Bekijk het origineel

Aanteekeningen op Exodus 2. (Vervolg.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekeningen op Exodus 2. (Vervolg.)

23 minuten leestijd

Yers 15. Als nu P a r a ö deze z a a k h o o r d e , zoo z o c h t hij Mozes te dood en; doch Mozes v l o od v o o r F a r a o ' s a a n g e z i c h t . Mozes vreesde vanwege het woord van den onrechtvaardigen man, en zeide: V o o r w a a r, d e z e z a a k is b e k e n d g e w o r d e n . (Vers 14.) Hij vreesde dus, want hij vermoedde verraad. Hij kon niet begrijpen, hoe het bekend was geworden; de man, die door den Egyptenaar geslagen en door Mozes verdedigd was, was dus zoo lichtzinnig, of zoo ondankbaar geweest, het aan anderen te vertellen, — en dat was nog denzelfden dag van mond tot mond gegaan. Nu staat degene, die onrecht pleegde, op, en wreekt zich, is plaats van zioli onder Gods Woord te buigen: hij wordt Mozes' verrader, hij klaagt hem aan. Zoo nemen zij, van wie men het niet zou verwachten, de wereld in den arm, ten einde, — dewijl zij het geloof en de liefde niet bezitten, om eindelijk van hunne banden bevrijd te worden, — hunne goddeloosheid voor vroomheid te doen doorgaan, en spanne» alle krachten in, om den rechtvaardige met hulp der wereld uit den weg te ruimen. — Zoo kwam het Faraö ter oore. Dat zijn de Doëgs in de Kerk Gods, die den trouwen priester Achimelech ombrengen ; de Nabals, die eenen David van opruiing en oproer betichten; do gcnezonen, die terstond heengaan en den overpriesters en Farizeëu boodschappen, Wie hen heeft gezond gemaakt, om zoo de wereld te vriend te houden; dat zijn de Judas Iskariots van alle tijden, die verraders worden, omdat zij bestraft zijn. Maar hoe ongenaakbaar zijn de rechtvaardigen onder Gods bescherming, te midden van gevaar. Faraö, zoo machtig als hij was, bezat den moed niet, Mozes openlijk te grijpen, h i j zocht h e m te dooden. — Ilij zon dus op middelen, om hem te laten ombrengen, gelijk Saul David voortdurend trachtte te dooden, en gelijk de overpriesters er op uit waren, om den Heere te dooden. Doch Mozes v 1 o o d voor Farao's aangezicht, d. i. hij onttrok zich door de vlucht aan al zijne vervolgingen. Yan deze vlucht schrijft Paulus Hebr. 11 : 27 : „Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vreezende den toorn des konings; want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke". Het geloof van Mozes bestond daarin, dat hij al het zichtbare, dat hij in Egypte had, de schoonste verwachtingen prijsgaf, dat hij de verlossing des volks, alsook zijn eigen ambt van verlosser, Gode in handen stelde en overliet. Verder bestond zijn geloof daarin, dat hij de aan den Egyptenaar voltrokken straf niet ongedaan wenschte te maken, zich niet opmaakte tot den koning, om berouw te toonen over zijne daad, en des konings gunst te herwinnen. Ilij had toch kunnen denken: Als mijn volk mij van "zich stoot, en niet door mij verlost wil zijn, dan mag het zien, waar het blijft, dan zal ik mij opnieuw aan het hof gezien maken, ik behoef slechts een klein verzoek om vergiffenis te doen. 's Ivonings toorn was onrechtvaardig, daarom vreesde hij dien niet, hoe machtig de koning ook was, Itoe ver zijn arm ook reikte: Mozes bleef bij het werk, dat in God gedaan was. Hij zag zijnen God; zag hij Ilem ook niet jnet lichamelijke oogen, hij zag Hem toch, en daar hij in Hem alles zag, wat zoo onbeschrijfelijk hoog boven Egyptc's heerlijkheid en 's konings macht stond, hield hij zich aan God, en vreesde niets. Trouwens, wie is als God? — (Psalm 62 en Ps. 11 : 7.)
E n woonde in het l a n d M i d i a n , en h i j zat bij « e n e n w a t e r p u t . Het land Midian ontving zijnen naam \an den vierden zoon van Abraham, gesproten uit diens tweede huwelijk met Ivetura. De inwoners van dit land waren dus nakomelingen van Abraham. Het land lag aan gene zijde der lloode Zee in Steenachtig Arabië. Mozes bevond zich dus in dezelfde woestijn, waarin hij later het volk Gods 40 jaren lang jnoest leiden. Deze woestijn moest hij volkomen leeren kennen, daarin 40 jaren schaapherder zijn, om door het hoeden der schapen te leeren, hoe hij het groote volk moest hoeden. Er is hier tene in het oog vallende overeenkomst tusschen Mozes en David; van wien wij lezen in Psalm 78: „En Hij verkoos Zijnen knecht David, en nam hem van de schaapskooien; van achter de zoogende schapende deed Ilij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijne erfenis. Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen". Ook is er overeenkomst tusschen Mozes en den grooten Herder der schapen, onzen Heere Jesus Christus, Die, vóór Hij in het openbaar optrad, 40 dagen in de woestijn was, om verzocht to worden van den duivel. Overeenkomst zien wij ook tusschen Mozes en den Apostel Paulus, die zich nagenoeg drie jaren in de woestijn van Arabië ophield, eer hij door den Heiligen Geest tot Apostel der Heidenen werd afgezonderd. (Gal. 1 : 17.) En zoo hebben zoovele getrouwe getuigen en belijders des Heeren eerst als het ware in de woestijn moeten leven, d. w. z. niets moeten doen van datgene, waartoe zij eigenlijk geroepen waren, opdat zij door velerlei inwendigen nood en aanvechting, als in eene vreeselijke woestijn, de wegen des Heeren met Zijn volk door de woestijn dezes levens aan ziehzelven zouden leeren kennen, om alzoo toebereid te worden tot trouwe herders van het volk Gods. Het laat zich toch wel aannemen, dat Mozes, die zich zijner verhevene roeping en zending wel bewust was, aan allerlei schrikkelijke aanvechtingen ten prooi is geweest, en wreed geplaagd is door den duivel. Hij wist immers in Welk eene groote ellende zijn volk verkeerde, hij had ervaren, hoe het hem van zich had gestooten, en nu kon hij niets doen, maar moest volle veertig jaren van zijn leven eenzaam in de woestijn doorbrengen, zoodat hij moest vreezen, dat allo mannelijke kracht en moed hem zou begeven, en hij grijs zou worden vanwege de verbreking van Jozef, verre, verre van zijn geliefd volk.
De tekst zegt, dat Mozes aldaar woonde. Dat wil eensdeels zeggen, dat Mozes er in do verste verte niet aan dacht, om weder to keeren naar Egypte, en door berouw of verzoek om schuldvergiffenis 's konings onrechtmatigen toorn tot bedaren te brengen; verder wil het zeggen, dat hij do hoop niet had opgegeven, zijn volk eens te verlossen, maar dat dit zóó lang duurde, dat het lange wachten en verbeiden wel een wonen mocht heeten, ja een wonen, dat hem steeds in al zijne scherpte deed gevoelen, dat bij zonder vaderland was; waarom Stefanus, de martelaar, zegt: „Ilij werd een vreemdeling in het land Midian". David drukt beide uit in Ps. 120:5, zeggende: „O wee mij, dat ik een vreemdeling beu in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone!" G. d is daar echter rijk over hem geweest met Zijne onderwijüing en vertroosting. O, hoe waar is het in zulke omstandigheden, wat betu'gd wordt in Ps. 119:54: „Uwe inzettingen zijn inij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen"; en Ps. 4 0 : 2 : „Ik heb den Ileere lang verwacht'.
E n h i j zat b i j eenen w a t e r p u t . Wij lezen van onzen hooggeprezen Heere en Heiland in Joliannes4: „En Hij moest door Samaria gaan. Ilij kwam dan in eene stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk lands, hetwelk Jakob zjjnen zoon Jozef gaf. En aldaar was de fontein Jakobs. Jesus dan, v e r m o e i d z i j n d e van de rei zo, zat alzoo neder nevens de fontein. Het was omtrent do zesde ure. Er kwam eene vrouw uit Samaria, om water le putten". Wij weten, wat er volgde op dit Zich nederzetten van den Ileere nevens de fontein, van dien Ileere, Die het geenen roof geacht heeft, Gode evengelijk te zijn, maar Ziehzelven vernietigde. Verder lezen wij van onzen Heere, hoe Hij klaagde: „Mijne tong kleeft aan Mijn gehemelte", en hoe Iïij aan het kruis riep: „Mij dorst!"
De diensknecht is niet meerder dan zijn heer; ook met betrekking tot het uitwendige worden wij gelijkvormig gemaakt aan het lijden van Christus. Vermoeid als hij was, zat hij neder bij den put, en hem dorstte. Hoe zal het hem daar te moede zijn geweest! Nog vóór weinige dagen bevond hij zich aan het hof in alle weelde en overvloed, en nu is hij doodarm. Zoo ging het ook Simson. „Gij hebt", zoo sprak hij, „door de hand van Uwen knecht dit groote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven?" (Richt. 15.) Zoo zeide ook Job, (Hoofdst. 29): „Toen ik mijne gangen wiesch in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot". — „AJs een oor mij hoorde, zoo hield het mij gelukzalig; — want ik bevrijdde den ellendige, die riep". „Daarom stort zich nu mijne ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan." (Hoofdst. 30 : 16). — Mozes had het hof van Farao en de schatten van Egypte vaarwelgezegd, om met het volk Gods verdrukt te worden; hij had gehoopt, dat de zijnen het zouden hebben verstaan, dat God hem tot hen had gezonden; — hier zit hij nu, door zijn volk verstooten, door zijnen koning vogelvrij verklaard, eenzaam en van allen verlaten bij den put; hij had niet eens om mede te putten. Welk een toestand: vermoeid, en van dorst versmachtend te zitten bij eenen geslotenen put! Hij schrijft: „don put", en bedoelt dus eenen bepaalden put! Deze put is hem onvergetelijk gebleven. „Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijne gedachten." (Ps. 1 3 9 : 2 . ) De Heere zorgt er voor, dat zijne gedachten hem niet wanhopig maken, .luist aan dezen put moest hij zich nederzetten, om ongedachte hulp te ervaren. O, hoe gaat voor hem niet alles van dezen put uit! Mochten wij toch nooit tot eenen put gaan, zonder te denken: „De rivier Gods is vol waters" (Ps. 65: 10), en: „De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods". (Ps. 46 : 5.) Hoe heerlijk gaat het toch steeds naar Psalm 91! Dezelfde God, Die Mozes, toen hij weggeworpen was, zoo wonderbaar uit het water liet halen, diezelfde God heeft er reeds voor gezorgd, dat hij het goed zal hebben in het land zijner vreemdelingschappen: het zal hem niet anders gaan dan zijnen voorvader Jakob, die aan eenen put zijne Rachel vond (Gen. 2 9 : 9 .)
Vers 16. En de p r i e s t e r in M i d i a n had z e v en d o c h t e r s . Het Hebreeuwsche woord, door priester overgezet, duidt iemand aan, die als bemiddelaar, voorspreker (advocaat) of geheimraad bij uitsluiting den toegang tot eenen koning of tot God heeft. (2 Sam. 8 : 1 8 naar Luthers overzetting: En de zonen Davids waren priesters.) Maar het heeft ook de beteekenis van prinsen. Alzoo was de beschikking, dat Mozes, die toch een vorst was, eenen schoonvader zou vinden, die te gelijk een prins en een priester in Midian was, eenigermate gelijk Melchizedek in Salem. Want dat hij tevens een priester geweest is, en den waren godsdienst uitgeoefend heeft, blijkt klaar uit Exodus 18, waar wij zijne treffende belijdenis vernemen, en ook lezen, dat hij den Heere geofferd heeft, en dat Mozes en Aaron met al de oversten van Israël daaraan deelgenomen hebben.
Mozes werd dus door den Heere alzoo geleid, dat hij in een huis kwam, in eene familie opgenomen werd, die overeenkomstig zijn geloof en zijnen stand was. Zoo helpt God de ellendigen heerlijk en zorgt Koninklijk voor de Zijnen. Deze priester had zeven dochters. Hierbij komt voor mijne aandacht Hand. 2 1 : 8 en 9: „Wij kwamen te Cesarea, en gegaan zijnde in het huis van Filippus, den evangelist, bleven wij bij hem. Deze nu had vier dochters, nog maagden, die profeteerden". Ik denk verder aan Josua 4, en breng het voorts in verband met den grooten nood, waarin deze priester met zijne dochters vanwege hunne Godzaligheid zullen verkeerd hebben, en antwoord op de vraag, waarom die dochters niet gehuwd waren: Blijkbaar daarom, dat er voor haar in zulk een goddeloos land geene rechtgeaarde mannen waren; want dat de inwoners van Midian een goddeloos volk zijn geweest, zien wij uit hetgeen volgt.
D i e k w a m e n , om t e p u t t e n , en v u l d e n de d r i n k - b a k k e n , om de k u d d e h a a r s v a d e r s te d r o n k e n. Zoo plachten toenmaals zelfs dochters van vorsten of van aanzienlijken in die landstreken te doen. Wij ontdekken hier de liefde, de gehoorzaamheid en den vlijt dezer dochters tegenover haren vader. Er staat: „haars vaders" schapen. Zij hebben de schapen als haars vaders goed beschouwd en daarvoor zorggedragen. Eert uwen vader en uwe moeder, — dit gebod leefde in hare harten, en zij kwamen het na, ofschoon zij daarbij aan allerlei onbillijkheid der menschen blootgesteld waren.
Vers 17. T o e n k w a m e n de h e r d e r s , en zij drev e n h a a r van d a a r . Die jongedochters zijn wel vlijtig geweest, zij waren den herders steeds voor; maar terwijl zij bezig waren haars vaders schapen te drenken, werden zij gemeenlijk door de herders weggedreven van den put, en hare schapen door de herders verschrikt. Wij weten uit Genesis 26, welk een getwist er in het Oosten gewoonlijk tusschen herders en herders over eene bron is; want de kudde, die het eerst komt, maakt den grond zoo week en het water zoo troebel, dat de daarna komende kudde er nadeel van lijdt. Do herders, van welke hier sprake is, zijn goddelooze menschen geweest, die, alleen maar aan hun eigen belang denkende, deze zwakke en hulpelooze maagden en dochters van hunnen vorst en priester van de bron wegdreven, zoodat die dochters onder hare eigene landslieden als vreemden behandeld werden, en, hoewel zij de eersten geweest waren, en met inspanning van al hare krachten den steen van den put gewenteld hadden, moesten wachten, totdat de herders hunne eigene kudden gedrenkt hadden. Intusschen had deze priester niets anders, waarvan hij zou hebben kunnen leven, dan zijne schapen. Maar wat zal de rechtvaardige vergelding zijn dergenen, die in het Woord onderwezen worden, en die niet alles goeds doen toekomen aan hen, die onderwijzen ? Het licht wordt hun van den kandelaar genomen, en dan geraken zij van de eene duisternis van valsche leeringen in de andere, gelijk de Midianietische geschiedenis bewijst. — D o ch M o z e s s t o n d op, en v e r l o s t e h a a r , en d r e n k t e h a re k u d d e n . Hier hebben wjj weder het geloof met de werken. Zooals hij in Egypte gedaan had, toen hij den Hebreër, die onrecht leed, hielp, zoo doet hij ook hier. Hoe moede hij ook van de reize is, hoe aangevochten en door dorst gekweld hij daar nederzit aan den put, zoo weet hij toch van geene vermoeidheid en machteloosheid, waar hij hulpelooze vrouwen onrecht ziet lijden, maar hij helpt haar, d. i. hij redt, hij verlost haar. Hij heeft zijn leven veil voor degenen, die onrecht lijden. Er komt zulk eene kracht des geloofs over hem, dat hij alleen de herders op de vlucht drijft; en daarbij laat hij het niet blijven, maar wat de herders aan de schapen van hunnen vorst en priester hadden behooren te doen, dat doet hij in zijne liefde tot de hulpeloozen: hij drenkt de schapen. (Gen. 29 : 10.) O! waar het ware geloof is, hoezeer is daar de vervulling der tweede tafel: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.
Yers 18. En t o e n zij t o t h a r e n v a d e r R e h u ël k w a m e n , zoo s p r a k h i j : W a a r o m z i j t g i j h e d en z o o h a a s t w e d e r g e k o m e n ? Rehuël beteekent: „Yriend van God". Hij droeg ook den naam Jethro, en had volgens Num. 10 : 29 ook eenen zoon, Hobab genaamd. De vader moet er aan gewoon zijn geweest, dat zijne dochters laat tehuis kwamen. Hij schijnt het onbehoorlijk en boos gedrag deiherders geduldig te hebben verdragen, en zijne dochters voortdurend tot geduld vermaand te hebben. Eenigen vragen: Of hij als vorst zulk eene onbillijkheid niet zou hebben kunnen straffen? Gewis, zoo hij niet te gelijker tijd priester ware geweest. Zeker is het hem onder de Midianieten gegaan, als Lot onder die van Sodom; vergelijk 2 Petrus 2. Hij zal het aan de wrake Gods overgelaten hebben. Zoo is dan nu Gods tijd en uur gekomen, dat God hem, wien die schandelijke lieden, door hunnen ontuchtigen wandel, allerlei leed berokkenden, en zijne dochters, die haren vader liefhadden, verlost. De Heere toch weet de Godzaligen uit de verdrukking te verlossen. Rehuël vond verlossing door Mozes, duurzame verlossing, naardien deze zijn schoonzoon werd, en zijne dochteren vonden voor hare liefde tot haren vader haar loon; de eene kreeg zulk eenen held tot echtgenoot, de anderen hadden in haren zwager eenen blijvenden, getrouwen beschermer. — Zoo kwam het alles door God. Had Mozes alles verlaten, hier zou hij het, in ware rust en vrede, honderdvoudig terugontvangen, zij het ook in de vreemdelingschap. Het is ook God, Die Rehuël de dankbaarheid ingeeft, om Mozes voor zijne daad alle gastvrijheid aan te bieden.
Yers 19. Een E g y p t i s c h m a n , antwoordden de dochters, h e e f t o n s v e r l o s t u i t de h a n d d e r h e r d e r e n, e n h i j h e e f t ook o v e r v l o e d i g voor ons g e p u t , en de k u d d e g e d r e n k t . Een Egyptisch man was Mozes naar zijn gewaad.
Vers 20. En liij z e i d e t o t z i j n e d o c h t e r s : W a ar i s h i j t o c h ? W a a r o m l i e t g i j den man nu g a a n? R o e p t h e m , d a t h i j b r o o d ete. Nu, vrouwelijke schroomvalligheid zal haar daarvan wel weêrhouden hebben.
De priester in Midian, hoewel een nakomeling van Abraham, wil wel met den Egyptischen man eten. Hij had dus onder zijn kruis geleerd, wat na eeuwen Petrus nog te leeren had: „Hetgeen God gereinigd heeft, zult gjj niet gemeen maken"; waarom hij blijmoedig beleed: „Ik verneme in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is, maar in allen volke, die Hem vreest en gerechtigheid werkt, is Hem aangenaam". (Hand. 10: 15, 34 en 35.)
Vers 21. En Mozes b e w i l l i g d e , b i j den man te w o n e n . Mozes was een „homo bonae voluntatis", een man van goeden wil, en versmaadde niet, wat zijne hand vond om te doen. Hij bewilligde, om de schapen van dien man te hoeden, en zeide niet: Dat is tegen mijne waardigheid, tegen mijne roeping. Zijne eigenlijke roeping en den tijd harer vervulling had hij den Heere over te laten; tot zoo lang wilde hij bij den man blijven, en hem dienen.
E n h i j g a f a a n M o z e s z i j n e d o c h t e r Z i p p o r a . De vader gaf de dochter aan den man, en Mozes nam de door hare den Vader bewezene liefde, door gehoorzaamheid en vlijt beproefde dochter tot eene vrouw; want Mozes was geen monnik. Zippora nu beduidt een vogeltje. God nam hem namelijk van den put weg, nadat Hij hem daar, in weerwil vau eigene hulpeloosheid, een goed werk had doen verrichten, door anderen te durven helpen. De schatten van Egypte had hij prijsgegeven, arm zit hij daar aan den put, niaar staat op, waar hij onrecht ziet, is rijk aau hulp, en komt zoo onder een gezegend dak. Een getrouw hart en twee vlijtige handen zijn den vader genoeg, — en de trouwe God geeft hem dat vogeltje, opdat het hem, veertig jaren en langer, zijn hart met allerlei liefelijke tonen vervroolijke, die hem telkens zouden verlevendigen, als zijne ziel vanwege moedeloosheid en aanvechtingen zou dreigen te bezwijken.
Nu volgt de zegen van den heiligen echtelijken staat naar Ps. 127 : 3—5.
Vers 22. Die b a a r d e e e n e n zoon. Zoo had dan de uit het water getogen zoon eenen zoon; en h i j n o e m de z i j n e n n a a m G e r s o m , w a n t hij z e i d e : I k b e n een v r e e m d e l i n g g e w o r d e n in e e n v r e e m d l a n d . Dat is tweevoudig een vreemdeling. Maar geeft hij dien naam uit droefheid? of uit dankbaarheid? Geen van beide. Neen, aan zijnen schoonvader zoowel als aan zijne vrouw heeft hij alles verhaald, wat in Egypte voorgevallen was, en welke hope hij voor zijn volk bleef voeden. Waar hij nu echter niets zag dan het land Midian, daar zou de naam des kinds hem steeds doen gedenken, hoe hij in dit vreemde land door God bewaard werdt en hoe hij derhalve altijd van den Heere hopen mocht, dat hij nog eenmaal weder onder zijne broederen, de Ilebreën, komen zou. Vergelijk Hebr. 11 : 13—16.
Vers 23. En h e t g e s c h i e d d e na v e l e d e z e r d a g e n, a l s de k o n i n g van E g y p t e g e s t o r v e n was. Eenen langen tijd nog moesten de kinderen Israëls, nadat zij Mozes van zich gestooten hadden, onder den druk eener tyrannieke regeering zuchten. Het kan zeer lang duren, dat Gods volk, dat de Gemeente Gods onderdrukt wordt; zoo kan het ook zeer lang duren, dat de ziel blijft zitten in duisternis, en smacht onder den druk van lichamelijken nood, of nood der ziel. Eenen langen tijd kan iemand in een Bethesda blijven liggen zonder hulp, of zonder uitzicht op hulp. (Vergel. Ps. 40 : 2.) Na zulk eenen langen tijd kwam er in Egypte een andere koning op den troon. De koning, waarschijnlijk degene, die Mozes zochtte dooden, schijnt nog langen tijd geleefd, en, uit wraak over den .gedooden Egyptenaar, Israël bovenmate onderdrukt te hebben. Maar ziet, hij stierf, en nu kon Mozes weder naar Egypte gezonden worden, gelijk wij lezen Hoofdstuk 4 : 1 9 : „Ook zeide de Heere tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weder in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uwe ziel zochten". Bij deze wisseling in het bestuur zullen de kinderen Israëls wel op verzachting van hun lijden door den nieuwen koning gehoopt hebben; maar tevergeefs. De nieuwe koning maakte zich nog schuldiger voor den Heere en Zijn volk. Doch nu kwam Gods tijd, en als het Gods tijd is, dan geeft Hij den Geest des gebeds om uitkomst. Deze Geest bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen (Rom. 8 : 26), zoodat men begint te zuchten, en van zuchten komt het tot schreeuwen, zooals wij verder lezen: Do k i n d e r e n I s r a ë l s z u c h t t e n en s c h r e e u w - d e n o v e r d e n d i e n s t . Zij zullen ook wel reeds vroeger tot God geroepen hebben; maar nu werden zij door de zoo lang uitgestelde hope tot -vertwijfeling gedreven. Er was hier voor hen geene hulpe, geene uitkomst meer. Zoo komt het tot het uiterste, en de uiterste nood dringt den lijdende tot den almachtigen Ontfermer henen.
De gevang'nen, in hun zuchten,
Hoort Hij, als zij tot Hem vluchten;
Om hen uit de wreede kaken
Van den dood eens los te maken. (Ps. 102 : 11.)
Vergelijken wij met dit zuchten en schreeuwen, wat de Gemeente Gods sedert duizenden van jaren gezongen, en waarachtig bevonden heeft, volgens Psalm 77, 86 en 102.
E n h u n ge k r i j t o v e r h u n n e n d i e n s t k w a m op t o t God. Dat luidt, alsof hun geroep allen mogelijken tegenstand had gevonden, zoodat het eerst na overwinning van groote zwarigheden, die in den weg stonden, voor God gekomen is, eenigszins gelijk de bede van eenon mensch, wien allen, die eenen koning omringen, kwalijk gezind zijn, zoodat hij zijne bede van den koning niet verkrijgt, en die toch eindelijk eene voorspraak vindt, dio hem of zijne bede voor den koning brengt. Wat nu in den weg staat, is de groote nood, de schrikkelijke aanvechting over God? toorn en gramschap, de vele zonden, en bovenal de duivel als aanklager. Alleen door den Middelaar Jesus Christus komt ons geroep voor God. Zoo luidt het ook Ps 18 : 7: „En mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijne ooren". (Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 november 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Aanteekeningen op Exodus 2. (Vervolg.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 november 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken