Bekijk het origineel

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

16 minuten leestijd

Hoofdstuk XV.
De Levensavond


Blijde gebeurtenissen in het menschelijk leven zijn als een vroolijke maaltijd in den gezelligen vriendenkring, waarvan de herinnering nog lang in de harten blijft voortleven. Zoo vormde ook het onverwachte bezoek in den zomer van 1660 in de pastorie te Nierstein nog lang het hoofdonderwerp van de gesprekken der huisgenooten, vooral toen de winter met zijne lange avonden aanbrak. Langzamerhand kwam men bij zulke gesprekken tot het besluit, om, zoodra het voorjaar was, de beide ooms te Ober- en Niederingelheim te bezoeken. En toen de eerste leeuweriken zongen, begaf de geheele predikantsfamilie zich op reis. Met eenen boerenwagen vertrokken zij naar Oberingelheim, waar oom Jeremias woonde, die hen met de zijnen hartelijk welkom heette. Aldaar ontmoetten zij ook zijnen schoonzoon, den predikant Johan Daniël Kreusler, met zijne vrouw Anna Katharina, die destijds lijdende was. Met groote bezorgdheid sloegen de ouders deze hunne dochter gade. „Gij ziet", zeide Jeremias Hartung tot zijnen broeder Johannes, „dat, hoezeer wij ons hier overigens ook tehuis gevoelen, de Heere God ook ons, evenals al Zijnen kinderen, het kruis heeft opgelegd. Wij mogen nooit vergeten, dat wij hier in de woestijn zijn, op reis naar het hemelsch Jerusalem. Daarom hebben wij hier ook nimmer eene volkomene blijdschap en zaligheid te verwachten.''
„Dat is waar", antwoordde Johannes hierop, „ik heb dat ook ruimschoots in mijn leven ondervonden, en ondervind het nog altijd; zoo word ik sedert eenigen tijd herhaaldelijk door jichtpijnen gekweld, wellicht een gevolg van al het lijden en den kommer in den langen oorlogstijd."
Eene aangename afwisseling in het gesprek vormde het reisverhaal van den jongen predikant Kreusler, die pas kort geleden naar Leeuwarden was geweest, ten einde Willem Frederik van Nassau-Dietz, stadhouder van Friesland en Groningen, te verzoeken om de vacant geworden predikantsplaats te Oberneissen. Jeremias Hartung had hem eenen brief aan den Prins medegegeven. Deze liet Kreusler over eenen opgegeven tekst prediken. De predikatie beviel Zijner Hoogheid zeer. „Onder dagteekening van den 12',e" April jongstleden", verhaalde de inspector Hartung met een van blijdschap stralend gelaat, terwijl hij den te voorschijn gehaalden brief van den Prins eerbiedig voor aller oogen ontvouwde, „schreef Zijne Hoogheid mij, dat hij zich de door mij in vroeger tijd aan het vorstelijk huis van Nassau bewezen diensten nog zeer goed herinnerde, en dat hij mijnen schoonzoon den 27sten Maart te Leeuwarden met genoegen bad hooren prediken; deze zou de predikantsplaats te Oberneissen dan ook bekomen. En nu zal in de volgende week reeds het vertrek van mijne kinderen derwaarts plaats hebben. Onze getrouwe God en Heere zegene hunnen ingang!"
Oom Johannes en de zijnen wenschten hun hierop Gods zegen toe. Den volgenden dag zett'en zij hunne reis voort naar Niederingelheim, waar oom Georg Frederik en zjjne echtgenoote, nadat Jeremias hun heimelijk 's daags te voren van het bezoek der Niersteinsche predikantsfamilie had verwittigd, hun woonhuis feestelijk hadden laten versieren.
Na deze blijde dagen brak er voor Johannes Hartung al spoedig een droeve tijd aan. Zijne rheumatische pijnen werden hoe langer zoo erger, zoodat ten slotte al de zalfjes en drankjes, die de dokter te Oppenheim hem uit de apotheek liet toekomen, geenerlei uitwerking hadden, en er nog slechts één middel overbleef: bij de geneeskrachtige warme bronnen in de naburige badplaats Wiesbaden heul te zoeken. Hartung verzette zich daartegen echter zoo lang mogelijk, en bleef ook verder het predikambt bedienen. Doch eindelijk bezweek hij voor den sterken aandrang van zijne vrienden, vooral echter van zijne echtgenoote, en liet hij zich bewegen, om tegen het einde van Juli 1664 met haar naar Wiesbaden te reizen, nadat zijn ambtsbroeder in het naburige Dexheim beloofd had, zijn dienstwerk tijdelijk te zullen waarnemen. In eene groote, plompe reiskoets namen zij op zekeren morgen plaats. Het afscheid van zijne kinderen en zijne woning viel Hartung zeer zwaar, want het was hem, alsof hij er nimmer zou terugkeeren.
De aanblik, dien Wiesbaden in die dagen bood, vormde eene pijnlijke tegenstelling met de bekoorlijke omstreken, vol vruchtboomen en heerlijke wijngaarden. In October 1644 hadden de Beieren de muren dezer goed versterkte stad geslecht, vele huizen verwoest, en op hoogst onmenschelijke wijze de inwoners mishandeld, ontkleed en als eene kudde slachtvee weggedreven. Slechts zeer langzaam kon de stad de naweeën dezer beproeving te boven komen. Wel hadden de burgers met de grootste inspanning de handen weer aan het werk geslagen, om orde in den chaos te brengen, maar nog waren de stadsmuren niet geheel herbouwd, de vijvers buiten de poorten waren dichtgegroeid, en vele gebouwen in de stad, vooral de meer afgelegen badlogementen, niet weder opgetrokken. In de grootendeels ongeplaveide straten en vóór de meeste huizen groeide gras.
Onze reizigers vonden in een logement, bij het badhuis „de Roos" gelegen, vlak bij de warmwaterbron, en in de nabijheid van het tegenwoordige Romeinsche bad, een eenvoudig kamertje, dat hun uitstekend beviel, uitgenomen het Christusbeeld aan den muur, dat hun, als eene schending van het hoogheilige tweede gebod des Heeren, een gruwel was. Zij verzochten daarom den waard, om de beeltenis te verwijderen, waartoe de man, zij het dan ook hoofdschuddend, zich bereid verklaarde.
Met de trouwste liefde en toewijding werd de lijdende prekant hier door zijne echtgenoote verzorgd. Zoo geleidde zij hem gedurende de eerste weken van hun verblijf aldaar driemaal 's daags naar het naburige badhuis. Nauwgezet hield onze patiënt zich aan de badvoorschriften, en studeerde te dien einde ijverig in het „Wiesbadisches Wiesenbrünnlein" van Michaël Kaspar Lundorf, in 1610 en 1611 te Frankfort en te Darmstadt uitgegeven. De badregelen waren evenwel veeleer geschikt, om het lijden dergenen, die hier genezing kwamen zoeken, te vergrooten, dan het te verzachten, of geheel weg te nemen. Dit ondervond ook onze Hartung, wiens toestand steeds verergerde. In het begin der maand September kon hij de baden niet meer gebruiken, en moest hij voortdurend het bed houden, daar zijne beenen thans geheel verlamd waren. „Nu zal ik u spoedig verlaten", zeide hij op zekeren Zondagmorgen tot zijne vrouw, die diep bedroefd aan zijne legerstede zat, en hem een oogenblik te voren op zijn verzoek uit de Heilige Schrift had voorgelezen de gelijkenis van de leliën des velds, die door God bekleed worden, en van de vogelen des hemels, die Hij spijzigt, met de verhandeling daarover uit de „Postille" van Nikolaas Treviranus, welk werk hem door de broeders te Niederingelheim bij zijn vertrek was medegegeven. „Wat gij mij zooeven uit dit kostelijk boek hebt voorgelezen", dus vervolgde hij, „heeft wonderbaar mijn hart versterkt, dat bij de gedachte aan mijnen naderenden dood en aan u, mijne dierbaren, zeer droevig gestemd was." Het waren de woorden: „Wat zijt gij bekommerd, o mijne ziel!' om het tijdelijke voedsel ? Ziet gij niet uwen lieven, getrouwen, alwetenden en goedertierenen Vader in den hemel, Die weet,, wat u nuttig en tot zaligheid is? Hij heeft immers voor een leven gezorgd, toen gij in den schoot uwer moeder geformeerd werdt; Hij heeft immers Zijne engelen gezonden, om biji uwe geboorte en opvoeding voor u te waken; — hoe zou Hij u nu vergeten, als gij Hem kinderlijk bidt? Weet gij niet, tot hoe hoogen prijs gij Zijn eigendom geworden, door Christus' bloed gekocht zijt? Uw leven is toch immers niet in uwe hand, maar in de hand des Heeren, en wij behooren immersniet onszelveu toe? Heeft nu uw getrouwe en liefhebbende Yader in den hemel u buiten uw toedoen het voornaamste gegeven, ja, u Zijnen eeniggeboren Zoon geschonken, — hoe zou Hij u dan nu het tijdelijke, voor zooveel gij er behoefte aan hebt, onthouden? Die u met het beste kleed der gerechtigheid, in Jesus Christus overkleed heeft, hoe zou Hij u het vergankelijke weigeren? Mijn hart! „vraag toch de beesten en elk een van die zal het u leeren, en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven." (Job 12.) De Heere kent ze. (Ps. 50: 11.) De Heere onderhoudt eu spijzigt ze alle. (Ps. 104 f 27 en Ps. 145.) De Heere beschermt ze. (Matth. 10 : 29.) O, wat zijn het toch liefelijke leermeesters, die de» morgens vroeg den Heere loven met hun gezang, en ons, armo menschen, aan onze plichten herinneren. Ach, mijn hart! en wij zijn toch veel meer dan zij. De Heere heeft ons naar Zijn evenbeeld geschapen, ons door Zijnen geliefden Zoon verlost, ons de beloftenissen des eeuwigen levens gegeven, en ons tot tempelen des Heiligen Geestes gemaakt".
Hier liet Hartung het boek, dat hij opgeslagen had, om de hem daaruit voorgelezene plaats zelf nog eens over te lezen, in diepe ontroering uit zijne handen vallen; hij gevoelde zich lichamelijk uiterst zwak.
Eenige dagen later, toen hij bemerkte, dat zijne vrouw geweend had, trachtte hij haar te troosten met de woorden uit Job 1 4 : 5 : „Dewijl des menschen dagen bestemd zjjn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zjjne bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal". En daarop liet de zieke volgen: „Ook voor mij, die in Gods hand sta, is het door Hem van eeuwigheid bepaalde getal mijner dagen gekomen. Zijn wil geschiede!" Doch daarna kwamen er weder zeer donkere dagen en uren, waarin de jichtpijnen op het hevigst door zijne leden •vlijmden, en hij onophoudelijk lag te kermen: „Och, Ileere! hoe lange nog?" Dan gevoelde hij zich van tijd tot tijd geheel zonder troost, en was hij te moede, alsof God hem vergeten had. Hij gevoelde zich geheel en al als een verdoemde voor God, vol zonden, het onwaardigste schepsel, dat geene genade waard was. De Wet Gods trad tegen hem op als tegen een duizendvoudig overtreder; de duivel fluisterde hem in: „Yoor u is Christus niet gestorven!" In zulke oogenblikken viel het zijner vrouw moeielijk, Gods Woord wel te handhaven, en zij dankte den Heere van harte, toen haar zwager Jeremias Hartung op zulk een oogenblik juist binnentrad, om zijnen broeder nog eens te bezoeken. Eerst toen die den lijder de woorden had toegeroepen: „Ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jesus, onzen Heere" i(Rom. 8 : 38 en 39), dat deze liefde eene eeuwige is, die van vóór de grondlegging der wereld ons in Christus Jesus heeft uitverkoren ten eeuwigen leven, — eerst toen ging zijn hart weder open, en roemde hij in de vrije genade Gods, die in Christus de armen en verlorenen zoekt en redt, en hoe al ons doen en ons werken e r g e r is dan eene adder (Jes. 41 : 24), terwijl alleen om Christus' wil en in Christus de arme zondaar door den Yader als gerechtvaardigd wordt aangezien. Zoo kon hij dan, opnieuw gesterkt, het overig deel van zijnen aardschen pelgrimstocht ten einde brengen. Vooral in zijne laatste levensdagen sprak hij het herhaaldelijk uit: „Zoo iemand, dan was ik op deze aarde een gast en vreemdeling! En ofschoon ik in de Palts en in het Isenburgsche een nieuw vaderland vond, nadat ik mijn eerste vaderland ter wille van mijn geloof had moeten verlaten, moet ik toch thans weder in den vreemde mijn leven eindigen. Doch de aarde is des Heeren, ook hier te Wiesbaden. Ik zal nu toch spoedig naar het ware Vaderland reizen". En blijmoedig herhaalde hij de woorden, die zijne vrouw hem uit Treviranus' „Postille" voorlas:
Hoe zalig is mijn pelgrimsstand,
Wanneer 'k geleid word door Uw hand!
Mijn hart, mijn ziel, verhef Gods eer:
Mijn Jesus leeft, en sterft niet meer;
Hij blijft u bij, ga moedig voort,
Hij leidt u tot de hemelpoort!
Felle smarten stonden hem nog te wachten, voordat zijne laatste ure sloeg. In den ochtend van zijnen sterfdag, den 23stcn September, liet hij zich nog het 17<le Hoofdstuk van het Evangelie van Johannes voorlezen. Een weinig tijds daarna verloor hij zijn bewustzijn, en — eenige uren later was hij ontslapen.
De Luthersche stadspredikant, Gabriël Zelmer, geleidde zijn lijk grafwaarts, en hield aan de geopende groeve op het kerkhof, dat zich rondom de stadskerk uitstrekte, de lijkrede, welke zich evenwel slechts tot zeer algemeene uitdrukkingen bepaalde, wegens het verschil in geloofsbelijdenis met den overledene. —
Wat de beide broeders van Johannes Hartung betreft, was Georg Frederik de eerste, die hem volgde. De pest, welke in het jaar 1666 te Niederingelheim woedde, nam hem en zijne echtgenoote weg. — Zijn schoonzoon Treviranus, die in het jaar 1678 van Spiers naar Heidelberg aan de St.-Pieterskerk was beroepen, voerde nog jaren lang een proces met de graven van Isenburg over de nalatenschap van zijnen schoonvader. Toen eindelijk in het najaar van 1680 deze zaak te zijnen voordeele uitgemaakt was, kon hij zich nog slechts een half jaar in het hem ten deel gevallen vermogen verheugen. In het voorjaar van 1681 stierf hij. Zijne moeder had hij, na het op den 9de" Februari 1666 te St. Goar plaats gehad hebbende afsterven van zijnen vader, den aldaar gevestigden inspector, bij zich in huis genomen. Van zijne kinderen vermelden wij alleen Lodewijk Georg Treviranus, geboren den 6den Januari 1676 te Spiers; deze werd de stamvader der familie Treviranus te Breinen, en heeft zich gunstig onderscheiden als theologisch schrijver, doch bovenal als verdediger der goede Gereformeerde leer in die stad. —
Te Nierstein werd na Hartungs overlijden de broeder van den bovengenoemden Treviranus, Johan Godfried Treviranus, predikant, die echter reeds na verloop van drie jaren naar Bicken bij Herborn vertrok, waar hij in 1694 gestorven i s .— De weduwe van Johannes Hartung woonde met hare kinderen nog tot in het jaar 1674 te Nierstein, alwaar hare dochter Maria Martha in het huwelijk trad met den broeder van den predikant Kreusler te Oberneissen, Johan Christoffel Kreusler uit Dietz. Daarop begaf zij zich naar hare kinderen te Dietz, waar zij tot aan haren dood bleef. — Kort na het huwelijk van I Maria Martha Hartung, op Paaschmaandag 1674, stierf haar zwager, de veelgeplaagde predikant Martinius te Wenings. Hij had in zijne laatste levensjaren zich over de ontaarde tijden nog dikwijls te beklagen gehad. Zijn zoon Georg Frederik Martinius, die zijne moeder nu tot zich nam, meldt aan graaf Johan Lodewijk te .Offenbach den dood zijns vaders in deje woorden: „God heeft mijnen vader uit deze booze wereld, die hij altijd als een jammerdal beschouwd heeft, tot Zich opgenomen in de zalige eeuwigheid". —
Den heldersten levensavond had wel Jeremias Hartung. Ilij mocht zich met zijne echtgenoote in eene bestendige gezondheid verheugen. In het jaar 1666 werd hij tot predikant te Laden- I burg aangesteld, vanwaar hij in 1674 als inspector naar Oppenheim werd beroepen. Hier leefde hij nog bijna drie jaren. Hij overleed den 22alc" Augustus 1677 in den ouderdom van 78 jaren. Bijna 56 jaren had hij in den echtelijken staat geleefd. Zijne weduwe volgde hem kort daarna, namelijk den 15de" September van hetzelfde jaar, nadat zij vier dagen te voren door eene hevige beroerte getroffen was, zooals in het Oppenheimer register der overledenen vermeld staat. Zij werd in het graf van haren echtgenoot, in de Katharina-kerk, bijgezet. Eene en dezelfde rustplaats vereenigt dus op zinrijke wijze beide eclitgenooten, die zoo lang in het leven vereenigd waren geweest. Het opschrift van den grafsteen boven hunne gemeenschappelijke groeve wijst nog heden den bezoeker dezer kerk de plek aan, waar beider gebeente rust.
Toch heeft nog bittere smart den zonnigen levensavond vaa dit hoogbejaarde echtpaar verdonkerd, de droefheid namelijk over het vroegtijdige afsterven van hunnen schoonzoon Kreusler, die in September 1674 ten grave was gedaald Tegen alle verwachting was diens echtgenoote, de vroeger aan longontsteking lijdende dochter van Jeremias Hartung, te Oberneissen weder geheel hersteld. Zij ontving, toen zij zich in 1675 naar hare ouders begaf, van de regeering te Dietz een schoon getuigschrift omtrent de ambtsbediening van wijlen haren echtgenoot.


Mijne geschiedenis is ten einde. In hoofdtrekken lag zij reeds sedert een tiental jaren in mijne portefeuille, dewijl er nog verscheidene bijzonderheden aan ontbraken. Toen echter in Augustus 1891 mijn weg voorbij Oppenheim en Nierstein leidde, rezen de figuren uit langvervlogen tijden, die in het bovenstaande geschetst werden, hier, op het laatste schouwtooneel van hunnen aardschen arbeid, zóó levendig voor mijnen geest op, dat ik ze niet weder los kon laten. Ilier zijn ze nu, gelijk zij hebben geleefd en geleden, geloofd en gestreden tot in den dood, en door de genade van Christus Jesus de kroon des levens hebben weggedragen. Ongelukkigerwijs heeft één deze regelen niet meer hier beneden onder de oogen kunnen krijgen, t. w. Ds. Hugo Scbaum te Nierstein, die mij het meest tot het schrijven dezer levensschets van Johannes Hartung heeft aangespoord. Hij aanschouwt nu evenwel de voleindigden hierboven, zooals mij bleek uit eenen brief, dien ik onder dagteekening van den 25sten Mei dezes jaars aan hem afzond, en die mij eenige weken later weder terugbezorgd werd met het veelzeggende bericht en de nog treffender onderteekening:
„Overleden. — Haftung. Brievenbesteller."


1) De daarin vervatte berijmde wenken omtrent den leefregel der badgasten komen in hoofdzaak op het volgende neer:
„Let wel, vreemdeling! die gebruik maakt van dit bad, houd u aan dezen regel, het zal u geene schade doen. Verricht des morgens vroeg, wanneer gij zijt opgestaan, vóór alle dingen uw gebed. Wanneer de klok zes slaat, ontdoe u dan van uwe bovenkleêren, en ga in het bad; dat zal u goed doen. Denk er evenwel aan, dat het in den eersten tijd niet overmatig heet mag zijn, anders wordt gij mat, en krijgt spoedig uitslag. Blijf er niet langer in dan een uur, dat ware niet gezond. Stap er dus uit, wanneer de klok zeven slaat, trek uwe kleêren weder aan, en vraag den kok, of de soep reeds klaar is. Wanneer die voor u is opgedischt, vergeet dan niet er eenen goeden dronk bij te nemen. Ga vervolgens buiten de poort eene wandeling doen naar de Wiesenbron, om u wat te vertreden. Om half tien — denk er wel aan! — moet gij nogmaals een bad nemen, en er een uur in blijven. Intusschen zal het middag geworden zijn. Dan zal een dronk u zeer goed smaken ; zie echter toe, dat gij niet te veel drinkt, en ook bij alle overige dingen steeds de matigheid in acht neemt. — Voorts zij n in allen ernst gezegd, dat gij wel zorg hebt te dragen, dat gij uwe longen steeds met frissche lucht vult. — Is dan eindelijk de vesper gekomen, dan zal er een bed voor u zijn gespreid, waarin gij n kunt te slapen leggen, totdat de klok vijf slaat. Dan moet gij opstaan, en wederom ten spoedigste een bad nemen, inmiddels een glas wijn drinken, en li daarna laten afkoelen. Om zeven uur stapt gij weder uit het bad, en verkwikt gij u met eenen schotel groente. Daarna doet gij uw gebed, en legt u wederom ter ruste . Slaap dan vast den ganschen nacht!
Ten slotte nog eene herinnering: wanneer uwe badkuur geheel is afgeloopen, en gij u weder naar huis zult begeven, vergeet dan niet, den waard te betalen, wat gij hem schuldig zijt, en breng den Heere God het offer van uwen dauk, zoo zal het verblijf op de badplaats de geweuschte gevolgen voor u hebben".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 oktober 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Johannes Hartung, Predikant en Licentiaat in de wijsbegeerte, en zijne negen ballingschappen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 oktober 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken