Bekijk het origineel

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

13 minuten leestijd

Hoofdstuk XII.
De jaren 1647—1650.


Zooals wij uit het voorafgaande Hoofdstuk vernomen hebben, bevond Hartung zich met zijn gezin in den zomer en den herfst van het jaar 1646 te Erankfort, waarheen hij voor de plunderende keizerlijke troepen gevlucht was. Het verblijf der familie in deze vrije Rijksstad duurde waarschijnlijk tot het begin van 1648, dewijl ook in 1647 nu deze dan gene veldheer met zijne soldaten de Rijnlanden verontrustte. Vele verjaagde en gevluchte familiën hadden destijds in Frankfort eene wijkplaats gevonden, ofschoon do Magistraat aldaar ongaarne Gereformeerde vluchtelingen binnen de muren der stad zag.
Intusschen had Hartung in het naburige graafschap Hanau eene predikantsplaats trachten te bekomen. Dientengevolge werd er hem eene aangeboden in het dorp Nauheim, de thans zoo beroemde badplaats, tusschen Giessen en Frankfort gelegen, die door de staatkundige verwikkelingen van het jaar 1866 aan het groothertogdom Hessen is ten deel gevallen. Reeds stond hij op het punt om derwaarts te trekken, toen de keizerlijke oorlogsbenden hem zulks weer onmogelijk maakten, zooals uit eene beschikking der Regeeringskanselarjj van graaf Frederik Casimir van Hanau, gedagteekend den 19der' Januari 1648, blijken kan. „Aan den predikant Hartung", heet het daarin, „moet op zijn aangaande de pastorie te Nauheim ingekomen schrijven geantwoord worden, dat het hem vrijstaat, zijn vertrek naar Nauheim óf te bespoedigen, óf er nog zoo lang mede te wachten, tot de keizerlijke troepen weder afgetrokken zijn.' Doch de Heere had het anders beschikt, dan Hartung dacht. Hij zou ook verder voor den dienst der Kerk in de Keurpalts behouden blijven. En wat de Heere bepaald heeft in Zijnen raad, dat voert Hij ook uit, al liggen er nog zoovele onmogelijkheden en hinderpalen in den weg, en al trachten nog zoovele vijanden het te beletten, ja al heeft ook het eigen vleesch nog zoovele bedenkingen en jamaars. „Vreest niet", roept Hij dan Zijnen knechten toe, „de smaadheid van den niensch, en voor hunne smaadredenen ontzet u niet, want de motte zal ze opeten als een kleed." (Jes. 50 : 7 en 8.)
In de maand Maart van het jaar 1648 was er in den toestand der Protestanten aan den Rijn eene gunstige verandering gekomen. De Zweedsche bevelhebber Gustaaf Wrangel begaf zich met zijne troepen, die opnieuw van paarden voorzien, en met 1000 Hessische cavaleristen versterkt waren, over Kassei en den Yogelsberg naar den Main, en vereenigde zich den 23"en Maart met Turenne, onder wien 8000 meerendeels Duitsche soldaten dienden. Nu was de weg voor Hartung en de zijnen naar den Rijn gebaand, en met blijdschap maakten zij daarvan gebruik en keerden zij , na vele moeilijkheden doorworsteld te hebben, naar de Keurpalts terug. Dewijl echter de doortrekkende plunderende en brandschattende troepen het platteland onveilig maakten, konden zij ook thans nog niet in eene open plaats als Nierstein wonen, maar moesten zij weder hun verblijf te Oppenheim vestigen. Daar werd onzen Hartung op zekeren dag in de maand Juni van het genoemde jaar door eenen bode een schrijven van graaf Johan Lodewijk van Isenburg, gedagteekend uit Offenbach den 14d e l'Juni 1648, ter hand gesteld, meldende, dat de onderdanen in de beide Isenburgsc'ne Gemeenten Langenselbold en Langendiebach den Graaf hadden verzocht, om Hartung als hunnen zielverzorger aan te stellen. Uit een daarbij gevoegd schrijven van zijnen broeder Georg Fredcrik, — die kort te voren als ambtsbestuurder te Langenselbold was aangesteld, nadat hij vroeger in dienst van jonker Campsen aan de Bergstraat gestaan h a d ,— kon hij zien, hoe het met de bezoldiging aldaar gesteld was.
Met blijdschap bespeurde Hartung de liefdevolle zorg van zijnen broeder, die deze menschen blijkbaar tot hun verzoek aan den Graaf had aangespoord. Toch had hij allerlei bedenkingen, die hij in het volgende schrijven aan genoemden Graaf uitspreekt: „Gods genade en zegen! Hoogwelgeboren genadige Graaf en Heer! Het hoogst aangename schrijven van Uwe Grafelijke Genade betreffende de vacante predikantsplaats Selbold en Langendiebach heb ik met den onderdanigen, altijd dankbaren en verschuldigden eerbied van mijn gebed, dat ik, ook afgezien hiervan, voor Uwe Grafelijke Genade en al derielver hooge aanverwanten tot God opzende, in goede orde ontvangen, en ik zou ook gaarne dat beroep in onderdanigheid aannemen, zoo niet eensdeels de onlangs door Gods zegen gelukkig afgeloopen bevalling mijner vrouw, anderdeels de op mijne akkers bijna rijp geworden vruchten (waaruit ik voor het geheele jaar mijn inkomen trekken moet) mij zulks verhinderden. Toch wil ik deze mij genadig toegezonden beroeping volgaarne en met onderdanigen dank aannemen, en wel uiterlijk tegen St. Michaël, wanneer de veldvruchten meerendeels ingezameld zullen zijn, ingeval beide Gemeenten zoolang geduld kunnen hebben. Intusschen kan ik niet nalaten, Uwe Grafelijke Genade onderdanig te verzoeken, de genadige schikking te maken, dat aldaar door behoorlijk aangestelde kerkmeesters en schouten de tienden vlijtig en getrouwelijk ingezameld en bewaard worden, opdat in vervolg van tijd een bedienaar des Woords zijn eerlijk inkomen moge hebben. En naardien ik, genadige Graaf en Heer, sedert de aanvaarding van het predikambt, in het jaar 1620, tot geenen dienst in de school meer ben aangewezen, en thaus ook niet meer een der jongsten ben, zoodat het heen en weder loopen tus9chen beide plaatsen mij te moeilijk zou vallen, terwijl ik ook met mijne jonge vrouw en den zuigeling in dezen gevaarlijken tijd mijne woning in Hanau zal moeten zoeken (hetgeen naar ik hoop, Uwe Genade den gemeenteleden genadiglijk te verstaan zal geven), zoo wil ik mij tot zoodanige werkzaamheid in de school, met uitzondering van do catechisatie op eiken Zondag, niet verplicht achten. Gegeven in alle haast te Oppenheim den 15Jel1 Juni 1648. Yan Uwe Grafelijke Genade de onderdanige en dienstvaardige, in de bediening van het "Woord Gods aldaar (bij de Gemeente Nierstein aan de Sebastiaanskerk) herstelde dienaar: Joh. Hartung."
De inwoners van Langenselbold en Langendiebach wilden evenwel niet toestaan , dat Hartung den schooldienst van de hand wees en zijn verblijf in het versterkte Hanau vestigde, en deze bleef dus ook verder in zijn Oppenheimer toevluchtsoord.
De 29s t e October 1648 was, na den langdurigen oorlog met zijne verschrikkingen, een vreugdedag, zoowel voor de stad Oppenheim en hare bewoners als voor de Keurpalts; op dien dag werd ninl. de tijding van den na jarenlange onderhandelingen op den 24! t e n October 1648 tot stand gekomen vrede van Munster ruchtbaar. Met al de klokken, die beschikbaar waren, werd uren lang geluid, vlaggen werden uit de torens der kerken gestoken, met de veldstukken en geweren werden vreugdeschoten gelost, en op allerlei wijzen de luidruchtigste blijdschap aan den dag gelegd, want de menschen konden het zich bijna niet voorstellen, dat er nu werkelijk aan den oorlog een einde was gekomen. Zij vielen hier en daar op openbare plaatsen onder tranen van vreugde elkander om den hals. Vooral echter vonden de bedienaren des Goddelijken Woords in de kerken, en ook onze Hartung, van harte dankbare toehoorders voor het Woord Gods, dat hun toeriep: „Die in de woestijn dwaalden, in eenen weg der wildernis, die geene stad ter woning vonden: zij waren hongerig, ook dorstig, hunne ziel was in hun overstelpt. Doch roepende tot den Heere in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hunne angsten; en Hij leidde hen op eenen rechten weg, om te gaan tot eene stad ter woning. Laat hen voor den Heere Zijne goedertierenheid loveu, en Zijne wonderwerken voor de kinderen der menschen". (Ps. 107 : 4—8.) Met alle geestdrift zong men na de predikatie het Te Deum laudamus (d. i. Heere God, U loven wij!)
Met het sluiten van den Munsterschen of Westfaalschen vrede was echter nog geenszins aan allen nood een einde gekomen. Het duurde nog twee j a r e n , eer men er in slaagde de benden soldeniers, die zoozeer aan hun handwerk gewoon waren, te bewegen om de Keurpalts te ontruimen en zich elders in krijgsdienst te begeven. Bovendien was de verarming zóó groot onder de weinige bewoners van de Keurpalts, die al de verschrikkingen van den oorlog overleefd hadden, dat zij nog dikwijls aan het noodigste gebrek hadden. Ook bij Hartung en de zijnen was de nood van het dagelijksche leven nog niet geweken. Al was hem ook herhaaldelijk door bemiddeling der in het geheim bestaande Vlaamsche Gemeente te Keulen eene broederlijke gave ter hand gesteld, geschonken door de geloofsgenooten in de Nederlanden tot leniging van den nood der verdrevene en anderszins beproefde dienaren der Gereformeerde kerken en scholen in Duitschland, — in de ballingschap te Frankfort had hij bijna alles weer moeten uitgeven. Zijne verlegenheid werd nog grooter, toen hij op zijnen terugweg naar Oppenheim bij Kelsterbach door eenige rondzwervende soldaten aangehouden werd en hun het overschot van zijn geld moest afgeven, om ongedeerd verder te kunnen trekken. Zoo was dan ook gedurende dat gansche jaar schraalhans bij hem keukenmeester, gelijk het spreekwoord zegt. Doch de Heere, Die tot hiertoe zoo wonderbaar geholpen had, hielp ook verder, zoodat het meel in de kruik niet werd verteerd en de olie in de flesch niet ontbrak.
Yeel zorg en moeite veroorzaakte onzen predikant de mededeeling, die zijn schoonzoon hem in het jaar 1649 uit Wenings deed toekomen, dat hij in eenen hevigen strijd met den ambtman Hartlieb te Birstein geraakt was, dewijl deze — met voorbijgang van de kerkelijke tucht — over eene dienstbode te Wenings, die zich aan het zevende gebod vergrepen had, met krenking der rechten van het Presbyterium eigenmachtig wereldlijke straffen had uitgesproken. Toen Martinius zich daarover bij den Vorst des lands beklaagde, ontstak de ambtman in groote woede tegen hem; en toen de predikant in Juli 1648 zich naar zijne moeder te Alzei, die bij hare dochter aldaar was gaan inwonen, begeven had, zonder vooraf om verlof daartoe te vragen, smeedde de ambtman daaruit een wapen tegen hem. Het smeulende twistvuur ontbrandde nu met groote felheid. De in den strijd des levens gerijpte, aan ervaringen van allerlei aard en aan kennis van het menschelijke hart zoo rijke Hartung gaf nu zijnen wel wat te lichtgeraakten schoonzoon den goeden raad, het oordeel over zijne zaak aan het geheele Ministerie des lands te onderwerpen; want hij bemerkte al zeer spoedig, dat het hier een gewelddadig ingrijpen der staatkundige overheid in de rechten der Kerk betrof, welke krenking zij zich niet lijdelijk kon laten welgevallen. Inderdaad behoorde de ambtman tot die soort van ambtenaren, zooals er destijds in Duitschland zeer vele waren, die zich op alle mogelijke wijzen de heerschappij over Kerk en School en beider dienaren aanmatigden, waardoor het eindelijk zoover gekomen is, dat de Protestantsche Kerken van Duitschland allengs in zulk eene afhankelijke verhouding tegenover den Staat geraakt zijn, als waarin zij nog heden ten dage tot hunne onberekenbare schade verkeeren.
Dubbelhartige en valsche broederen waren er destijds onder de Gereformeerde predikanten in Duitschland niet vele te vinden. Lieden van dat slag waren onder den druk des tijds in de Roomsche schaapskooi gevlucht. De weinige mannen, die nog als wachters op Zions muren stonden, hadden voor hun geloof met den bijstand des Beeren alles verdragen en gewaagd. Doch waar God de Zijnen langs eenen weg van lijden en beproevingen leidt, daar maakt ITij hen ook ootmoedig', zoodat zij in hunne eigene oogen klein en gering worden en Hem beginnen te vreezen en te vertrouwen, daarentegen van zichzelven en andere menschen afzien. De predikanten in het land van graaf Willem Otto vreesden dan ook niet voor den toorn van een machtig ambtenaar, ja zelfs niet voor dien van hunnen Landsheer, die blijkbaar partij voor hem koos. In de reinste broederlijke liefde trokken al de ambtsbroeders zich het lot van Martinius aan. „Onze medebroeder", zoo schreven zij aan den Graaf, „heeft niet ten onrechte gemeend, dat hij hoogst gewichtige redenen heeft, om op zichzelven en op zijne kudde acht te geven, en naar des Heeren bevel en zijnen door God hem opgelegden plicht zich aan de kerkelijke tucht van harte te laten gelegen liggen, gelijk het eerste gebod Gods in Ezechiël 33 zulks eischt. Want zoo ooit, dan is dit in dezen hoogst droevigen tijd noodig, nu deze tucht bijna allerwegen óf geheel verdwenen óf zoodanig verzwakt is, dat zij geene kerkelijke discipline met eere meer genoemd kan worden Zoo heeft onze broeder terecht grooten ijveï aan den dag gelegd, opdat de zielen door hem niet verwaarloosd worden." Wat den aan Martinius gestelden eisch betreft, om den ambtman wegens zijnen brief aan den Graaf verschooning te vragen, alsmede de bedreiging, dat men hem anders zou afzetten, dat hij nimmermeer den kansel zou mogen betreden, en dergelijke meer, achtten zij het veeleer noodig, dat hij beschermd werd, anders zou het Ministerie en Gode smaad en schande aangedaan worden. Dit schrijven miste bij den Graaf zijne uitwerking niet. Hij zag het onrecht in, dat Martinius was aangedaan, maakte aan alle verdere onderhandelingen een einde, en liet hem ongehinderd zijne ambtsbediening vervullen, waarover Hartung zich van harte verheugde.
Intusschen was keurvorst Karei Lodewijk van de Palts in zijne landen teruggekeerd. Een zijner eerste maatregelen tot herstel van Kerk en School was de wederoprichting van den kerkeraad te Heidelberg, den 12lle" December 1649. Nauwelijks was deze kerkelijke autoriteit weder in ambt en waardigheid hersteld, of zij begon de vacante predikants- en onderwijzersplaatsen weder te bezetten. Vóór den tijd van de vervolging der Gereformeerde dienaren van kerken en scholen, en vóór het tijdperk van regeeringloosheid, dat te gelijker tijd aanbrak, telde men ongeveer 350 Gereformeerde predikers in de Palts. Thans vond men er 15 op den rechter en 22 op den linker Rijnoever, die zich daar slechts met groote moeite, onder bescherming der Zweedsclie wapenen, konden handhaven. Alle overigen waren naar het buitenland gevlucht, de meesten naar Zwitserland en de Nederlanden, waar zij nieuwe bedieningen aanvaardden. Omstreeks 54 hunner waren nog in leven, die thans weder tot hunnen vroegeren werkkring terugkeerden. Tot dezen behoorde ook onze Hartung, die nu eindelijk, met vurigen dank jegens den Heere, in het voorjaar van 1650 met de zijnen naar zijn geliefd Nierstein mocht terugkeeren, om er nu niet weder uit verdreven te worden.
De toestanden, die hij er vond, waren echter zeer beklagenswaardig. Verlatenheid en verval grijnsden hem allerwegen aan in huis en hof. De eenmaal zoo sterk bevolkte marktplaats, met hare bekoorlijke ligging, omzoomd door lachende heuvels, die kostelijken wijn voortbrachten, bood nu, zoowel in- als uitwendig, en waar men ook den voet zette, den treurigen aanblik van eenen puinhoop. Langzamerhand echter keerde deze en gene familie terug, en repten zich weder vlijtige handen, zoodat na verloop van jaren weder verscheidene huizen verrezen waren en de wijngaarden weder hunne heerlijke vrucht droegen, welker sap het hart des menschen vroolijk maakt.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 augustus 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 augustus 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken