der Gereformeerde Kerken lief. Sinds werd hij haar besliste voorstander en getroostte zich om harentwil vele onaangenaamhede n met het bestuur der Evangelische (geünieerde) landskerk. Den 17J e n Januari 1867 verwierf hij te Greifswald den titel van Licentiaat in de theologie met eene dogmen-historische dissertatie over den antischolasticus Gerhohus. Den 191«» Augustus 1869 te Posen geordend zijnde, begon hij zijne loopbaan als hulpprediker te Ostrowo, terwijl hij te gelijk als leeraar voor het godsdienstonderwijs en het Ilebreeuwsch aan het gymnasium aldaar optrad. In 1874 kreeg hij de vrijmoedigheid om aan het consistorie in Posen schriftelijk zijnen overgang tot de Gereformeerde belijdenis te melden en om verplaatsing naar eene Gereformeerde Gemeente te verzoeken. De jeugdige dienaar des Woords, die toenmaals bij het kerkbestuur zeer in de gunst stond, viel terstond in ongenade, en van dit tijdstip af bleef hij niet verschoond van vervolging. In 1875 beriep het Brandenburger consistorie hem in de Gemeente te Soldin, die door den dood van Ds. Ribbeek vacant geworden was. Hij lag toen reeds vijf maanden te bed aan eene zware zenuwkoorts, ten gevolge van al te groote en onverpoosde inspanning van zijnen geest. Het bericht van zijne beroeping naar eene Gereformeerde Gemeente werkte echter zoo heilzaam op zijne kranke ziel, dat zijne lichaamskrachten met eene verrassende snelheid terugkeerden. Den 31s l e" Maart van hetzelfde j a a r trok hij met zijn gezin naar Soldin, waar hij tot Augustus 1880 werkzaam bleef. Eene benoeming tot Hoogleeraar aan de zoogenaamde Yrije Universiteit op Gereformeerden grondslag wekte in hem de hoop, thans zijne gaven in den dienst der Gereformeerde Kerk te kunnen besteden, weswege hij in September 1880 naar Amsterdam vertrok. Hiermede geloofde hij het einddoel zijner studiën en begeerten te hebben bereikt, terwijl hij zijnen ouders op geene betere wijze dan door de aanvaarding van het Hoogleeraarsambt den dank meende te kunnen betalen voor al hetgeen zij aan hem boven zijne zes broeders hadden ten koste gelegd. Intusschen vond hij zich in zijne hooge verwachtingen spoedig teleurgesteld. Dilloo wilde de Vaderlandsche Kerk in deze landen niet mede helpen sloopen en had er bezwaar in, studenten op te kweeken, die straks dienst moesten doen als stormrammen tegen het gebouw der Kerk. Dientengevolge geraakte hij in de meest onaangename verhoudingen tegenover zijne collega's, waarom hij in 1885 zijn ontslag nam, dankbaar, dat hij weer predikant mocht worden bij de in 1880 verlatene en tot 1885 vacant geblevene Gemeente te Soldin. Zijne werkkracht was echter gebroken en zijne ziel verkwijnde onder het bewustzijn, dat hij zijn levensdoel gemist had. In zoo hooge mate was zijn zenuwgestel verzwakt, dat hem eerlang eene algeheele instorting wachtte. In zijne belijdenis bleef hij de trouwe verkondiger van 's menschen diepe ellende en des Almachtigen eeuwige genade; de preeken en geschriften van Dr. II, P. Kohlbriigge en diens vrienden en leerlingen waren naast de Heilige Schrift zijne lievelingslectuur.
Ten slotte wjjzen wij op Dilloo's werken, als: „De lofzang van den koning Hiskia", de „95 Satze" (zie Jaargang I, bladz. 291) en „De Moedertaal van onzen Heere Jesus Christus en van Zijne Apostelen". Behalve de „95 Stellingen", eene vertaling van de „Siitze", zijn in het Zondagsblad nog eenige andere stukken van zijne hand opgenomen, die hij gaarne, zoo hij daartoe in de gelegenheid ware geweest, zou vermeerderd hebben, en die nu misschien eerlang eene plaats zullen vinden onder de rubriek „Schat der Kerk".
Moge de Almachtige, Die Zich eenen Man der weduwen en eenen Vader der weezen betoont, de diep bedroefde weduwe en hare negen nog onverzorgde kinderen genadiglijk troosten en hun Zijnen bijstand verleenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 juli 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Correspondentie

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 juli 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken