Bekijk het origineel

Aanteekeningen op Genesis 17. (Vervolg en Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekeningen op Genesis 17. (Vervolg en Slot.)

24 minuten leestijd

Vers 17. Zoo lezen wij van Abraham: T o e n viel A b r a h a m op z i j n a a n g e z i c h t , en h i j l a c h t e ; en h ij z e i d e in z i j n h a r t : Z a l e e n e n , d i e h o n d e r d j a r en o u d i s , e e n k i n d g e b o r e n w o r d e n ? en z a l S a r a , d ie n e g e n t i g j a r e n oud i s , b a r e n ? — Hij v i e l op z i jn a a n g e z i c h t vanwege de groote heerlijkheid van zulk eene openbaring aan de eene zijde, eenigszins zooals Johannes in Openb. 1: 17, toen hij den Heere zag; aan de andere zijde vanwege den weemoed, dat hem datgene ontnomen werd, waarin zijn vleesch rust gevonden had. En h i j l a c h t e, zoo staat er in het Hebreeuwsch. In het Chaldeeuwsch van Onkelos s t a a t : „hij verheugde zich"; twee andere Chaldeeuwsche omschrijvingen geven: „hij werd verbaasd". Luther en anderen roemen hier het geloof van Abraham en halen hier de uitspraak van Paulus in Rom. 4 : 19—21 aan, welke hier evenwel slechts ten deele op hare plaats is; zij meenen, dat het lachen van Abraham een ander dan dat van Sara geweest is. Intusschen komt de uitspraak van Paulus het best uit in de handeling, waarbij wij ook van Sara lezen, Hebr. 1 1 : 1 1 : „Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen om zaad te geven", in het Grieksch: tot grondvesting van een zaad. Ik zou hier liever de uitspraak des Heeren aanhalen : „Abraham, uw vader, is verheugd geweest over Mijnen dag, en hij heeft hem gezien en is verblijd geweest". Wie kent dit laehen, dan die het k e n t ? Voorzeker de nieuwe uitleggers niet, die hier goddeloos te werk gaan en eenen anderen berichtgever verzinnen, eenen Elohist. Het is een lachen der vreugde over hetgeen de Heere zegt, en te gelijk een lachen der troosteloosheid, naardien men van de zijde van het zichtbare, van de zijde des vleesches niets dan onmogelijkheid voor zich heeft. Daar is dan nu een v o o r en een t e g e n . En wat kan het vleesch nu anders, ik en gij, in zulk eenen strijd, dan aanbidden en lachen, waar wij het gaarne hooren, maar ook gaarne zouden hebben, wat God belooft, en waar dan het hart eenen mensch de onmogelijkheid voor oogen houdt? Ja, wat komt daar in het hart des menschen op? De volle lofprijzing Gods, of het eene „maar" na het andere: „Maar hoe is het mogel i j k ? " of: „Er is toch geen denken aan, dat het waar kan zijn, wat Gij zegt". Ja, zoo vinden wij het altemaal bij ons: „ Z a l e e n e n , d i e h o n d e r d j a r e n o u d is", zal mij, eenen zondaar, als ik b e n . . . . ? En ware Sara nu nog j o n g , dan zou ik zeggen: Welaan, ik kan nog nieuwe kracht verkrijgen ; maar Sara is immers negentig jaren oud. Ziet gij ? de bijkomende omstandigheden maken nog onmogelijker, wat op zichzelf reeds onmogelijk is! Geen van de heiligen des Ileeren gedraagt zich beter dan Abraham. Of wat heeft de priester Zacharias (zie Luk. 1) van Abraham geleerd? Wij gelooven, Heere, kom onze ongeloovigheid te hulp! Leerden wij dit slechts van Abraham, dat hij althans zijne tong voor den Heere in toom hield.
O, hoezeer zijn wij menscheu geneigd den loop der Goddelijke goedertierenheid en genade, hoezeer wij die ook voor ons begeeren, te vertragen, en hoe verstaan wij zoo ganschelijk niet, wat wij bidden. De ledematen van den ouden strijder zijn stram, als bij Abraham, hij wil niet gaarne meer opnieuw in den krijg; en wat wij tot hiertoe voor goede werken gehouden hebben, dat willen wij tot op het laatste toe als zoodanig handhaven. „Wat moet er dan van al mijn doen worden? geldt dan voor God niet, wat bij ons zoo veel geldt ? Laat mij toch mijnen vrede; laat mij toch mijne werken! Ontneem mij niet het eenige, dat ik nog heb", — zoo zijn onze gedachten. In dezen zin vatten wij ook de bede van Abraham op, die nu volgt.
Vers 18. En A b r a h a m z e i d e tot G o d : O c h , d at I s m a ë l m o c h t l e v e n v o o r Uw a a n g e z i c h t ! Abraham wil dus ditmaal niet weten van hetgeen God hem belooft; hij heeft zóó lang gewacht, zóó lang gestreden, zóó lang aan Gods belofte: „De zoon, die uit uw lijf voortkomen zal, zal uw erfgenaam zijn", vastgehouden ; zes en tachtig jaren was hij oud geworden, en nog had Sara hem niet gebaard; Sara had zich intusschen uit de dienstmaagd gebouwd, opdat de belofte waar mocht worden, — niet uit boozeu lust was Abraham tot Ilagai' ingegaan; uit Ilagar had Abram nu eenen zoon, die was immers uit zijn eigen lichaam voortgekomen! Thans hoort hij echter nog van eenen anderen zoon. Is Ismaël dan de zoon der belofte niet? is hij niet een kind, een werk des geloofs? Moet Abram dien nu als voor God dood, als een voor God dood werk aanzien? moet hij hem voor God prijsgeven, alsof hij nog in 't geheel geenen zoon, alsof hij niets heeft, nog niets voortgebracht heeft? En zal hij nu, negen en negentig jaren oud zijnde, nu hij leven, kracht nocli lust meer in zich waarneemt, en Sara bovendien zóó oud is, dat zij toch niet meer ontvangen of baren kan, — zal hij nu vannieuws den zwaren strijd des geloofs strijden? Zal hot voor do honderdste maal bij hem op leven en dood gaan? II jj is nu 13 jaren lang, ofschoon hij daarbij veel bitters uitgedronken heeft (zie lloofdst. 10:5 en 0), met Ismaël tevreden geweest, wil zich ook gaarne langer met hem vergenoegen, — mocht God nu ook maar met hem tevreden zijn! Hij bidt, dat het met Gods raad moge bestaan, dat Ismaël niet verworpen worde, maar veeleer de erfgenaam van den zegen moge zijn!
Vreemdsoortig gebed! Abraham verwierp daarmede de belofte, de erfenis voor zieh en zijne nakomelingen niet; hij verwierp de zaligheid der volkeren niet, die in hem zouden gezegend worden. Maar hij bad, dat het met Gods raad mocht bestaan, dat dat alles uit Ismaël mocht voortkomen. Zoo vast blijft zelfs de allerheiligste op zijne goede werken staan, wanneer hij liet er voor houdt, dat hij zo in en met God gedaan heeft, en toch zijn zij uit het vleesch voortgekomen ! En indien de allerheiligste alzoo doet, hoe veel te meer de onheilige en onreine, die zijne werken, welke God niet bevolen heeft, tot grond zijner heiliging stelt? Waar toch had God bevolen, dat Abram zicli Ilagar ter vrouwe nemen zou, of dat de vrije vrouwe zich zou laten bouwen uit eene dienstmaagd? — Zulk eenen grond in een menschelijk hart om te keeren, dat vermag alleen de Almachtige. Alleen de alvermogende genade kan den mensch genezen van zijne vreeze voor de genade, waarbij hem als grond alles ontnomen wordt, waarmede hij tot hiertoe ingenomen was, waarmede hij tevreden was, waarop hij zijne hoop gesteld had. God de Ileere evenwel toornt niet tegen Abraham vanwege zijn gebed. God heeft Zich toch voorgenomen Zich aan Zjjnen dienstknecht in Zijne gansche goedertierenheid te openbaren. Daarbij zal zijn gebed ook verhoord worden, zij het ook niet op de wijze, zooals Abraham zich voorgesteld heeft.
Vers 19. En God zeido: V o o r w a a r , Sara, uwe h u i s v r o u w , zal u eenen zoon baren. Dit „voorwaar" stelt het gebed ter zijde, gelijk Abraham het bedoeld had, en is een „voorwaar" uit den mond Gods tot bevestiging, dat het anders komen zal. Het is iets boven bidden en denken. Abraham zeide: Zal mij, honderd jaren oud zijnde, een zoon geboren worden, en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren? Dat zeide hij in zijn hart, en God antwoordde luid: „Voorwaar, Sara, uwe huisvrouw, zal u eenen zoon baren". Niet een kind, eene dochter wellicht, maar eenen zoon. Wat God samengevoegd heeft, dat scheide de mensch niet: „Uwe huisvrouw", ofschoon negentig jaren oud. De man zal zijne vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vleesch zijn. Scheidde niet Sara, in de zaak met Ilagar, zich van haren Abraham, van zijn vleesch? Was dat geene eigenwilligheid? was het op Gods gebod, dat die beiden, die toch door God samengevoegd waren, van elkander gingen, om zoo tot stand te brengen, wat God wilde, wat Hij beloofd had te geven en te voorschijn te brengen? O, hoe waar is het toch, dat het niet is desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods! Neen, het is niet oen wandelen naar den Geest, maar in het vleesch, als wij met het gebod: „doe dat", of met eenen zoogenaamd evangelischen raad d a t g e n e tot stand willen brengen, wat alleen de genade doet, en waartoe zij ons eerst herscheppen zal.
Slaan wij de geschiedbocken der menschlieid, slaan wij de kerkgeschiedenis op, zoo is dit de ervaring: de mensch treedt buiten zijne gewone betrekkingen, waarin God hem gesteld heeft, uit de gewone wegen, waarin God alleen het tot stand brengt en tot stand brengen kan, knoopt andere betrekkingen aan, baant zich eenen bijzonderen weg om Christus te gewinnen of veeleer om zich te heiligen en tot stand te brengen, wat de Wet wil, en houdt zelfs met tranen en gebeden de genade verre van zich, die toch alleen hem zalig maken kan. Mocht Gode slechts datgene behagen, wat hij met zooveel moeite en opoffering te voorschijn gebracht heeft! Daartegenover zien wij de alvermogende genade, die op haren eigenen tijd uitwerkt, wat zij zich voorgenomen heeft, in den weg, waarin God de dooden levend maakt en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren. (Rom. 4.) Houden wij ons toch steeds do vraag des Ileeren voor: „Zou iets voor den Heere onmogelijk zijn? „Voorwaar, Sara, uwe huisvrouw, zal u eenen zoon baren", dat wil in de toepassing op het leven des geloofs zooveel zeggen als Paulus'woord: „Indien degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zoo is het geloof' ijdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan. De beloftenis is aan Abraham en zijn zaad niet vervuld door de wet, maar door de rechtvaardigheid des geloofs". En wederom: „Want de Wet des Geestes des levensin Christus Jesus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zondeen des doods. Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vleesch krachteloos was, heeft God, Zijnen Zoon zendende, gedaan". Ismaël was een kind, een werk der wet, een werk des vleesches, en in het werk des vleesches is geene gerechtigheid, want het is niet uit God, niet door het geloof. De rechtvaardigheid, die voor God geldt, en in welke de mensch alleen rechtvaardig is, was in den Zoon, Dien God komen liet, in Christus Jesus, en deze Zoon kwam in de beloftenis in den zoon, dien God aan Abraham beloofde ; of als de Ileere in het volgende Hoofdstuk belooft: „lieden over een jaar zal Ik wederkomen" (omtrent dezen lijd des levens, lloofdst. 8 : 10), zoo kan dat niet anders verstaan worden, dan dat Hij in Izak wedergekomen is.
G i j z u l t z i j n e n naam noemen I z a k . Izak beteekent: hij lacht. Abraham is den Ileere gehoorzaam geweest en heeft den zoon, dien Sara hem gebaard heeft, bij zijne besnijdenis Izak genoemd. Die naam klinkt werkelijk belachelijk, en het schijnt eene dwaasheid, aan eenen zoon en nog wel aan zulk eenen zoon eenen zoodanigen naam te geven. Zoo de Heere daarmee zinspeelt op Abrahams lachen, voor zooverre het zondig was en ten deele uit twijfel voortkwam, dan bleef de naam steeds eene verootmoediging voor Abraham, alsook voor Sara, en er was toch iets verheffends in den naam, het verheffende van het „nochtans". Bij zulk eenen naam behoort de •waarheid van hetgeen Paulus schrijft: naar zijne barmhartigheid maakt Hij ons zalig. Beschouwen wij den naam met betrekking tot Izak in dezen zin, dat men hem bespot heeft, gelijk Ismaël deed, volgens Hoofdstuk 2 1 : 9 , zoo ligt in den naam uitgesproken, wat Paulus van Christus, den Zone Gods, schrijft, dat Hij den Joden eene ergernis, en den Grieken eene dwaasheid is, en dan is reeds in den naam voorspeld het lijden, de miskenning van Christus en de vervolging, al Zijnen leden aangedaan, zooals Paulus in Gal. 4 : 29 schrijft naar aanleiding van Gen. 2 1 : 9 : „Gelijkerwijs toen, die naar het vleesch geboren was, vervolgde dengene, die naar den Geest geboren •was, alzoo ook nu". En wat verhindert ons, daar Izak in het Woord Gods tot de eeuwige heerlijkheid ingaat, bij het noemen van den naam aan de eeuwige overwinning te denken, •die behaald wordt op allen hoon en smaad, waarmede door de "wereld alle werken Gods bedekt worden. De Heere geeft genade en eere. Waarom schreef Paulus: „Ik schaam mij des Evangelies van Christus niet"?
E n Ik zal Mijn V e r b o n d met h e m o p r i c h t e n, i t o t een e e u w i g Y e r b o n d , z i j n e n z a d e na hem. Derhalve niet met Ismaël, niet met dengene, die naar het vleesch geboren is, richt God Zijn Yerbond op, maar met dengene, die naar den Geest geboren is. Gods genadeverbond is een Yerbond der genade, en daar komt alles uit de beloftenis voort, welke geloofd wordt. God richt Zijn Verbond op met dengene, dien Hij uit dooden te voorschijn geroepen heeft. Is dit Verbond alleen aan Izak verbonden, zoo is het ook met Izak opgehouden. Izak draagt evenwel hier den persoon van •Christus; wat Izak betreft, hij moet sterven, maar het Verbond sterft niet; het duurt na Izak van geslacht tot geslacht. Christus was in Izak; met Hem maakt God het Verbond; het werd door den dood van Christus tot een eeuwig Verbond voor het zaad van Christus, dat eeuwig is, gelijk het Verbond eeuwig is, zooals wij lezen in -Jes. 53: „Als Hij Zijne ziel tot •een schuldoffer gesteld zal hebben, zoo zal Hij zaad zien". Zoo legt de Apostel zulke uitspraken, die van Izak gedaan zijn, van Christus en Diens zaad uit: „In Izak zal u het zaad genoemd worden, d. i. niet zij zijn kinderen Gods, die naar het vleesch kinderen zijn, maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend. Want dit is het woord der beloftenis: Omtrent dezen tijd zal Ik komen, en Sara zal eenen zoon hebben". (Rom. 9.) Is het woord van Gen. 18: 10 een woord der beloftenis, zoo is dan ook het woord, dat in onzen tekst voorkomt, een woord der beloftenis. Ook schrijft Paulus in Gal. 8 : 17, dat God het Testament, het Verbond, waarvan hier sprake is, te voren bevestigd heeft op Christus, en in Vers 16, dat Christus het Zaad van Abraham is. De geloovigen zijn het zaad van Christus, zooals in Psalm 110 geschreven staat: „Uit de baarmoeder des dageraads zal u de dauw uwer jeugd zijn", zullen Uwe kinderen geboren worden, en voor hen is het een eeuwig Verbond, volgens Jes. 54 : 10: „Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het Verbond Mijns vredes zal niet wankelen". En van Christus luidt het in Psalm 89: „Ik zal Hem Mijne goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn Verbond zal IIem vast blijven. En Ik zal Zijn zaad in eeuwigheid zetten en Zijnen troon als de dagen der hemelen". En voorts valt op aanbiddelijke wijze in dit Vers op te merken, dat God zoo in goedertierenheid tot het zaad afdaalt, om aan hetzelve met duidelijke woorden 'eenvoudig en bepaald Zijne gedachten te openbaren, zoodat zelfs de dwazen niet zullen dwalen. (Jes. 35 : 8.)
Vers 20. En a a n g a a n d e I s m a ë l heb Ik u verh o o r d . Ismaël wordt hier met eenvoudige woorden van den toekomstigen zoon onderscheiden, en het wordt aangekondigd, dat hij een kind des vleesches is; hem worden de vergankelijke goederen dezer wereld rijkelijk toegedeeld. Maar wat gemeenschap heeft het werk des vleesches, dat uit onzen wil, uit onze kracht voortkomt, met het werk Gods, met het werk Zijner almachtige genade ? Ismaël, voor zooverre de geschiedenis daar van hem melding maakt, zal van het Verbond der genade niets hebben. Maar om des vaders wil, die voor dezen zoon bidt, zal hij koninklijk gezegend zijn. Ismaël op zichzelven werd daarom niet van de genade des eeuwigen levens uitgesloten, hij werd in het Verbond, dat God met Izak gemaakt heeft, door de besnijdenis opgenomen, en wij twijfelen er niet aan, of God heeft hem van zijne spotternij bekeerd en nog in genade vanwege Zijn Verbond opgenomen. Doch in zijn leven heeft hij misschien niet veel van de genade gesmaakt. Door Gods zegen is hij rijk en machtig geworden; wat God te voren beloofd heeft, is aan hem vervuld. Wij lezen zulks in Hoofdstuk 25 tot een getuigenis, hoe waarachtig Gods Woord is. Uit dien zoon zijn geheele volkeren geworden, bijv. de Nabatheërs en de Kedarenen. Het wekt onze verbazing, hoe de toezegging bewaarheid is: Ik zal hem zeer vermenigvuldigen. Daarvan deelen ons de Heidensche aardrijkskundigen, als Strabo en Stephanus, zeer groote dingen mede. En hoe ver verspreid, hoe rijk en machtig en bijna onoverwinnelijk en onbedwingbaar zijn nog heden de van Ismaël afstammende Arabieren! Zoo verkrijgen onze werken, die in zichzelf geenszins goed waren, eene genadige verschooning en aanneming bij God, en vinden hunnen zegen en hunnen loon uit genade.
Tot onzen troost ontdekken wij dus, dat God het gebed van geloovige ouders ook voor het aardsche welzijn hunner kinderen verhoort, als Hij wil, al begenadigt Hij ook het eene kind niet gelijk het andere met de belijdenis Zijns Naams; te gelijker tijd hebben wij hier eene leering, dat God de kinderen Zijns Verbonds te voren en langen tijd moeilijke wegen laat bewandelen, zoodat het bijna schijnt, alsof niet Izak en diens zaad de gezegenden des Heeren zijn, maar Ismaël en zijne kinderen. Toen Ismaël het hoofd nederlegde, had hij een aantal zonen, naar het getal der zonen van Jakob, en hij liet elk dier zonen in vorstelijke pracht en macht en heerlijkheid achter omstreeks den tijd, toen Jakob, de kleinzoon van Abraham, naar Mesopotamië vluchten moest, om aldaar twintig jaren lang Laban te dienen. Voorts blijkt uit dit Vers, dat de vorsten der volken i niet bij toeval zijn, maar dat het zoo is, als Paulus sclirjjft, Rom. 1 3 : 1 : „Er is geene macht, dan van God, en de machten, die er zijn, zijn van God verordend"; dat vorsten en volkeren, hoven en steden ontstaan, gelijk het in Gods raad te voren bepaald is; „God heeft uit éénen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt, om op den geheelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden, te voren verordend, en de bepalingen van hunne woning". (Hand. 17: 26.) Blijf daarom in het land en voed u met uw bescheiden deel, en wees tevreden met de plaats, waar God u gesteld heeft, en trek niet zonder Hem op. Yan Hem komen de zegen en dc vergenoegdheid, en van geene plaats ter wereld.
Vers 21. Maar -Mijn V e r b o n d zal Ik met Izak o p r i c h t e n , dien u Sara op d e z e n g e z e t t e n tijd in hot andero jaar baren zal. Uit den zegen, dien God aan Ismaël gaf, moest het Abraham blijken, dat het Verbond niet Izak van eeuwige dingen, van de eeuwige zaligheid sprak, en Abraham heeft zulks ook wel verstaan. Paulus schrijft Ilebr. 11: „Deze allen hebben de belofte van verre aanschouwd", en zij zouden zonder ons niet volmaakt zijn. Zoo is dan de volmaking van Abraham en onze volmaking in Christus. God echter herhaalt het, wat Hij zooeven gezegd heeft, om het Abraham des te beter in te scherpen. Zulke herhalingen schijnen bijna kinderachtig. Maar hoe vaak moet het ons niet herhaald worden: Hoe zijt gij rechtvaardig voor God? Overigens alles op Gods tijd en ure, ook het ontvangen en geboren worden. En daar helpt het niet, of men vrij wil blijven van den strijd des geloofs ook in het huiselijk leven, in den huwelijken staat.
Vers 22. En Hij e i n d i g d e met hem t e s p r e k e n ,— voor ditmaal; spoedig zal Hij wederkomen, en dan zal Sara het meteen vernemen. En God voer op van Abraham. Wij hebben daaruit niet af te leiden, dat Abraham eene lichamelijke gestalte gezien heeft; veeleer is God bij hem tegenwoordig geweest voor do oogen des geestes, en heeft hij de woorden te gelijk met de ooren zijns harten gehoord. En aan den klank der laatste woorden nam hij waar, dat God van hem opvoer. Er ligt in dit Vers een machtige troost voor allen, die er mede verwaardigd worden, dat God hen met eene krachtige onderwijzing bezoekt en als het ware overstroomt, en die dan ondervinden, dat Zijne leering zoo plotseling ophoudt, en dan aangevochten worden, als ware hetgeen zij ervaren hebben, niet van God geweest. Abraham moest nu zonder bijzonder licht of bestraling van Boven, met den staf van het gehoorde woord zijnen weg verder vervolgen.
Vers 23. Toen nam Abraham z i j n e n zoon Ismaël en al de i n g e b o r e n e n van z i j n huis en alle gek o c h t e n met zijn g e l d , al wat m a n n e l i j k was onder de l i e d e n van het huis van A b r a h a m , en li ij b e s n e e d het vleesch hunner voorhuid, even ten z e l f d e n dage, g e l i j k als God met hem g e s p r o k en had. Hier vernemen wij, wat het Woord Gods uitgewerkt heeft en uitwerkt. Van dit oogenblik af geene twijfeling of bedenking meer, geen uitstel, geen Ja maar" meer. Dadelijk zien wij Abraham gehoorzamen Hier komen de ware goede werken. Op denzelfden dag besnijdt hij zijnen zoon Ismaël, vooraf zichzelven, en al wat in zijn huis was. Gelijk God hem gezegd had, alzoo deed hij.
Vers 24. En A b r a h am was oud n e g e n en n e g e n t ig j a r e n . . . Zijn hooge leeftijd wordt bij herhaling aangegeven, opdat wij leeren, hoe de geloovigen zelfs het lichaam niet sparen, noch het doodsgevaar schuwen, als zij een bepaald gebod van God hebben, een gebod, hetwelk God somwijlen door Zijn Woord rechtstreeks of ook door de omstandigheden den Zijnen op het harte bindt. Als hem het vleesch z i j n e r v o o r h u i d besneden werd. Het behoeft dus niemand stof tot laffe spotternij te geven, hoe er zoovelen op eenen dag besneden konden worden. Daartoe kan Abraham immers eenige mannen uitgekozen hebben. Of zou men meenen. dat in zulk een groot gezin de heelkunst niet door meerderen uitgeoefend werd ?
ers 25. En Ismaël, zijn zoon, was d e r t i e n j a r en oud, als hem het v l e e s c h z i j n e r v o o r h u i d besneden werd. Dewijl Ismaël op dertienjarigen leeftijd besneden werd, besnijden de Arabieren hunne zonen, als zij dertien jaren oudzijn. Van waar hebben zij het, dat Ismaël toenmaals dertien jaren oud was, indien niet uit de Heilige Schrift? Maar staat dan daar geschreven, dat zij het daarom ook zouden doen ? Zegt niet do Schrift: ten achtsten dage? Zoo ontleenen velen aan de Schrift, wat zij eigenwillig drijven, en veronachtzamen en versmaden de duidelijke letter. Ismaël echter onderwierp zich, en daarvoor was hij oud genoeg, om zich aan de achterstelling bij den zoon der belofte te onderwerpen.
Vers 26. Even op dezen z e l f d e n dag werden zij allen besneden; dat is een feit en te gelijk eene voorzegging of profetie, die de Profeet Zacharia weder opneemt, Hoofdstuk 3 : 9 , zeggende: „Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op éénen dag wegnemen". Denken wij meteen aan het „eenmaal" van den Apostel in llebr. 9: 12: „Christus is eenmaal ingegaan in het heiligdom, eene eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende". Deze dag was als een Pinksterdag. Op denz e l f d e n dag werd Abraham besneden en Ismaël, z i jn zoon. O, de God der barmhartigheid, Hij scheidt hier den vader niet van den zoon.
Vers 27. En alle mannen vin zijn huis, de ing e b o r e n e n des h u i z e s , en de g e k o c h t e n met geld,, van den vreemde af, werden met hem besneden. Waarom wordt dat hier herhaald? O, dat mag wel tweemaal gezegd worden, dat liet werkelijk zoo gekomen is, dat God, Die het bevel gegeven heeft, aller hart, van den heer zoowel als van de dienstknechten, heeft gewillig gemaakt, om zich aan zulk eene gevaarlijke en smartelijke handeling te onderwerpen, dat niemand zich aan het bevel Gods en aan de prediking van Abraham geërgerd heeft, of die als vernederend en schandelijk voor den man geacht heeft. Ziedaar ééne Gemeente, deze Gemeente in het huis van Abraham; gelijk de heer, zoo de knecht Alzoo is het in het huis van Abraham toegegaan. Dat hebben toenmaals alle knechten gedaan, hoe weinig licht zij ook toenmaals hadden. — Met hem werden zij besneden, ja, met den vader aller geloovigen. Het ging daar in het huis van Abraham dus evenals in Gal. 3 : 9 geschreven staat: „Zoo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met den geloovigen Abraham", waarvan de grond ligt in hetgeen Paulus Ef. 2 betuigt van Christus: „God heeft ons, ook toen wij dood waren door de misdaden, levend gemaakt met Christus, en heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jesus". (Zie ook Rom. 6 : 3 en 4.) Volgen wij hun na, wij, die met het volle licht des Evangelies van Jesus Christus begenadigd zijn, zoodat wij, waar Gods Woord en gebod uitgaat, ons verstand en onzen lust aan Gods wil onderwerpen. Immers daartoe staat het geschreven, bij herhaling geschreven. Eu dragon wij de voortduroude besnijdenis aan ons vleesch in allerlei lijden dezes tjjds met geduld ! Blijve slechts Christus onze hoop, want Hij komt, ja Hij komt! Amen, ja kom, Heere Jesus!
1865. H. F. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 september 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Aanteekeningen op Genesis 17. (Vervolg en Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 september 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken