Bekijk het origineel

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 10 : 18—21. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 10 : 18—21. (Slot.)

12 minuten leestijd

De Apostel Paulns ontleent de woorden, die hij in Yers 19 aanhaalt, aan het verheven lied van Mozes, dat wij in Deut. 32 vinden, en waarin de Heere op zoo aangrijpende en aandoenlijke wijze over Zijn uitverkoren volk moet klagen. Daar toeh spreekt Mozes eerst van de trouw des Heeren, wanneer hij zegt Vers 3: „Ik zal den Naam des Heeren uitroepen; geeft onzen God grootheid. Hij is de Rotssteen", — trouw, onwankelbaar trouw, op Hem kan men zich verlaten, — „Wiens werk volkomen is; want al Zijne wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht, rechtvaardig en recht is Hij", — hoezeer Hij en Zijne wegen ook verdacht gemaakt worden. Neen, de schuld ligt niet aan Hem, maar aan het volk, daarom klaagt Mozes vervolgens aldus: „Hij heeft het tegen Hem verdorven, het zijn Zijne kinderen niet, de schandvlek is hunne, het is een verkeerd en verdraaid geslacht. Zult gij dit den Heere vergelden, gij dwaas en onwijs volk ? Is Hij niet uw Vader, Die u verkregen, Die u gemaakt en bevestigd heeft ?" En nu houdt hij het volk al Gods zegeningen en weldaden, al Zijne genadebeloften voor, hij houdt hun voor, hoe de Heere Israël gansch ellendig in de woestijn had gevonden, en Zich uit loutere genade had ontfermd over dit volk, dat verloren en den ondergang nabij was, hoe Hij Zich aan hen had geopenbaard, hun Zijn hart had ontsloten, en Zijne Wet gegeven, hoe Hij hen bewaard had als Zijnon oogappel, hoe Hij hen op vleugelen der arenden gedragen had, — hoe Hij, de Heere, hen geheel alleen had geleid. Niemand had Hem daartoe geholpen, geen vreemd god was met Hem, de gerechtigheid, wijsheid en kracht des volks had het immers ook niet gedaan, het was alleen de Heere en Zijne almachtige ontferming, en in deze ontferming had Hij het bovendien naar het aardsche, naar het zichtbare, met alle zegeningen en weldaden overladen. Maar o, ellende en jammer! nu het volk zoo rijk gezegend was, begon het zichzelf te gevoelen, en te denken, dat het iets was, dat het zoo behoorde en het hem toekwam, en het vergat, dat het enkel genadegaven waren, en dat het bij iederen ademtocht alleen van God en Zijne ontferming afhing. „Als nu Jeschurun vet werd, sloeg hij achteruit, en hij liet God varen, Die hem gemaakt had", —- gemaakt tot hetgeen hij naar het natuurlijke was, gemaakt in Zjjne genade tot Zijn volk, gemaakt in Christus Jesus. „Hij versmaadde den Rotssteen zijns heils", — waarop hij, Israël, alleen kon gegrond en gebouwd worden, — en verwekte Hem tot ijver door vreemde goden, door allerlei afgoden, die zij niet gekend hadden, maar voor wie zij nu offerden, afgoden, die van nabij gekomen waren, voor dewelke hunne vaders niet geschrikt hadden, — de afgoden van de eigengerechtigheid, van eigene kracht, van den vrijen wil, van eigenwillige heiligmaking. „Den Rotssteen, Die u gegenereerd heeft, hebt gij vergeten; en gij hebt in vergetenis gesteld den God, Die u gebaard heeft", Die u in de macht Zijner genade, in Christus Jesus geschapen heeft. En zou God nu onverschillig zijn, nu het volk, dat Hem toch alles te danken had, Hem ontrouw werd, van Hem afviel, en andere goden navolgde ? Neen, Hij is een ijverig, d. i. een jaloersch God, Die Zijne eer aan geenen ander geeft. Hij zegt: Hebben zij Mij verlaten en zich tot andere goden geneigd, zoo zal Ik hen ook verlaten en Mij wenden tot een ander volk! Hebben zij door hunne ontrouw Mij tot ijver en tot toorn verwekt, zoo zal Ik nu eens al Mijne goedertierenheid en genade aan een ander volk bewijzen, en zoo Israël tot ijver verwekken. Daarom zegt Hij — en hier hebben wij den door Paulus aangehaalden tekst — : „Zij hebben Mij tot ijver verwekt door hetgeen geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hunne ijdelheden"; nu zal Ik hun hetzelfde aandoen, „Ik zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn", — de Heidenen waren immers geen volk in dien zin, waarin zij, de Joden, zich voor het volk, het uitverkorene volk Gods hielden, die waren slechts eene verdorvene massa en stonden ver beneden hen, — „door een dwaas volk" — door een volk, dat geen verstand, geene kennis van God en Zijn Woord heeft, dat niets weet van de Wet, en daarom vervloekt is, — „door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken", — tot toorn verwekken, doordat God Zich over zulk een volk ontfermt, Zich in Zijne genade met hen inlaat, terwijl zij, die zichzelven voor „het volk" hielden, werden verworpen en aan zichzelven overgelaten.
Zulke woorden had Israël voor zich, zij staan immers in de Heilige Schrift, — hoe konden zij zich er dan over verwonderen, het voor ongerechtigheid verklaren, dat God doet, wat Hij te voren gezegd heeft, daar zij zeiven handelen, zooals de Heere in deze woorden over Zijn volk moet klagen ? Och, dat zij het op zichzelven hadden toegepast! Ja, dat ook wij in de eerste plaats de toepassing op onszelven maken, wij, die midden in den overvloed, den rijkdom der geestelijke zegeningen Gods en Zijns Woords zitten, en ach, zoo spoedig Hem vergeten, Die ons gemaakt heeft tot hetgeen wij zijn, en ons gegeven en geschonken heeft, wat wij hebben, — opdat dit oordeel, waarmee Hij l\ier dreigt, niet ook ons treffe!
De Apostel heeft in de eerste plaats Mozes laten spreken. Nu wijst hij het volk op Jesaia en op hetgeen deze zegt, als liij Vers 20 schrijft: En J e s a i a v e r s t o u t z i c h , en z e g t , of heeft den moed en zegt, m. a. w. verklaart, zonder Israël te verschoonen, zonder omwegen, — want er behoort in waarheid moed toe om den eigengerechtigen zoo iets in het aangezicht te zeggen, — dus: Jesaia verstout zich en zegt: I k b e n g e v o n d e n van d e g e n e n , die Mij n i e t zocht e n ; Ik ben o p e n b a a r g e w o r d e n d e n g e n e n , d ie n a a r Mij n i e t v r a a g d e n . Deze woorden vinden wij in het eerste Yers van het 655te Hoofdstuk, en zij zijn het antwoord op een gebed, dat het eigengerechtige, huichelachtige volk in schijnbaar zeer ootmoedige woorden voor God uitspreekt, meenende God aan zich te kunnen binden, alsof het recht had op Gods ontferming, alsof God hen m o e s t helpen om hunne ellende, of om hunne uitverkiezing, of om den tempel, dien God toch niet kon laten varen. Ja, in den grond der zaak willen zij te verstaan geven, dat God eigenlijk de schuld was van hunne ellende, want, zeggen zij, „wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk", — wat kunnen wij er dus eigenlijk aan doen, dat wij ons zoo in zonde en verderf bevinden, Gij hebt ons immers gemaakt!? „Maar nu is ons heilig en heerlijk huis met vuur verbrand, en al onze gewenschte dingen zijn tot woestheid geworden ! Heere! zoudt Gij U over deze dingen inhouden? zoudt Gij stilzwijgen, en ons zoozeer bedrukken?" Bedenk toch, dat wij allen Uw volk zijn! — Zij wilden echter niet weten, dat zij door eigene schuld hunne voorrechten verloren hadden. Daarom komt nu God met Zijn vreeselijk scherp woord, waarmee Hij al zulke verkeerdheid en eigengerechtigheid tegenkomt, — want achter de woorden eener belijdenis van zonden kan dikwijls de vreeselijkste eigengerechtigheid verborgen zijn; voor God echter, Die harten en nieren doorzoekt, is zij niet verborgen, — en Hij spreekt door den mond van Jesaia: „Ik ben gevonden van degenen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden, van degenen, die Mij niet zochten", — als wilde Hij zeggen: Niet gij, die in uwe eigengerechtigheid tot Mij komt, zonder een in waarheid verbroken hart, hoe vroom gij ook kunt spreken, -— niet g i j zijt het, die Mij in waarheid zoekt en ook zult vinden, maar dezulken zullen Mij hebben tot hunnen God, aan dezulken wil Ik Mij openbaren en Mijn heil schenken, die tot dusverre nog in 't geheel niet naar Mij gevraagd, noch Mij gezocht hebben. Want God is in Zyne genade vrij, en indien Hij wil, maakt Hij Zich uit steenen kinderen. Daarom zegt Hij ook verder: „Tot het volk, dat naar Mijnen Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben I k , ziet, hier ben I k !"
M a a r t e g e n I s r a ë l z e g t H i j — zoo vervolgt Paulus in Yers 21 —: d e n g e h e e l e n d a g h e b I k M i j n e h a n - d e n u i t g e s t r e k t tot een o n g e h o o r z a a m en t e g e n - s p r e k e n d volk. Deze woorden sluiteu zich bij Jesaia onmiddelijk aan bij do voorgaande; de Apostel begint als het ware opnieuw en doet uitkomen, dat deze woorden niet gezegd zijn tot een ander volk, tot Heidenen, tot dezulken, die van God en Zijn Woord niets weten, maar juist tot d a t volk, dat zich beroemde op den schoonen naam „Israël", dat zich dus voor een bijzonder vroom en godsdienstig volk hield, het volk, dat, zooals wij gezien hebben, zich beroemde, zeggende: „Zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk". En nu, juist tot hen moest Hij zeggen: „Den geheelen dag heb Ik Mijne handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk", of, zooals wij bij Jesaia lezen : „tot een wederstrevig volk, die wandelen op eenen weg, die niet goed is. naar hunne e i g e ne gedachten". Eene vreeselijke aanklacht tegen het volk, dat meende alle gerechtigheid gedaan te hebben, en ook dacht met zijne belijdenis: „Ik ben een arm zondaar" zeer goed geloovig te zijn en daarmee God en Zijn heil te zoeken. God zegt tot hen: Den ganschen dag heb Ik Mijne handen tevergeefs naar u uitgestrekt ! gij zijt een ongehoorzaam volk, of, zooals hier staat, een ongehoorzaam en tegensprekend volk, tegensprekend, zooals wij van den Heere lezen, dat Hij het tegenspreken der zondaren verdragen heeft, en gelijk wij van de Joden te Antiochië lezen, dat zij,- toen zij de schare der Heidenen zagen, die zich om de prediking des Evangelies verdrongen, met nijdigheid vervuld werden, en wederspraken hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende (Hand. 13: 45); en hoe heeft God niet in waarheid den geheelen dag, al den tijd door, sinds Hij Zich Zijn volk had aangenomen ten volk en eigendom, hoe heeft Hij niet op allerlei wijzen de handen tot hen uitgestrekt, opdat zij zich toch tot Hem zouden bekeeren ; maar Hij moest klagend uitroepen : „Wat is er meer te doen aan Mijnen wijngaard, dat Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht?" (Jes. 5 : 4 ) Of bij Micha, Hoofdstuk 6 : 3 : „O, Mijn volk! wat heb Ik u gedaan? eu waarmede heb Ik u vermoeid? betuig tegen Mij !" En Jer. 11 : 7: „Want Ik heb uwen vaderen ernstelijk betuigd, ten dage, als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op dezen dag", — dat was toch wel den geheelen dag, zonder ophouden, telkens weder, — „vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort uaar Mijne stem!" „Maar", volgt er verder, „zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar hebben gewandeld, een iegelijk naar het goeddunken van hunlieder boos hart." En dat gaat zoo de gansehe Schrift door; voornamelijk bij het lezen der Profeten, zien wij Hem, den getrouwen God en Heere, de handen uitstrekken tot het ongehoorzame en tegensprekende volk, en hooien wij Hem met roerende stem smeeken : Keert u tot Mij en tot Mijne kastijdingen, — maar zij wilden niet.
Dat alles had het volk der Joden ten tijde van Paulus vóór zich, dat lazen zij in de Heilige Schrift, en toch beklaagden zij zich, dat God hun onrecht deed, en zagen het aan als iets ongehoords, als eene groote onrechtvaardigheid, dat God hen voorbijging, hen liet staan, cn Zich met Zijne genade tot de Heidenen wendde. Zij pasten deze woorden niet op zichzelven toe. Zoo was dus de schuld bij hen. En zoo men deze bestraffende woorden ook nog heden niet op zichzelven toepast, zal men rijpen voor hetzelfde oordeel. Wat de Heere toen heeft gesprok e n , dat spreekt Hij ook nu nog, zooals Hij toon geoordeeld heeft, zoo oordeelt Ilij ook nog heden. Indien men meent, God aan zich te kunnen binden en recht op Hem te hebben, zal het wel blijken, dat men niet eens Zijne stem gehoord en op het uitstrekken Zijner handen niet gelet heeft, — en dat de Heere Zijnen eigenen weg gaat, en Zich laat vinden door dezulken, die Hem niet gezocht hebben, opdat het woord blijve s t a a n , dat de Heere tot Zijne discipelen sprak: „Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 augustus 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 10 : 18—21. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 augustus 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken