Bekijk het origineel

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 12 : 2 en 3.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 12 : 2 en 3.

16 minuten leestijd

Deze twee Verzen bevatten ernstige vermaningen. Laat ons toch niet denken, dat wij die niet van noode hebben, dat wij daarboven verheven ZIJD, j a dat wij ooit zoo ver zouden kunnen komen, dat wij ze niet meer behoefden. Wie dat van zichzelven gelooft, is onontvankelijk voor Gods Woord en waarheid. Neen, zoolang wij in dit leven zijn, hebben wij met onzen zondigen aard te strijden, dat houdt niet op; zoolang wij in dit leven zijn, dragen wij vleesch en bloed met ons om, en loopen wij voortdurend gevaar, van den goeden weg, den weg des heils en des levens, den weg van Gods geboden weder af te wijken. Al hebben wij nog zoo veel doorgemaakt, nog zoo veel ervaren, — van het begin tot het einde is en blijft het alleen Gods almachtige genade en barmhartigheid, als wij bewaard blijven op den eenigen grond, die gelegd is.
Onze Heere Jesus Christus zeide in Zijn hoogepriesterlijk gebed: „Ik heb hun Uw Woord gegeven; en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben. Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den booze". Dit nu bedoelt de Heere, waar Hij bidt, dat de Vader Zijne discipelen mocht bewaren van den booze: dat zij niet weder met de wereld zouden meedoen, en niet gelijkvormig zouden worden aan de wereld, waaruit Hij hen immers had verlost en vrijgekocht. En wat is nu de „wereld", waarvan de Heere spreekt, en wat bedoelt de Apostel, waar hij zegt: En w o r dt d e z e r w e r e l d n i e t g e l i j k v o r m i g , of: neemt niet eene zelfde gedaante, eene zelfde houding aan met deze wereld ? Dat is het menschdom, zooals het van God is afgevallen, en in de vijandschap tegen Hem en de heerschappij Zijner genade volhardt, en zooals het van Christus, van Zijn heil, van Zijn Koninkrijk, van de verlossing in Zijn bloed niets wil weten, maar in zijn hart denkt: „Laat ons hunne banden verscheuren en hunne touwen van ons werpen!" (Ps. 2) Dat is het menschdom , in welks hart ligt, wat de duivel, de oude slang zeide: „Gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad". De wereld vertrouwt op eigene wijsheid, gerechtigheid en kracht, en onderwerpt zich niet aan de Wet Gods, maar verheft zich boven haar, en wil voor God en naast God iets zijn. Dat kan zich op velerlei wijzen openbaren en aan het licht treden, óf zoo, dat zij zich gansch en al van het Woord Gods ontslaat en hare lusten en begeerlijkheden najaagt, in verborgene of openbare gruwelen, in grovere of fijnere vormen, óf zoo, dat zij een godsdienstig, schijnbaar vroom kleed aantrekt, en zoo voor God niet in de schuld wil vallen, maar zich voor Hem wil handhaven. Als de Heere Jesus Christus van de „wereld" spreekt, zeggende bijv.: „In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen", of waar Hij den Heiligen Geest belooft, zeggende: „Welken de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hein niet, en kent Hem niet", en wederom : „Indien u de wereld haat, zoo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld waart, zoo zou de wereld het hare liefhebben ; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld", — dan verstaat de Heere daaronder op al deze plaatsen in do eerste plaats juist de zoogenaamde vrome wereld, de overpriesters, schriftgeleerden en Farizeën, de bouwlieden, die dachten den tempel Gods, het Koninkrijk Gods te bouwen, en toch den uitverkorenen, kostelijken Steen, Dien God hun gaf, Jesus Christus, de waarachtige Waarheid, verwierpen; Hij verstaat daaronder de wijzen en verstandigen, wien het verborgen is, terwijl de Vader het den kinderkens heeft geopenbaard, — gelijk ook de Apostel Paulus zegt, dat de wereld door hare wijsheid God in Zijne wijsheid niet heeftgekend(l Cor. 1: 21), en wederom: „ Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft; want indien zij ze gekend hadden, zoo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben". In deze van God afgevallene, van God vervreemde wereld regeert een vorst, de duivel, die daarom ook de vorst dezer wereld wordt genoemd. Deze heeft eene vreeselijke macht en heerschappij, om alles naar zijnen zin en wil te houden. Deze geest schijnt heer te zijn van alles; door eene menigte boeken en dagbladen sluipt hij de harten binnen, bepaalt de beschouwingen en gezindheden der menschen, houdt hen vast, drijft hen voort naar zijnen wil, en belooft al het mogelijke, gelijk hem dan ook veel macht gegeven is. Immers verstoutte hij zich eens, om tegen den Heere op te treden, en, Hem op eenen hoogen berg alle koninkrijken der wereld toonende, tot Hem te zeggen: „Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid derzelve koninkrjjken geven: want zij is mij overgegeven, en ik geef ze wien ik ook wil; indien Gij dan mij zult aanbidden, zoo zal het alles Uwe zijn". (Luk. 4 : 6 en 7.) En zoo komt hij voortdurend met zulke beloften tot de geloovigen: Indien gij Gods Woord laat »varen, zij het ook maar een weinig, indien gij van Gods weg afwijkt, mij eert, met de wereld meedoet, en haar gelijk geeft, dan zult gij het goed hebben, dan zult gij eenen gemakkelijken, eenen effenen weg voor u vinden; ik kan u alles geven en verschaffen, wat gij noodig hebt, want mij is alles gegeven, van mij hangt alles af. Dat is nu in den grond wel niet waar, integendeel is het waarheid, wat de Heere Jesus Christus zeide: „ M i j is gegeven alle macht in hemel en op aarde"; maar zooals de zaak nu eenmaal staat, zooals wij het met de oogen zien, met de handen tasten kunnen, heeft de duivel, de vorst dezer wereld, eene groote macht; en gelijk hij komt met allerlei beloften, zoo komt hij ook met allerlei bedreigingen, en zegt: Indien gij niet meedoet, gaat gij te gronde, wordt u de staf des broods gebroken, en zult gij geen doorkomen vinden! Zoo weet hij de volgelingen Christi op allerlei wijzen te beangstigen, te benauwen, te kwellen, zoodat zij geenen uitweg weten, zoodat zij hun leven niet zeker zijn, en met David denken: Ik zal nog een der dagen in de handen van Saul vallen ! — Dan wordt dikwijls de smeltkroes zoo heet, de weg zoo eng! en men wordt aangevochten door gedachten als deze: „Wat baat al uw gelooven, al uw bidden! God hoort u toch niet, en bekommert Zich niet om u; zegen God en sterf!" De macht der verleiding wordt zoo sterk, en zoekt, al vleiende, door alle zinnen het hart binnen te dringen „Wat wilt gij zoo alleen uws weegs gaan?" zoo spreekt zij, „er zijn toch zoo velen, die toch ook goede Christenen zijn, en toch ook eenmaal zalig denken te worden! zijt gij dan beter dan zij ? en zij huldigeu toch ook den geest der eeuw, doen meê, gunnen zich dit en gunnen zich dat; doe meê, doe meê, dan hebt gij een vrij en gemakkelijk leven!" En nadat men eenen tijd lang goed gestreden en goed geloopen heeft, — nadat men eenen tijd lang heeft vastgehouden aan het woord: „Wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, eu neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij", nadat men eenen tijd lang het Lam gevolgd is door bezaaide en onbezaaide landeu, wordt men ten laatste moede onder den last, men wordt moede van het strijden, men verlangt naar rust, naar vrede, men wordt dezer wereld gelijkvormig, men doet weer meê in hetgeen men te voren verwierp en verafschuwde, — de hond keert terug tot zijn uitbraaksel, en de gewasschene zeug tot de wenteling des slijks. Men krijgt weer liefde tot de wereld, en opnieuw wordt het hart geregeerd door de begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der oogen en de grootschheid des levens, en men heeft rust voor het vleesch, men heeft zijnen wil en zijne begeerte. Nu komt echter het getrouwe Woord Gods, nu verheft de Apostel zijne stem en schrijft aan de Gemeente, en zijn woord betuigt zich aan de gewetens: „Wordt dezer wereld niet gelijkvormig, — de wereld gaat voorbij met hare begeerlijkheid, maar die den wil Gods doet, blijft in der eeuwigheid". De wereld is als eene zeepbel, die een oogenblik schittert, en in het volgend oogenblik uiteenspat, — of beter nog als eene granaat, die eens uit elkander zal springen, en alles verbrijzelen, wat in hare nabijheid is, of de hand naar haar uitstrekte. Daarom zegt ook de Apostel in den Brief aan do Efezen, Hoofdstuk 4 : 17 vv.: „Ik zeg u dan dit, en betuig het in den Heere, dat gij niet meer wandelt, gelijk als de andere Heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds, verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is, door de volharding huns harten, — doch gij hebt Christus alzoo niet geleerd!" En wederom: „Trekt niet een ander j uk aan met de ongeloovigen: want wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? En wat samenstemming heeft Christus met Belial?" (2 Cor. 6.) Bedenken wij, Wie ons heeft gekocht, en Wiens eigendom wij zijn! Wie ons geroepen heeft, en waartoe wij geroepen zijn — : uit den dood tot het leven, uit de macht des Satans tot God. Zal het waar zijn, of gelogen, wat wij in de catechisatie hebben geleerd: dat is mijn eenige troost in leven en in sterven, dat ik met lichaam en ziel niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jesus Christus eigen ben? Zal dit eerst op het sterfbed van kracht zijn, of zal het niet ook reeds waar zijn in het leven? En wat toch is deze wereld, om welker bijval wij boeleeren, van welke wij eer en aanzien willen hebben, met welke wij vriend willen zijn en vrede willen hebben, aan welke wij gelijkvormig willen worden en met welke wij willen meedoen? Is zij het niet juist, die onzen Heere Jesus Christus heeft gekruisigd, en tot op den huidigen dag Zijn Woord en Zijne waarheid verwerpt, waarin toch al ons heil is, waarin ons alle genade, barmhartigheid en eeuwige liefde Gods geopenbaard wordt, en toegekomen is? Wie een vriend der wereld wil zijn, wordt een vijand Gods genaamd, zegt de Apostel, en wie der wereld gelijkvormig wil zijn en met haar wil meedoen, zal ook met deze wereld verloren gaan.
De Apostel zegt daarom ook verder: m a a r w o r d t vera n d e r d door de v e r n i e u w i n g uws gemoeds. Deze verandering of vernieuwing heeft wel plaats gevonden, toen de geloovigen den Heere Jesus Christus in geloof aannamen, toen zij als verlorene, vloek- en doemwaardige zondaars aan Zijne voeten neerzonken, en zij werden opgenomen in Zijne erbarming, toen zij in Hem zagen hunne gerechtigheid, heiligmaking en volkomene verlossing. Toen vond er zulk eene verandering of omkeering bij hen plaats, toen werd hun gemoed vernieuwd, naar het woord: „Indien iemand in Christus is", d. i. indien hij door een waar geloof met Hem is verbonden, — „die is een nieuw schepsel, het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden". (2 Cor. 5 : 17.) Toen heeft men dan nieuwe oogen ontvangen, om niet meer te zien naar hetgeen er in de wereld blinkt en schittert, wel echter te zien den Koning in Zijne schoonheid, den Heere Jesus Christus, en in Hem al zijn heil te aanschouwen. Men heeft nieuwe ooren ontvangen, om niet meer te letten op en te luisteren naar hetgeen de duivel ons influistert, of waarmee de wereld lokt en roept, maar wel te luisteren naar de stem van den goeden Herder, wanneer Hij zegt: „Komt herwaarts tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uwe zielen, want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht". Een nieuw hart heeft men ontvangen, dat lust en liefde heeft tot Gods Woord en gebod, een hart, om Hem lief te hebben, Die ons eerst heeft liefgehad. Een nieuw verstand heeft men ontvangen, om te verstaan en te begrijpen, hoe schrikkelijk dom en dwaas het toch is, aan meeningen van menschen te hangen, al worden die heden ook nog zoozeer met verwondering en verbazing aangezien en door iedereen toegejuicht; immers zijn er in den loop der tijden zoo vele van deze meeningen opgekomen en weder ondergegaan, zoodat de latere geslachten lachten over hetgeen de vroegere hadden vereerd; een nieuw verstand, om te verstaan en te begrijpen, hoe schrikkelijk dom en dwaas het is, op menschen te vertrouwen, van menschen heil te verwachten, en daarbij met zijn hart van den Heere af te wijken, terwijl toch de menschen zijn als het gras, gelijk eene bloem des velds, als de wind daarover gegaan is, zoo is zij niet meer, en hare plaats kent haar niet meer. Een nieuw verstand heeft men ontvangen, om in te zien, dat het alleen wijs, alleen verstandig is, zich te houden aan datgene, wat eeuwig is, aan het eeuwige, onbedriegelijke Woord Gods.
Maar al heeft nu deze verandering, deze vernieuwing eenm a a l plaats gevonden, toen wij geloovig zijn geworden, wij zijn toch, zoolang wij in dit leven zijn, voortdurend in gevaar, van deze waarheid weder te vervallen, onze zaligheid uit het oog te verliezen, ons oor te leenen aan de stem der verleiding, in ons hart den boozen geest weer binnen te laten, die uitgedreven is, en die gaarne zeven andere medebrengt, boozer dan hij zelf; — wij zijn in gevaar, ons te laten beheerschen door het zichtbare, door datgene, wat eer en aanzien heeft in de wereld, wat ontzien en erkend wordt. En niet alleen, dat wij voortdurend in dat gevaar verkeeren, maar hoe dikwijls en hoe telkens weer opnieuw worden wij daardoor verleid en meegesleept. Daarom moet dan ook telkens weder het Woord, de vermaning komen, en is deze waarlijk niet overbodig: „Wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds!" Waarom zullen wij het telkens weer zoeken bij de Wet, die toch voor ons dood ie, — waarom weder op eigene wijsheid, eigene gerechtigheid, eigene kracht bouwen, daar toch Christus onze wijsheid is, en wij in den Heere gerechtigheden en sterkte hebben ? Tot Christus, tot Zijn kruis henen! Aan het kruis Cliristi zijn wij met al ons weten, willen en kunnen te schande geworden, daar is onze wijsheid tot dwaasheid geworden en onze gerechtigheid tot ongerechtigheid en zonde, en daar straalt ons eene andere wijsheid, eene andere gerechtigheid tegen. Houden wij ons daaraan, en daaraan alleen! Zoo wordt het gemoed vernieuwd, zoo vindt er eene waarachtige verandering of omkeering plaats, — opdat gij, aldus vervolgt de Apostel, en daarmee geeft hij het doel aan, waarom deze vernieuwing noodzakelijk is, — o p d a t gij m o o g t b e p r o e v e n , w e l k e de g o e d e , en w e l b e h a a g l i j k e , en v o l m a a k t e wil van God zij. Ach, hoe dikwijls komen wij in het leven als voor eenen kruisweg te staan, en doet zich de vraag op : Welke weg is de goede, welke de weg Gods? de weg rechts of links? En ia het hart des oprechten komt telkens opnieuw het gebed op :
Heer, ai! maak mij Uwe wegen,
Door Uw Woord en Geest, bekend;
Leer mij, hoe die zijn gelegen,
En waarheen G' Uw treden wendt.
En het gaat daarbij niet, om eukel den weg en den will Gods te weten, het gaat niet enkel om een kennen, om bespiegelingen, maar om een doen. Maar hoe dikwijls is het hart vol bedrog en huichelarij, zoodat men wel zegt en ook zichzelven wijsmaakt, dat het gaat, om den wil Gods te weten, terwijl het toch gaat, om Gods wil naar den eigen wil te plooien, en zoo den eigen wil door te zetten. Bileam, vroeg wel eerst, wat Gods wil was, toen de gezanten van Balak kwamen, om van hem te eischen, dat hij het volk Israëls zou vloeken, maar in den grond der zaak wilde hij slechts, dat God ja en amen zou zeggen op hetgeen hij, Bileam, wilde. Ook de Israëlieten vroegen na de verwoesting van Jerusalem aan den Profeet Jeremia, wat Gods wil was, of zij in het land zouden blijven, dan of zij naar Egypte zouden trekken; maar toen zij uit den mond van den Profeet den wil des Heeren vernamen, zeiden zij : Dat heeft u de Heere niet gezegd, maar Baruch heeft het u ingegeven. Zoo stelt men bij al het vroom gepraat van: „Wat is hier de wil Gods?" toch Gods wil ter zijde, om zijnen eigenen wil te kunnen volgen, en toont zoo, dat het den mensch in den grond deizaak volstrekt niet om den wil Gods te doen is. Als er echter een oprecht gemoed, een oprecht hart is, als God door Zijne genade in waarheid dit gebed in het hart heeft gegeven : „Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde", hoe kan men er dan nog over in grooten nood en benauwdheid komen, welke in de verschillende levensomstandigheden en levensverhoudingen, waarin een mensch kan geraken, de wil Gods zij, opdat men dezer wereld niet gelijkvormig worde! Hoe vele stemmen verneemt men daar niet dikwijls van binnen en van buiten, als waren zij Gods stem! en welke is het nu? — Wat is de wil Gods? Niet de wil der menschen, niet de wil dezer wereld, niet de wil van vleesch en bloed, — gelijk de Apostel ook elders zegt: „Zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij" (Ef. 5 : 17); of zooals hier: de g o e d e , en w e l b e h a a g - l i j k e , en v o l m a a k t e wil van God. Dezen zullen wij nimmer beproeven, d. w. z. weten, tenzij wij door de vernieuwing onzes gemoeds herschapen of veranderd zijn, m. a. w. tenzij wij al het vertrouwen op onze eigene wijsheid, gerechtigheid en kracht hebben laten varen, en ons verstand gevangen hebben gegeven onder de gehoorzaamheid Christi, onszelven veroordeelen, en Christus en Zjjne genade verheerlijken. Dan laat men zich niet meer verleiden door den duivel en zijne listen, door de wereld en hare pracht; er is een oog, dat ziet, een oor, dat hoort, door God ziende en hoorende gemaakt.
(Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 oktober 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 12 : 2 en 3.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 oktober 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken