Bekijk het origineel

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

9 minuten leestijd

Hoofdstuk XI.
Een zonnestraal is eenen donkeren tijd.


Hoe moeilijk de tijden ook waren, toch ontbrak het onzen Hartung en den zijnen niet aan oogenblikken van vreugde en bemoediging. Zulk een zonnestraal te midden van de donkere dagen, die hij beleefde, was de in Juui 1645 gesloten verloving zijner dochter Anna Clara met den predikant Kasper Martinius te Wenings bij Birstein, en het in 1646 daarop gevolgde huwelijk. Ilartungs naam had bij de graven van Isenburg nog altijd eenen goeden klank. Graaf "Willem Otto, wien het gewest Birstein na de verdeeling der nalatenschap zijns vaders Wolfgang Ernst ten deel gevallen was, was met de dochter van graaf Albert van Hanau-Münzenberg, gravin Katharina Elisabeth, in het huwelijk getreden. Deze zocht omstreeks het jaar 1643 eene kamenier. Haar gemaal deed zelf bij Hartung onderzoek, of hij eene zijner dochters voor de vervulling dezer betrekking zou kunnen krijgen. Op deze wijze kwam de destijds twintigjarige Anna Clara aan het hof te Birstein, alwaar zij na verloDp van eenigen tijd door haar stil en bescheiden voorkomen de aandacht van bovengenoemden predikant op zich vestigde. Kasper Martinius was een zoon van den in 16 56 in ballingschap gestorven Büdinger hofprediker en inspector Koenraad Martinius, geboortig u; t de Neder-Saksische stad Stade bij Hamburg, waaruit hij indertijd wegens zijne Gereformeerde balijdenis verdreven was geworden. Daze ook als schrijver uitmuntende mm, gehuwd mot eene dochter van den gewezen inspector Adam Hertzog te Hanau, had bij wijlen graaf Wolfgang Ernst in hooge eer gestaan. Zijn zoon Kasper was 14 jaren lang, tot aan het overlijden van den Graaf, als page bij hem in dienst. Het gymnasium te Biidingen, eene stichting van genoemden Graaf, was gedurende den oorlog hoe langar zoo meer achteruitgegaan, en onder de Darmstadtsche heerschappij opgeheven. Na de voorafgaande opleiding, die Kaspar Mirtinius esnan t j d lang op dat gymnasium en door het onderwijs zij;i3 vaders genoten Ind, arbeidde hij, toen z j n vader overleden was, do>r eigen studie verder zelf aan zijne ontwikkeling, gelijk hij in eenen brief mededeelt: „Na het afsterven van mijnen lieven vader zaliger heb ik mij verstout, om, door eene bijzondere begeerte daartoe aangespoord, eenen geruimen tijd tot mijne eigene stichting en leering in de mij nagelaten boeken en handschriften, zooveel ik door Goddelijken bijstand vermocht, te lezen en te studeeren, waardoor ik toen zóó krachtig ben opgewekt, dat ik eenen innerlijken lust en begeerte tot het predikambt heb gekregen; hoewel de arbeid zeer zwaar, de kennis diep, het leven kort en onze natuur zwak is, en ik daarbij van zeer slechte hoedanigheden, in kunsten en talen onervaren was, welke gebreken mijne onwaardigheid en mijn onvermogen mij recht voor oogen stelden en mij van zoodanig voornemen ganschelijk dreigden af te houden, verzamelde ik al mijnen moed en zeide ik met David al zuchtende: „Och Heere! troost mijne ziel!" Want de Heere God heeft immers den schat Z j n e r hemelsche wijsheid in aarden en gebroken vaten verborgen, heeft zich ook uit den mond der jonge kinderen lof toebereid, sterkt onze zwakheid en schraagt door Zijnen trouwen bijstand al diegenen, die Zijn werk vlijtig verrichten en zich als getrouwe rentmeesters in Zijn huis willen gedragen. Ik zeg met den heiligen Bernhardus: „Toen ik niets van God afwist, onderrichtte Hij mij; toen ik dwaalde, bracht Hij mij weder op den rechten w e g . " " Met trouwe genegenheid trok de inspector Oraeus te Hanau zich zijn lot aan; liij trichtte Martinius' eigen studie iu de theologie, waarmede deze zich twee jaren lang, in 1641 en 1642, onafgebroken bezighield, te leiden, en verschafte hem ook de gelegenheid tot oefening in het prediken op de kansels in eenige plattelandsgemeenten van het graafschap Hanau. Toen nu de sequestratie der Isenburgsche landen opgeheven werd, en de graven van Isenburg in het jaar 164:1 weder uit de verbanning terugkeerden en opnieuw de regeering over hunne landen aanvaardden, wendde Martinius zich tot graaf Willem Otto, die te Birstein woonde, en verzocht hem om eene predikantsplaats. Den 24ale" Juni van het jaar 1645 ontving hij eindelijk eene aanstelling als zoodanig t" Wenings, een op twee uur afstand8 van liet dorp Birstein gelegen plattelandsstadje. Onder de predikers, die hier in de bediening des Goddelijken Woords gearbeid hebben, munt Martinius als de oorspronkelijkste uit. Zijne huwelijksvereeniging met Anna Clara Hartung zou echter niet zoo spoedig voltrokken worden. De achterklap en de nijd speelden in die ontaarde tijden eene groote rol Vooral aan do kleine hoven werden allerlei intrigues gesponnen. Zoo werd dan door het overige grafelijk iflenstpersoneel eensklaps aangaande de arme verloofde van Martinius het gerucht verspreid, dat zij in ongeoorloofde betrekking tot eenen kamerdienaar stond. Ook haren beminde kwam dit ter ooren, en reeds wilde hij zijne verloving verbreken, toen de Graaf zelf in zijne edelmoedigheid zich het lot der zoo zwaar belasterde aantrok, de totale ongegrondheid der geruchten bewees, en daarna in een eigenhandig schrijven haren vader om toestemming tot de echtelijke verbintenis zijner dochter met Martinius verzocht. Hartung, die destijds te Frankfort vertoefde, antwoordde den Graaf onder dagteekening van den 30a t e n Juli 1G46 toestemmend, waarbij hij de hoop uitsprak, dat Martinius zich beijveren zou 0111 de voetstappen van zijnen in den Heere ontslapen vader te drukken, wiens geleerdheid, voortreffelijke leer en Godzaligheid des levens hem uit vele mondelinge en schriftelijke mededcelingen nog wel bekend zouden zijn. Martinius betuigde hierop in een schrijven uit Biidingen, waar hij zich juist wegens familieomstandigheden bevond, onder dagteekening van den l l d e " Augustus 1646 met de meeste onderdanigheid zijnen dank aan den Graaf. Eenige weken later werd het huwelijk te Birstein voltrokken, in allen eenvoud, zooals trouwens door de drukkende tijdsomstandigheden gevorderd werd. De toenmaals het gansche district Reichenbacli bedienende predikant Johannes Eberliard Leurelius te Birstein had Hartung toegestaan, den huwelijksband te sluiten. Niet dan met diepe ontroering en onder het storten van tranen kon hij de vraag der Keurpaltsische Agenda, die door de kerkordening van graaf "Wolfgang Ernst van het jaar 1598 ook hier te lande ingevoerd was, uitspreken: „Gij, Kasper Martinius, bekent hier vóór God en Zijne heilige Gemeente, dat gij genomen hebt en neemt tot uwe wettige eclitgenoote en huisvrouw Anna Clara Hartung, hier tegenwoordig, en belooft, haar nimmermeer te verlaten, haar lief te hebben en getrouwelijk te onderhouden, gelijk een getrouw en Godvreezend man zijner yrouw schuldig is; dat gij ook heiliglijk met haar leven wilt, haar trouw en geloof zult bewijzen in alle dingen, naar het "Woord Gods en Zijn heilig Evangelie?" En toen hij nu, na het „ja" van den ondervraagde, zich tot zijne dochter wendde, zeggende: „Gij, Anna Clara Hartung, bekent hier voor God en zijne heilige Gemeente, dat gij hebt genomen en neemt Kasper Martinius tot uwen wettigen .man, en belooft hem gehoorzaam te zijn, en hem te dienen en te helpen, hem nimmermeer te verlaten, heiliglijk met hem te leven, hem trouw en geloof in alle dingen te bewijzen, gelijk eene vrome en getrouwe huisvrouw haren wettigen man schuldig is te doen, naar het Woord Gods en Zijn heilig Evangelie", en hij na haar jawoord hun beider handen in elkaar legde en deze woorden sprak: „De Yader der barmhartigheid, Die u door Zijne genade tot dezen heiligen staat des huwelijks geroepen heeft, verbiude ulieden met rechte liefde en Irouw, en geve u Zijnen zegen ! ' — toen kon hij iri de overstelping zijner gevoelens ternauwernood het „Amen !" nog uitspreken. Het was dan ook zijne eerste dochter, die in het huwelijk trad, het evenbeeld iarer in den Heere ontslapen moeder, — zijne eerste getrouwde dochter, voor welke deze ure eene zoo beslissende voor haai' verder leven zou zijn.
Een armen schoonzoon had Hartung in Kasper Martinius gekregen. Deze toch bezat niets; zijne moeder bestuurde destijds, wegens de tijdsomstandigheden, in het huis, dat haar behoorde in de stad Biidingen, als eene arme weduwe demeisjesschool. Maar wie was toen niet arm ? Zelfs de grafelijke familie te Birstein zuchtte onder den algemeenen druk van den oorlog, kon geene belastingen van de onderdanen innen, en moest zich uitsluitend met de opbrengsten der door haar geplante boomgaarden en andere dergelijke inkomsten, behelpen. Daarom kon de Gravin slechts eenige eenvoudige? dingen aan de dochter van Hartung als uitzet medegeven. Nog. minder kon haar vader haar ten geschenke geven. Men beoefende in die dagen de uiterste soberheid, en trachtte zich zoo goed mogelijk in de omstandigheden te schikken. Liefde tot elkander en het levendige vertrouwen des geloofs, dat Hij, Die de vogelen des hemels voedt, ook voor hen zorgen zou, was het goed., hun van God door Zijn "Woord en Zijnen Geest gegeven, dat zij in. eere medenamen. Haar vader begeleidde hen naar hunne hoogst eenvoudige pastorie te "Wenings. De gesloten verbintenis was inderdaad een ware lichtstraal voor hem en de zijnen in diedonkere dagen. Martinius was trouwens een wakker, oprecht en; getrouw dienaar des Heeren. Toen Hartung uit Wening» vertrok, drukte hjj, met de vurigste wenschen voor hun welzijn, en hen in de bescherming des Almachtigen aanbevelende, hen beiden aan zijn vaderhart.
Onder menigerlei gevaren en langs vele omwegen keerde Hartung uit Büdingen naar de zijnen terug. Hij reisde 0. adoor de anders zoo schoone Wetterau, waar echter thans de hongersnood op de vreeselijkste wijze woedde, doordien do Beiersche krijgslieden omstreeks den oogsttijd al de vruchten van de landerijen der bewoners weggenomen hadden. Toen hij ; aan den avond van den eersten dag het eerste Ilanausche dorp, Markoebel geheeten, naderde, schrikte hij niet weinig, toen hij eensklaps op weinige schreden afstands eene ontelbare menigte = lichten zag flikkeren. Al was hij ook als gereformeerd Christen vrij van bijgeloof, toch kwamen er allerlei angstige gedachten over dit verschijnsel bij hem op. Dat hij de in deze streek | vooral in het najaar veelvuldig voorkomende dwaallichten voor 1 zich had, daaraan dacht hij in het geheel niet. Vermoeid en j afgemat klopte hij aan de deur der pastorie aan, om er huisvesting te vragen. Maar vruchteloos! Er kwam niemand. Eindelijk vertoonde zich een hoogbejaard, door ontbering en ouderdom gekromd moedertje uit de buurt, van wie hij vernam, dat de predikant, die hem door zijne werkzaamheid in het Hanausche bekend was, Jolian Willem Heupel, verscheidene weken geleden met de zijnen voor de keizerlijken naar Hanau was gevlucht. Hartung achtte liet daarom geraden, onder bescherming der duisternis van den aanbrekenden nacht naar Ilanau te trekken, waar hij door den poortwachter als een Gereformeerd geloofsgenoot en prcdi- ; kaut, die zich op eenige invloedrijke, hem bekende inwoners der stad beroepen kon, gelukkig binnengelaten werd. Den volgenden dag zette hij zijne reis voort, en zoo kwam hij eindelijk tot vreugde der zijnen behouden te Frankfort aan.
(Wordt vervolgd )

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 augustus 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 augustus 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken