Bekijk het origineel

Uit Galicië

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit Galicië

8 minuten leestijd

Hooggeachte Redacteur! Uwe geëerde lezers — en gij zelf vooral niet minder, — hebben ons steeds innige deelneming betoond, zoo dikwijls wij u het een en ander van onze eigenaardige omstandigheden, onze armoede en onze eenzaamheid verhaalden. Wij moeten er u dan ook onzen hartelijken dank voor betuigen, dat gij de goedheid hebt gehad, in uw blad in herinnering te brengen, waartoe „de gemeenschap der heiligen" ons verplicht, hetgeen onze dierbare Heidelberger ons op zoo treffende wijze uitlegt.
Nu willen wij u ook eens iets anders mededeelen, wat zeker mede uwe broederlijke belangstelling zal opwekken. Wij hebben den 13Jen dezer maand groote blijdschap gesmaakt. „Eben- Haëzer!'' riepen wij elkander toe. Wij genoten het voorrecht, met gezang en gebed de nieuwgebouwde pastorie te mogen openen. Een zeer klein, maar practisch ingericht huis hebben wij kunnen bouwen, doordien de Heere de harten der broederen bereidwillig heeft gemaakt om ons van het hunne mede te deelen. Onze eigene arme gemeenteleden konden natuurlijk met geenen penning aan den bouw medehelpon; maar toch waren zij dikwijls met hunne handen behulpzaam aan den arbeid, wanneer het bijv. noodig was, zoo snel mogelijk eenen voorraad kalk te blusschen, uit vrees dat zij anders zou bederven. IIet geheele bouwfonds was louter door liefdegaven bijeengebracht. IIet duurde lang, eer wij een voldoend bedrag tot vorming van een dergeljjk fonds ingezameld hadden; herhaaldelijk werden wij door de vrees bekropen, dat wij den» bouw van een nieuw huis nooit of nimmer beleven zouden, maar toch vloeiden de gaven in de laatste jaren hoe langer zoo overvloediger toe, zoodat wij in staat waren, om, zonder te moeten vreezen, dat wij do zeer arme Gemeente in schulden zouden steken, met den bouw eenen aanvang te maken.
De grootste en talrijkste gaven ontvingen wij van het Centraal Bestuur der Gustaaf-Adolf-Vereeniging, zoodat wij inet hartelijke dankbaarheid betuigen moeten, dat dit Bestuur alleen onze kleine, maar nette pastorie voor ons heeft doen verrijzen. Ook van de Nederlandsche Hoofd vereeniging te Leiden ontvingen wij sedert eenige jaren geregeld ondersteuningen. Onze Luthersche Superintendent heeft bij de Gustaaf-Adolf-Vereeniging onze zaak met warmte bepleit. (Uit onze vroegere correspondentie is den geëerden lezers wellicht nog bekend, dat er hier in Galicië slechts drie Gereformeerde Gemeenten bestaan, die een eigen Gereformeerd Senoriaat vormen, dat echter onder toezicht van den Lutherscben Superintendent staat. Curieus, — maar waar!) De Superintendent heeft bij zijne laatste visitatie stellig gezien, dat de predikant hem zijn eigen bed tot nachtleger moest afstaan, en daarna zichzelven op den vloer eene geïmproviseerde legerstede moest laten spreiden.
Nu smaken wij echter groote blijdschap! De nieuwe woning bestaat uit twee groote en twee kleine kamers, benevens eene kleine keuken, en — wij zijn toch koninklijk tevreden!
Wanneer wij ons met onze gedachten in het verleden verplaatsen en eene vergelijking maken tussehen het toen en het nu, dan gevoelen wij ons onuitsprekelijk verblijd; en dit moge dan ook verontschuldigen, dat wij er in deze Correspondentie zooveel over schrijven. Te voren moesten wij wegens het binnendringen van den sneeuwstorm al de reten in de houten wanden en langs de schotten bij den vloer met spaanders en lompen dichtstoppen, opdat de sneeuw niet bij ons in de kamer geblazen werd. Tegenwoordig wonen wij echter tussehen goede gemetselde muren; al zulke maatregelen als de bovengenoemde behoeven wij dus niet meer te nemen, en daarom zijn wij blijde! Tegenwoordig zal het geenen kikvorsch meer gelukken, ons in de kamer een bezoek te brengen; de krekels zullen geene schuilplaats meer bij ons vinden, om ons en onze kinderen des nachts met hun doordringend gepiep uit den slaap te houden. Vroeger moesten wij massa's insectenpoeder strooien, om de uiterst vrijpostig wordende insecten eenigermate te verdrijven en ze naar hunne aangename schuilhoeken in het oude en vermolmde hout terug te jagen, want geheel uit te roeien waren zij niet! Tegenwoordig wonen wij in een zindelijk huis, wat eenen verkwikkendeh indruk op ons maakt; vooral de op zindelijkheid gestelde predikantsvrouw is daar zeer mee ingenomen. Thans zullen wij des nachts geene jacht op insecten meer behoeven te maken; zes jaren achtereen hebben wij in het bekrompene, vermolmde huisje gewoönd, en toen moest zulk eene jacht dikwijls worden gearrangeerd. Voorheen was het lijna niet mogelijk alles in orde te houden en zindelijk te bewaren, want de houten wanden waren witgepleisterd, en bij de minste trilling der balken viel de kalk er af; thans zijn de wanden eenvoudig, maar toch duurzaam geverfd. Vroeger, ook nog slechts een drietal weken geleden, toen het aanhoudend regende, moest de leeraar, met eene lantaarn in de hand, en die stevig vasthoudende, in den laten avond *liet dienstmeisje naar den zolder begeleiden, om bij het schijnsel der lantaarn voorzichtig het strooien dak te onderzoeken, en vervolgens tobben, kannen en groote potten (te zamen 13 stuks vaatwerk!) onder de gaten van het stroodak te plaatsen, anders zou het water door het plafond in de kamer gestroomd zijn en had de zoldering kunnen loslaten, hetgeen gevaarlijk kon worden. Tegenwoordig hebben wij boven ons hoofd een stevig zinken dak, waardoor geen druppel waterkan vloeien, en ook zelfs de fijnste jachtsneeuw niet kan binnendringen. Alleen zal het nu 's winters onder dit zinken dak geducht koud zijn, en de greotere woning bovendien veel hout verbruiken ten behoeve van de onmisbare verwarming'. Steenkolen kent men hier niet; de smeden gebiuiken alleen houtskolen. Het kost echter veel brandstof, eer men met zachte hout bij eenen Russischen winter eene kamer heeft warm gestookt. Maar: Eben- Haëzer! Tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen!
De algemeene zucht tot landverhuizen is nog niet verminderd. Ongelukkigerwijs wordt de Gemeente daardoor hoe langer zoo meer verzwakt; velden, die sedert honderd jaren door vlijtige Duitsche handen bearbeid werden, en zich voordeelig van die der Polen onderscheidden, worden in hoe langer zoo grooter aantal verkocht. In den eersten tijd trokken alleen de mannen naar Amerika, om daar iets te verdienen en dan weder naar hunne woonplaats in het vaderland terug te keeren. Doch tegenwoordig — nadat bijna allen een aardig; spaarduitje aan hunne gezinnen hebben overgezonden, — vormen velen het plan om niet meer terug te keeren, maar laten zij liever hunne gezinnen overkomen. Dientengevolge zijn wij hier thans slechts ongeveer 600 kolonisten sterk, dier dan nog bovendien over drie ver van elkaar verwijderde plaatsen verdeeld zijn. Hoe meer de Gemeente op die wijze verzwakt wordt, des te grooter worden natuurlijk de lasten der aehterblijvenden, zoodat zij er dan ook reeds zeer over klagen. De overblijvenden moeten gezamenlijk hunnen predikant en in. elke kolonie hunnen onderwijzer onderhouden.
Velen vinden die lasten te zwaar, en zij verlaten het land. Het ware dus wenschehjk, zulke maatregelen te treffen, dat zij, die achterblijven en op het „blijf in uw land en verdieneerlijk uw brood" (volgens de Duitsche Bijbelvert.) meer acht slaan, dan op de verlokkende stemmen van hen, die reeds aan gene zijde van den Oceaan hooge loonen verdienen, — niet nog zwaarder belast worden, en de predikant toch leven kan. De ondersteuning en vergrooting van het „Onderstandsfonds voor predikanten" is bepaald noodzakelijk, opdat de predikant niet, ten gevolge van de grootere armoede der Gemeente,, zijne bediening al zuchtend behoeve waar te nemen. Het begin is reeds gemaakt; wij zouden hartelijk dankbaar en zeer verheugd zijn, wanneer de broederliefde ons behulpzaam ZOIL willen zijn, om dit Fonds te vergrooten. Tegenwoordig heeft, de predikant wel eene' mooie kleine pastorie, maar een jaarlijksch inkomen van slechts f 2 6 0 (zegge: tweehonderd zestig gulden); de cijfers spreken luid genoeg, en wij hopen dan ookr dat niemand onder de geëerde lezers het ons ten kwade zal duiden, als wij een beroep doen op de liefde der broederen. Wie zelf een huishouden te verzorgen heeft, zal het ons wel het allerminst kwalijk nemen. Gelijk gij, geachte Redacteur T op de armoede der hier gevestigde Gereformeerde Gemeente de aandacht hebt gevestigd, zoo zult gij ook wel zoo vriendelijk willen zijn om deze regelen onder de oogen uwer lezers t& brengen. De hoe langer zoo zwakker wordende Gemeente heeft aan de hulp der broederen ontegenzeggelijk behoefte.
Een jaar lang heeft de predikant het volgehouden, ook tevens dagelijks als dorpsschoolmeester op te treden; thanswordt hij eindelijk afgelost door eenen hulponderwijzer, dien de Gemeente onlangs als zoodanig heeft gekozen en benoemd, aangezien geen enkel geëxamineerd hoofdonderwijzer te midden van onze afzondering en armoede wilde komen wonen.
P. S. Toen men eenige dagen geleden de zware, ouderwetsche schrijftafel in de oude pastorie van hare plaats schoof, om haar naar het nieuwe huis over te brengen, vond men achter dit meubelstuk . . . . eene wilde roos, die welig groeide, natuurlijk in de kamer!
Thans nog eene vraag, waarde Redacteur! zouden de welgestelde Nederlandsche Hervormde Gemeenten de drie hier bestaande Gereformeerde Duitsche scholen — de éénige in West-Galicië — niet tot hunne „zendingsstations" kunnen maken, om ze met hare hulp te schragen ? Wegens het schrale inkomen, dat de noodlijdende Gemeenten den onderwijzers kunnen aanbieden, zijn twee onderwijzersplaatsen onbezet!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 augustus 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Uit Galicië

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 augustus 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken