Bekijk het origineel

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 11 : 33—36. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 11 : 33—36. (Slot.)

11 minuten leestijd

G e l i j k de Apostel ons het vermogen ontzegt, om Gods oordeelen en wegen te verstaan en te beoordeelen, zoo ook het vermogen om met God samen te werken in de uitvoering van Z i j n e n eens ontworpen raad. De Apostel zegt daarom in het 34ste y e r a : W a n t w i e h e e f t d e n z i n d e s H e e r e n g e - k e n d ? Of w i e is Z i j n r a a d s m a n g e w e e s t ? Waarlijk, de Apostel mag wel v r a g e n : Wie heeft den zin des floeren g e k e n d ? wie heeft eenen blik geslagen in Gods hart? wie zoo Z i j n e eigenlijke bedoeling gekend en verstaan ? Wanneer een vader zijn kind kastijdt om zijne ongehoorzaamheid en zijn w e d e r s t r e v e n , verstaat dan het kind den zin, de eigenlijke bedoeling des vaders? Ach, dan gevoelt het slechts de straf, dan denkt het slechts aan toorn ; maar dat daarachter de innige, h a r t e l i j k e liefde des vaders schuilt, dat het de zin en de bedoeling des vaders is, zijn kind te behouden van den weg des verderfs, dat komt niet bij hem op. Toen de stem Gods in den hof werd vernomen: „ A d a m , waar zijt gij ? " en: „Hebt gij van dien boom g e g e t e n , van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?" — hebben toen onze eerste ouders den zin des Heeren gekend ? Ach neen, er was enkel handhaving van zichzelven, zij wilden zichzelven rechtvaardigen, en wisten niet, dat God in Zijne barmhartigheid k w a m , om op de puinhoopen van het door hen geschondene werkverbond een eeuwig verbond, een genadeverbond op te richten in het beloofde Vrouwezaad. Toen de stem des Heeren als het geluid eener bazuin van Sinaï werd vernomen, toen het als eendonder in de harten drong: „Gij zult! — gij zult n i e t ! " — en: ^ V e r v l o e k t is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der W e t , om dat te doen", — hebben zij toen den zin des Heeren gekend, Wiens doel het toch was, hen in waarheid voor eeuwig g e l u k k i g te maken? Ach neen, zij vloden weg voor het aangezicht des Heeren , en dachten niet anders, dan dat zij des doods waren. Toen God Jerusalem verwierp, en Zijn volk liet wegvoeren in de Babylonische ballingschap, wie heeft toen den zin des Heeren g e k e n d ? wie verstaan, dat bij al deze vreeselijke oordeelen het oogmerk en de bedoeling des Heeren was, een overblijfsel te behouden, waaraan Hij Zijne genade wilde verheerlijken? Wie heeft het v e r s t a a n , dat, toen God alle wijsheid, gerechtigheid en macht dezer wereld aan h e t kruis van Christus te schande liet worden, het juist Zijn zin, Zijne bedoeling was, door de zwakheid des kruises te behouden en zalig te m a k e n , wat verloren is? Of toen God Zijn volk verwierp en het der verharding overg a f , — wie heeft het verstaan, dat Zijne bedoeling, Zijn oogmerk daarmee was, uit steenen Abraham kinderen te verwekken , uit Heidensche volkeren Zich een volk te vergaderen tot lof en prijs Zijner genade?
V o o r w a a r , daarop is geen mensch uit zichzelven gekomen! Niemand heeft den zin des Heeren gekend, en zoo is ook niemand Z i j n r a a d s m a n g e w e e s t . Niemand heeft mede in Zijnen raad gezeten, niemand Hem geholpen, den raad des vredes vast te stellen. W a a r l i j k , zoo God naar menschen had willen luisteren, op hen acht had willen slaan, alles ware anders uitgekomen, en niet God was v e r h e e r l i j k t , m a a r ' s menschen wijsheid en de gerechtigheid des vleesehes. Daartoe kan alleen de raad des menschen leiden. En toch zoekt de mensch zich als het ware steeds Gode als raadgever op te dringen, wil God leeren en Hem voorschrijven, hoe Hij moet doen, welken weg Hij heeft in te slaan, hoe Hij het best het doel bereiken, Zijne Kerk bouwen zal; — maar Hij, Die in den hemel troont, lacht om dit bedillen van ons, kortzichtige dwazen. Hij laat niemand meêspreken in Zijnen raad, maar gaat rustig Zijnen gang. „ W i e heeft den Geest des Heeren bestierd", zegt Jesaia, Hoofdstuk 40 : 13 en 14, „en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen ? Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leeren van het pad des rechts ? en Hem wetenschap zou leeren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands?" En wel ons, dat Hij Zich door menschen niet laat raden, ons geen woord laat meespreken in Zijnen raad ! Geen mensch zou terechtkomen, geen mensch de zaligheid verkrijgen!
Of w i e h e e f t H e m e e r s t g e g e v e n , en h e t z a l h em w e d e r v e r g o l d e n w o r d e n ? (Yers 35.) Ach ja, dat zit zoo in ons, dat wij voortdurend meenen, Hem iets te kunnen geven, Hem iets te moeten geven, alsof God iets van ons zou verlangen of verwachten. Daarop loopt alle theologie des vleesches uit, daarop de gansche leer der Roomsche Kerk. Daarin openbaart zich dan ook het allermeest, dat niemand den zin des Heeren heeft gekend. Wij meenen, dat God iets van ons wil hebben, terwijl Hij integendeel ons alles wil schenken. Waren wij het, die het eerst naar God omzagen, of heeft Hij niet integendeel naar ons omgezien en Zich over ons ontfermd ? Hebben wij God eerst liefgehad, of was niet Zijne liefde de eerste ? W ij denken, dat wij Gode offer moeten brengen, terwijl H i j zegt: „Ik zal uit uw huis geenen var nemen, noch bokken uit uwe kooien". (Ps. 50 : 9.) Een David wil den Heere een huis bouwen , maar de Heere zegt: Neen, omgekeerd, Ik zal u een huis bouwen. En komen wij met de offers onzer handen, zoo plaatst Hij daartegenover het alleen geldige, eeuwig blijvende Offer, door Hem op Golgotha gebracht. — Wie heeft Hem eerst gegeven ? Hebben wij vóór onze bekeering Hem iets gegeven, zoodat Hij ons iets zou hebben kunnen vergelden? Het was immers alles zonde, alles onrein, alles bevlekt, alles opstand tegen Hem en Zijne genade, en God moest klagen: „Mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandofferen, en met uwe slachtofferen hebt gij Mij niet geëerd; Ik heb u Mij niet doen dienen met spijsoffer, en Ik heb u niet vermoeid met wierook. Mij hebt gij geenen kalmus voor geld gekocht, en met het vette uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gedrenkt; maar gij hebt Mij arbeid gemaakt met uwe zonden> gij hebt Mij vermoeid met uwe ongerechtigheden. Ik, Ik ben het, Die uwe overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet". God heeft van ons niets ontvangen. Zoo vóór de bekeering, — zoo ook na de bekeering! God moet dezelfde klacht weder aanheffen! Wat wij bezitten, is slechts zonde, en het goede, dat wij hebben, dat hebben wij van God ontvangen, — wij kunnen Hem dus niet te voren iets gegeven hebben, dat Hij ons zou moeten vergelden. Neen, wij kunnen God niet binden of verplichten, zoodat wij voor Hem op het een of ander recht zouden hebben; — Hij blijft vrij in Zijne genade, en al ons streven om Hem onzerzijds iets te geven, is vergeefsch, het zal ons nimmer gelukken.
Daarom vervolgt dan ook de Apostel in Yers 36: W a nt u i t H e m , en d o o r H e m , en t o t H e m z i j n a l l e d i n g e n. Eu daarmee wordt gansch en al uitgesloten, dat de mensch uit zichzelven ook maa>* het geringste zou kunnen bijdragen of geven, en alzoo medewerken. De verlossing, de zaligheid van het volk Gods is Gods werk geheel alleen; Hij begint het, Hij volbrengt het ook ; de gansche keten des lieils ligt in Zijne hand, van het begin tot het einde. Uit Hem is alles, gelijk in het rijk der natuur, zoo ook^in het Rijk der genade. Hij is de Grondoorzaak, de Oorsprong, de Bron van alles. Uit Zijne eeuwige liefde kwam het alles voort. Hij stelde den eeuwigen raad des vredes vast, toen eene verlorene wereld voor Hem in den afgrond lag, verloren door eigene schuld en overtreding, toen er geene mogelijkheid bestond, dat ook maar een uit haar uit zichzelven weder zou kunnen terechtkomen, weder met God verzoend zou kunnen worden. Hij heeft uit de gansche massa des verderfs van eeuwigheid Zijn volk verkoren, om aan hen Zijne genade, Zijne barmhartigheid te verheerlijken. Uit Zijn welbehagen alleen vloeide deze verkiezing voort, en die Hij zoo van eeuwigheid verkoren heeft, die heeft Hij Zijnen lieven Zoon gegeven, opdat Hij als hun Borg en Plaatsbekleeder alles voor hen zou volbrengen en voleinden. Uit Hemzelven was het, dat Hij Zijnen Zoon, Zijnen Eeniggeborene gaf en Hem liet komen in ons vleesch en bloed, Hem overgaf in den bitteren dood des kruises. En door Hem is alles, door dezen Zoon Gods, — door Zijne hand gaat het welbehagen des Heeren gelukkiglijk voort (Jes. 53 : 10), door Zijne hand alleen. Hij „zag toe, en er was niemand, die hielp"; zoo heeft Hij dan de pers van den toorn Gods alleen getreden. ("Zie Jes. 63: 3 en 5.) Zoo is Hij de middelijke Oorzaak. Door Hem alleen is er verzoening en genoegdoening, door Hem alleen een eeuwige grond des lieils en der zaligheid, door Hem alleen een opene toegang tot den troon der genade, vergeving van zonde, uitdelging van schuld en eeuwig leven, — ook daartoe heeft geen mensch uit zichzelven iets kunnen bijdragen, — „Hij heeft het alleen gedaan, door Zijne vleeschwording, door Zijne gehoorzaamheid, door Zijn lijden en sterven, totdat Hij aan liet kruishout uitriep: „Het is volbracht!" Door Hem is a l l e s .— En gelijk alles uit Hem en door Hem is, zoo is ook alles tot Hem , dat is tot Zijne eer, tot Zijne verheerlijking. Zoo keert het weer tot Hem of in Hem terug. Dat geschiedt door den Heiligen Geest, —door Hem, van Wien de Heere gezegd heeft: „Hij zal Mij verheerlijken", — door Hem, door Wien wij het „Abba, Vader" roepen, en Jesus eenen „Heere" noemen. Hij werkt het in hen, die de Yader den Zoon gegeven heeft, voor wie de Zoon aan het kruis betaald heeft, zoodat zij aan zichzelven vertwijfelen," maar in geloof de toevlucht nemen tot den Zoon, en door den Zoon tot den Yader, en, dewijl zij alles van Hem alleen ontvangen, ook God alleen geëerd en geprezen wordt voor alles, wat zij zijn, en hebben, en doen, het gansche leven door tot den laatsten zucht: „O God, wees mij arm zondaar genadig", en totdat zij eeuwig zullen zingen voor Hem, Die op den troon zit, en het Lam: „Lof, en heerlijkheid, en dankzegging, en eer, en kracht, en sterkte tot in alle eeuwigheid!"
Daarom: H e m zij de h e e r l i j k h e i d in d e r e e u w i g - h e i d , a m e n . Niet ons, o Heere! niet ons, maar Uwen Naam geef eer. Wij met al ons weten en verstaan, met al ons kunnen en willen zijn ondergegaan, maar Zijne macht, Zijne wijsheid, Zijne gerechtigheid, Zijne eeuwige trouw bestaat. Wij konden en kunnen Hem niet helpen , Hem niet tot eenen raadgever zijn, ja wij kunnen Hem niet eens verstaan of begrijpen in de regeering Zijner genade. Laten wij er daarom van af, en komen wij niet aandragen met onze wijsheid, die toch dwaasheid is, maar rusten wij in hetgeen God gedaan heeft in Christus Jesus, en geven wij Hem de eere! Amen. Daarbij zal het blijven. Waarachtig en zeker is Zijne belofte!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 oktober 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 11 : 33—36. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 oktober 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken