Bekijk het origineel

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

9 minuten leestijd

Hoofdstuk XIII.
Christoffel Molitor.


Reeds in het jaar 1652 kon men in de Keurpalts uit kerkelijk oogpunt weder van geordende toestanden spreken, zij het ook, dat in stoffelijk opzicht het land nog de gansche eeuw door uit de wonden bloedde, die het door den langdurigen krijg bekomen had, ja zelfs tot op den huidigen dag in vele streken van Duitschland de sporen van dien oorlog nog niet zijn uitgewischt. Wat rechter aan den wederopbouw van het jammerlijk vervallen kerkelijk leven hier te lande het meest bevorderlijk was, dat was de goede, zuivere leer der Gereformeerde Kerk, die in onze dageu ongelukkigerwijs zoo dikwijls, zonder eenige rechte kennis omtrent die leer, als doode orthodoxie wordt geminacht. Tegenwoordig, nu er ten aanzien der leer op de meeste plaatsen willekeur lieerscht, poogt men tevergeefs door allerlei vereenigingen en zoogenaamde Christelijke werkzaamheden, door majestueuse bedehuizen, kerkmuziek en al dergelijke dingen meer, de breuken des lands te genezen, „want het wankelt". (Zie Ps. 60 : 4.) Ja vruchteloos is dat pogen, want het geldt ook hier: „Tot de Wet en tot de Getuigenis!" Zonder het Woord moet alles jammerlijk te gronde gaan. Hoofdzaak is, dat er trouwe predikers in het land zijn, die het Woord Gods gelooven en onderwijzen, en het zuiver prediken. Dat was in dien tijd het geval. Ook het naburige Oppeuheim ontving, nadat de oude predikant Lang in het jaar 1652 gestorven was, wederom eenen even waardigen zielenherder in den persoon van Filips Constantijn van Eisen, vroeger predikant te Sonsbeck en laatstelijk te Rees, en in don Bovenpaltser Johan Georg Miiller, eenen waardigen diaconus of tweeden predikant. Eisen, die vroegtijdig stierf, werd als inspector opgevolgd door Jakob Zaunius. In het jaar 1654 werd als tweede predikant te Oppenheim beroepen Christoffel Molitor of Müller, geboortig uit Herborn, die op den 18J*n September van hetzelfde jaar, te gelijk met den jongen diaconus Johan Jakob Löffler, eenen zoon van den Elberfelder predikant van dien naam, door den inspector Zaunius, onder bijstand van Hartung en van eenen anderen in de nabijheid wonenden ambtsbroeder, plechtiglijk tot zijn dienstwerk bij de vergaderde Gemeente werd ingeleid.
I n zijne predikatie verhaalde Molitor, een bijna zeventigjarig grijsaard met zilverwitte haren en een eerwaardig voorkomen, onder diepe ontroering en met den innigsten dank aan God, Die ook hem uit zoo menigen nood gered had, wat hij gedurende den langen, kommervollen tijd, die nu gelukkig weder achter hem lag, ter oorzake van de Gereformeerde belijdenis had moeten uitstaan. Nadat hij verscheidene jaren aan het paedagogium zijner geboortestad Herborn en te Siegen als leeraar werkzaam geweest was, had de Heere God hem in Zijne genade in het j a a r 1617 aan de school te Iiamm in Westfalen doen beroepen, maar reeds een jaar later zijnen vurigen wensch, om Hem in Zijnen wijngaard als een verkondiger des Woords te mogen dienen, vervuld, doordien Hij hem als predikant naar Nordenstadt leidde, in het sedert 1608 aan landgraaf Maurits van Hessen-Kassei toebehoorende gebied van Eppstein. Behalve Nordenstadt bevonden zich in don toenmaligen tijd nog als hoofdplaatsen en groote Gereformeerde Gemeenten binnen deze heerlijkheid : Wallau, Eppstein, Lorsbach, Langenhain en Oberliederbach. Zeven jaar was Molitor aldaar werkzaam in de bediening van het leeraarsambt. Toen echter in het jaar 1624 deze heerlijkheid aan landgraaf Lodewijk van Hessen- Darmstadt overging, werden al de dienaren van Kerk en School onbarmhartig verdreven. „Toen moest ik", zeide Molitor, „nadat ik tot hiertoe met betraande oogen al de ellende van den oorlog bij ervaring had moeten leeren kennen, en allerlei verlies had moeten lijden, nu ook nog veel hardere dingen ondervinden: ik werd met vrouw en zes kleine kinderen uit het land gejaagd en der ellende prijsgegeven, terwijl ik niets anders medenam dan dit witte stokje. Dat was evenwel nog geen ellende genoeg, want toen de Doorluehtigste Vorst en Heer, landgraaf Maurits, mijn Genadigste gebieder, mij eenige maanden later wederom goedgunstiglijk eene bediening schonk, en wel te Biirstatt in liet nedergraafsohap Catzenelnbogen, bij Langenschwalbach gelegen, verjoeg de landgraaf van Darmstadt mij andermaal ter oorzake der zuivere leer van Gods heilig Woord, zoodat hij mij in den tijd van drie jaar tot tweemaal toe uit mijn dienstwerk ontzette, en mij nu met dit witte stokje wegjoeg met mijne vrouw en zeven kleine kinderen, éénig en alleen omdat ik ongezind was, mijn hoofd onder het Luthersche juk te buigen."
Met erkentelijkheid verhaalde hij, hoe nu de broeders te Keulen en te Wezel met rijke gaven der broederliefde zieh over hem ontfermd hadden, en hem al spoedig weder een onderkomen als leeraar in de wijsbegeerte te Herborn ten deel gevallen was. De groote nood der hoogeschool aldaar in die jaren, toen verscheidene harer professoren te haren behoeve collectereizen langs den Beneden-Rijn en door de Nederlanden ondernamen, had hem echter na verloop van weinige jaren genoodzaakt, eene aanstelling tot predikant, verbonden met het inspectoraat, te Kirchberg op den Hunsrücken, in de Keurpalts gelegen, aan te nemen. Doch ook herwaarts vonden de ruwe stormen dier dagen hunnen weg, toen, na eene kortstondige rust onder Zweedsche bescherming, Gallas, de keizerlijke veldheer, in het jaar 1635 met zijne totaal verdierlijkte oorlogsbenden de Palts verwoestte. Er was toen ternauwernood meer een decreet noodig, zooals dat, hetwelk den Ié'1"1 November van het genoemde jaar werd uitgevaardigd, bevelende^ dat alle Calvinistische en Luthersche predikanten, met hunne vrouwen, kinderen en dienstboden, moesten uit het land gebannen worden. De zucht tot zelfbehoud verdreef hen reeds, wanneer zij zich niet wilden blootstellen aan pijniging, verkrachting en eenen wreedaardigen dood. Molitor vluchtte met de zijnen naar de Nederlanden, het land, dat destijds op zoo vriendelijke wijze al den verjaagden dienaren Gods uit de Duitsche landen, met name den Gereformeerden Paltsers, Hanauers, Nassauers, Solmsers e. a. eene broederlijke hulp en huisvesting verleende. Ilij werd hier benoemd tot rector aan de school te Ivftmpen. „Zoo zorgde de Heere, die rijk aan genade is, voor zijnen armsten en onwaardigsten dienaar", — dus betuigde Molitor met diep ontroerde stem voor de met gespannen aandacht naar hem luisterende vergadering, — „en schonk Ilij mij en den mijnen een tweede vaderland, in eenen tijd, toen de Duitsche landen in den grootsten nood verkeerden. En welk eene broederliefde ik daar genoten heb, en aan al de deelgenooten mijner ballingschap heb zien bewijzen, dat kan ik met mijn gebrekkig woord niet genoegzaam roemen. De Heere zegene onze Nederlandsche broeders en hunne late nakomelingen overvloediglijk voor alles, wat zij ooit aan ons, arme verdrevene lieden, gedaan hebben, naar Zijn woord: „Voor zooveel gij dit één van deze Mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat Mij gedaan". (Matth 25 : 40.) Gaarne zou ik daar gebleven zijn, wanneer ik niet te krachtig des Heeren roepstem in de beroeping door den hoogwaardigen Paltsisclien kerkeraad te dezer plaatse vernomen had. Toen mochten de vele bezwaren, die ik zelf wegens mijnen leeftijd had in te brengen, mij niet weerhouden, en moest ik, gewillig gemaakt door Hem, Die het willen en het volbrengen geeft naar Zijn welbehagen, met den Profeet uitroepen : „Zie, hier ben ik, zend mij henen!" (Jes. 6 : 8.) En nu weet gij het een en ander omtrent mij, die u thans de vrije genade, welke ons arme zondaren gered en zalig gemaakt heeft in Christus Jesus, onzen Heere, met bijstand des Heiligen Geestes rein en zuiver zal trachten te prediken, zoolang het God behaagt. Ontvangt mij dan in liefde in uw midden als uwen dienaar!"
Na de predikatie vereenigden de predikanten zich aan eenen eenvoudigen maaltijd in de woning van hunnen voor het eerst opgetreden ambtsbroeder. Allen drukten hem de hand, en wenschten hem des Heeren genadigen bijstand toe in zijne bediening. In dit vertrouwelijk samenzijn deelden zij elkander vervolgens, ieder op zijne beurt, hunne wederwaardigheden gedurende de treurige oorlogsjaren mede, waardoor allen, die ze gelukkig te boven waren gekomen, destijds nog ten diepste in hun binnenste geroerd werden. Daarna ging het op een vragen over en weer, of deze en die nog leefde, en waar hij gebleven was. Ook onze Hartung, die ter linkerzijde van Molitor aan tafel zat, maakte van eene toevallige pauze in het gesprek gebruik, om hem verscheidene vragen te doen betreifende zulke reeds lang verdwenen bevriende ambtsbroeders.
„Is u, waarde heer en broeder, misschien ook iets ter oore gekomen omtrent den predikant Mag. Filips Nicolai, uit het llanauscho, die indertijd naar de Nederlanden gevlucht is?" vroeg Hartung. — „Ik herinner inij", antwoordde Molitor, „van Maarten Ileupel, predikant te Zevenaar, die uit Siegen geboortig is, eens gehoord te hebben, dat Nicolai — nadat hij van te voren in het Brandenburgsche en in Liefland eenigeu tijd het Woord Gods gepredikt had, — door bemiddeling van den voor de verbannen predikanten in de Nederlandeu zoo buitengewoon trouw zorgdragenden leeraar Kaspar Sibelius, te Deventer, predikant te Enkhuizen geworden is, vanwaar hij kort geleden naar zijn vaderland Hanau is teruggekeerd."
Zoo maakte Molitor ook nog gewag van eenige andere Duitschers, die hij in de Nederlanden had aangetroffen, o. avan den uit het Solmsche land geboortigen Justus Wilhelmus Leurelius, predikant te Lobith.
Hierna moest ook Hartung het een en ander omtrent zijne wederwaardigheden mededeelen, en hij deed dit onder vele verzuchtingen. Ach, hoe dikwijls had toch ook hij zich met de zijnen aan het uiterste gevaar naar lichaam en ziel blootgesteld gezien, en was hij, van al het zijne beroofd, aan de ellende prijsgegeven! Maar ook hij kon aan het slot van zijn verhaal slechts dank toebrengen aan zijnen trouwen God, Die hem bij al zijne zonden en zijnen zondigen aard, waarmede wij al ons leven lang te strijden hebben, op de handen Zijner ontferming gedragen had.
De ontmoeting te Oppenhei m werd het begin eener duurzame vriendschapsbetrekking. In het vervolg gingen beide mannen veel met elkander om, en menige zegen vloeide er voor beiden voort uit zulk een broederlijk samenzijn, want goed en liefelijk is het, dat broeders samenwoneu! (Ps. 133: 1)
Toen Molitor vele jaren later in de ruste van Gods volk werd opgenomen, riep Hartung hem met Davids woorden na: „Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jonathan!' (2 Sam. 1 : 26.) (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 oktober 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 oktober 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken