Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Eene stem uit de hoofdstad van Moravië.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Eene stem uit de hoofdstad van Moravië.

15 minuten leestijd

Moravië en Bohemen nemen in de geschiedenis der Christelijke Kerk eene zeer belangrijke plaats in. Noemt men Bohemen liet land van Hus^ Moravië kan men met alle recht het land der B r o e d e r - U n i t e l t (Unitas fratrum) noemen Wel is waar ontstond de voormalige Uniteit der Boheemsch-Moravische Broeders in Bohemen, doch juist in haar geboorteland werd zij gedurende bijna den ganschen tijd van haar bestaan zoowel door de Papisten als door de Utraquisten vervolgd. In Moravië, waar zij spoedig wortel schoot, ging het haar beter. Eenerzijds sloot zich daar de familie Zierotin hij haar aan, die de grootste goederen in Moravië bezat, en daardoor in het land oenen machtigen invloed uitoefende; anderzijds voelde de partij der Utraquisten in Moravië zich niet sterk genoeg tegenover de Papisten, en achtte het daarom raadzaam, zich door de aanhangers der Uniteit te versterken. Vandaar dat de strenge edicten, die de Boheemsche koningen tegen de Uniteit uitvaardigden, in Moravië niet nagekomen werden ; zelfs heeft de Moravische Landdag niet éénmaal zulk een edict tot een punt van bespreking gemaakt. Zonder vervolging waren natuurlijk de Broeders ook in Moravië niet, maar deze was hier noch van zoo grooten omvang, noch zoo wreed als in Bohemen. De eigenlijke zetel der Uniteit werd daarom naar Moravië verplaatst.
In Moravië werden de meeste en belangrijkste synoden gehouden. In Moravië werden ook de grootste mannen der Uniteit geboren, en waren aldaar werkzaam. Wij noemen van dezen slechts een drietal: J o h . B l a h o s l a v , die het Nieuwe Testament uit den grondtekst in het Boheemseh vertaalde, en ook menige andere pennevrucht op letterkundig gebied leverde; G e o r g S t r y c , die de Psalmen berijmde, de Institutie van Calvijn in liet Boheemseh overzette, en eene Bijbelverklaring schreef; en J o h . A m o s C o m e n i u s , den wereldberoemden paedagoog en theoloog. Moravië was de werkplaats van den belangrijksten letterkundigen arbeid in het algemeen; het beroemdste werk, de K r a l i t z e r B i j b e l , de eerste Boheemsche overzetting der gansche Heilige Schrift uit de grondtalen, van kantteekeniiigen voorzien, op de manier van de Nederlandsche Statenvertaling, is te Kralitz in Moravië voltooid.
De Uniteit was juist in haren bloeitijd, toen de noodlottig» slag aan den Witten Berg (8 Nov. 1620) haar eene schrikkelijke ramp bereidde. Waar Rome eenmaal onbeperkte macht verkreeg, daar wachtte den andersdenkenden een vreeselijk lot. De Nederlanden weten van de gruwzame wreedheid der Roomschen genoeg te vertellen, Bohemen en Moravië nog meer. Op zulk eene schrikkelijke wijze werd hier de t e g e n - r e f o r m a - t i e ingevoerd, dat wie maar kon, naar het buitenland vluchtte.
De Broeders der Uniteit, de Gereformeerden in het algemeen,, moesten het meest lijden. Ofschoon men in Bohemen even streng te werk ging als in Moravië, heeft men zich hier toch veel meer beijverd, om inzonderheid in de steden en dorpen der- Uniteit „alle ketterij" uit te roeien. In de rijkste gewesten en in de aanzienlijkste steden gelukte dit volkomen; slechts in de arme bergstreken, waar men den Bijbel gemakkelijker verbergen en in het geheim kon lezen, bleven eenige vonken van het eertijds zoo helder stralende licht over.
Toen keizer Jozef II in 1781 het T o l e r a n t i e - p a t e nt uitvaardigde, ontstonden in de welvarende deelen des landsslechts twee Gemeenten; al de overige Gereformeerde Gemeenten van Moravië worden in de arme, j a allerarmste bergstreken gevonden. In het vruchtbaarste oord, dat Hanna genoemd wordt, en vroeger grootendeels door de leden der Uniteit bewoond werd, is zelfs geene enkele Gereformeerde Gemeente ontstaan. Eerst tusschen 1840 en 1850 zijn daar eenige familiën, in weerwil van harde vervolging, Gereformeerd geworden. In de in de geschiedenis der Uniteit zoo beroemde steden, alsPrerau, Eibenschitz, Ilongaarsch Brod, Rossitz, Namiest, Trebitsch, Seelowitz, Kralitz e. a. is niemand uit de vroegere tijden Gereformeerd gebleven. De Gereformeerden, die daar thans zijn, hebben zich daar in den loop der laatste 50 jaren nedergezet.
Had Bohemen sinds den tolerantie-tijd in het vruchtbaregedeelte des lands zoo geene stadsgemeenten, dan toch verscheidene dorpsgemeenten, de Gereformeerden van Moravië bleven bijna geheel tot de armoedige en afgelegene bergstreken beperkt; en werd de wasdom der Kerk in Bohemen veelvuldig door armoede belemmerd, nog meer was dit het geval in Moravië.
IIet arme Gereformeerde volk van Moravië moet, door den nood gedrongen, gedurende den zomer in de vruchtbare oorden bij de Roomsch-Katholieke boeren werk zoeken. Blijft deze of gene voortdurend onder de Roomschen, dan wordt hij mettertijd in geloofszaken al koeler en koeler, totdat hij ten slotte tot de Roomsche Kerk overgaat, of een gemengd huwelijk sluit, en de kinderen door onderteekening van zekere verklaring (revers) aan de Roomsche Kerk overlaat.
Sinds de nijverheid in het land is toegenomen, gaat het overschot der bevolking uit de arme dorpsgemeenten naar de industrie-steden, hoofdzakelijk naar Briinn, waar vooral de wol-industrie van zeer veel belang is. In de fabriekssteden heeft echter de Gereformeerde Kerk van Moravië geene Gemeente en o n t b r a k tot vóór weinige jaren in het algemeen ook de p r e d i k i n g des W o o r d s . Zij verloor daardoor vele liarer leden, inzonderheid te Briinn.
Er is te Briinn sedert den tolerantie-tijd wel is waar eene rijke Duitsche Evangelische Kerk, die de firma „A. O. en H. C." ') draagt, maar inderdaad van de Augsburgsche Confessie is ; alleen wordt den Duitsch-Gereforineerden bij het Heilig Avondmaal het gebroken brood in plaats van den ouwel uitgereikt. Deze Gemeente heeft vroeger ook eenige arme Boheemsche Gereformeerden ondersteund en met de noodige ambtsverrichtingen bediend; maar dat alles kon de Gereformeerden niet bevredigen. "Wie inderdaad Gereformeerd is, •wordt afgeschrikt door de inwendige inrichting der Duitsche Evangelische kerk te Brünn; het altaar met een crucifix en liet groote beeld daarboven boezemt den Gereformeerden eenen onverwinlijken afkeer in. In zulk eene kerk kan men zich nimmer tehuis gevoelen. Ook de overige verschillen zijn voor iemand, die waarlijk Gereformeerd is, verre van onbeduidend.
Daarenboven wordt in alle Gereformeerde Gemeenten van Mora- -vië het Boheemsch gesproken; wat uit deze Gemeenten te Brünn komt, spreekt dus Boheemsch; in de Duitsch-Evangelische kerk te Brünn wordt echter in het Duitsch gepreekt. Ook is er slechts des voormiddags dienst; er zijn echter vele Gereformeerden, vooral onder de dienstbaren, die alleen des namiddags naar de kerk kunnen gaan. Eindelijk moet vooral niet vergeten worden, dat de eigenlijke herderlijke werkzaamheid onder de Boheemsche Gereformeerden, die zoo noodig is, uitbleef.
Eens werd een Boheemsch Gereformeerd dienstmeisje in eene Roomsch-Katholieke kerk haar geld ontstolen. De zaak kwam voor de rechtbank. De rechter vroeg : „Wat deedt gij in de Roomsche kerk, daar gij toeh Evangelisch zijt ?" „In de Evangelische kerk," luidde het antwoord, „is geene Boheemsche prediking; Duitsch versta ik niet, daarom ging ik naar de Roomsche kerk." De rechter vervoegde zich niet lang daarna bij eenen Boheemschen Gereformeerden leeraar, en zeide tot hem: „Gij moet te Brünn in het Boheemsch preêken", en vertelde hem het geval met het dienstmeisje.
De prediking en het herderlijk toezicht waren voor onze stad hoogst noodig, doch de Gereformeerde superintendentuur van Moravië had daarvoor geen geld, en de weinige arme menschen te Brünn konden den leeraar toch niet onderhouden. Men kwam eindelijk op de goede gedachte, om voor Moravië een reizend predikant aan te vragen, die gevestigd zou zijn te Brünn, en uit de staatskas zou onderhouden worden.
Iutu8schen ontstond de jarenlange strijd tusschen de Gereformeerde Gemeente te Nusslau aan de eene, en de Duitsch- Evangelische Gemeente te Brünn aan de andere zijde. Het ging om de Boheemsche Gereformeerde gemeenteleden te Brünn. Dezen wenschten door eenen Boheemschen Gereformeerden leeraar bediend te worden ; de Nusslausche Gemeente trok zich hun lot aan, doch de Duitsch-Evangelische Gemeente te Brünn verklaarde hen voor hare gemeenteleden, en wist vfin de burgerlijke overheid te verkrijgen, dat den Gereformeerden leeraar de prediking en alle geestelijke ambtsverrichtingen verboden werden. ') Het oppercousistorie te We'enen heeft in deze zaak eindelijk eene beslissing genomen, en wel heeft het verklaard, dat de Boheemsche Gereformeerden te Brünn tot de Nusslausche Gemeente zouden hehooren, welker beslissing door het ministerie van eeredienst in 1883 bevestigd is.
In hetzelfde jaar werd ook de reizende predikant voor de Gereformeerde diaspora van Moravië toegestaan ; als zoodanig werd de candidaat V. Pokorny beroepen, die den 8Bten December 1883 tot zijn dienstwerk werd ingeleid.
Zoo waren dus de Boheemsche Gereformeerden te Brünn zeker van hunnen predikant, in zooverre nml. de staatskas zeker is; maar overigens hadden zij niets. Eene zaal tot het houden van godsdienstoefeningen en een harmonium tot begeleiding vau het kerkgezang werden gehuurd; de noodige banken werden geleend. Er was echter geen geld voorhanden, om de huur te betalen, en de kleine kudde was zeer arm. Doch op God vertrouwend heeft men moedig de handen aan het werk geslagen, en moedig zet men het voort. Eiken Zondag wordt er tweemaal gepreekt '), zondagsschool (onder kerkelijk toezicht) gehouden, en gelegenheid tot oefening in het kerkgezang gegeven. Bovendien worden de leerlingen der volksscholen op werkdagen in den godsdienst onderwezen, terwijl den leerlingen der middelbare scholen eveneens godsdienstonderwijs wordt verstrekt. Jonge mannen worden door eene bijzondere voorzorg zooveel mogelijk aan kwade invloeden onttrokken. De door gemengde huwelijken verlorene kinderen tracht men te herwinnen. Die zich als gemeenteleden hebben aangemeld, worden bezocht, en die zich niet aanmelden en zich niet in bijeenkomsten laten zien, worden opgezocht en vergaderd. Van tijd tot ti|d worden te Briinn en in de voorsteden ook Bijbellezingen gehouden, — kortom, al wat tot den in- en uitwendigen bloei der Gemeente kan strekken wordt met ijver in het werk gesteld.
Is dat alles voor de geestelijke welvaart der Gemeente noodig, die arbeid draagt ook de meest verblijdende vruchten. Toen de reizende predikant hier zijn dienstwerk begon, telde de Brünnsche diaspora Gemeente slechts 80 zielen (de leerlingen der middelbare scholen en de soldaten niet medegerekend); einde Juni 1884 telde zij reeds 163 zielen, einde December 1884: 213, einde 1885 : 301, einde 1886 : 343, einde 1890: 497, einde 1891: 530, einde Juni 1892: 548. Wat echter veel meer beteekent dan deze cijfers, is, dat de Brünnsche diaspora-Gemeente geene doode Gemeente is, maar geestelijk leven heeft. Dat er inderdaad lev^n in haar is, wordt haar van verschillende zijden betuigd. Yoor de Nederlandeche broederen zal dit getuigenis kunnen bevestigd worden door Ds. Lütge, predikant te Amsterdam, die de vergaderde Gemeente verleden zomer door eenen tolk zelf toegesproken heeft
Het aantal der gemeenteleden neemt merkelijk toe, de uitgaven der Gemeente worden daardoor steeds grooter, maar de inkomsten nemen niet in dezelfde mate toe Er zijn nml. vele gezinnen, die niet in staat zijn, ook maar het minste bij te dragen Een dienstmeisje kan eerder iets geven dan een arm huisvader. In het laatste jaar waren voor de huur, de armverzorging en andere uitgaven 900 florijnen noodig; de Gemeente zelve kon echter door vrijwillige bijdragen, kerkcollecten en gaven slechts bijna 500 Horijnen bijeenbrengen, en dat mag reeds veel heeten. Jaar uit jaar in moeten wij een beroep op de milddadigheid der meer gegoede broederen in het binnen- en buitenland doen. Het is waarlijk een treurig lot ; door hoevele zorgen toch worden wij voortdurend gekweld! De nakomelingen der oude welbekende Broeder-Uniteit in de hoofdstad vau hun land hebben aalmoezen noodig van buitenlandsche geloofsgenooten, gelijk eenmaal de geloovigen Israële in de hoofdstad van het heilige land. De Gereformeerde Gemeente te Brünn weet niettemin veel van de genade Gods te vertellen, door welke zij nu reeds negen jaren bestaat. Zij kwam dikwijls in grooten nood, maar God heeft haar altijd ter rechter tijd getrouwelijk uitgeholpen. Wat voor de prediking onontbeerlijk was, heeft zij door de goedheid Gods altijd gehad.
Gedachtig aan deze ervaring ziet zij dan ook met vertrouwen op tot God, nu zij hoe langer zoo meer begint te gevoelen, hoe noodig hét voor haar bestaan en voortbestaan is, een eigen bedehuis en pastorie te hebben De Heere, Die het door Zijnen Heiligen Geest in ons werkt, dat wij eene gemeenschap der heiligen gelooven, zal gewissehjk de harten der Zijnen neigen, om het arme hoopje Gereformeerden in de hoofdstad van Moravië te helpen aan den bouw van bedehuis en pastorie.
Dat de Gemeente te Brünn werkelijk behoefte heeft aan een eigen bedehuis, blijkt uit de volgende bijzonderheden.
Doordien de bijeenkomsten des Zondags hoe langer zoo drukker bezocht worden, is de zaal, waar wij thans vergaderen, al weer te klein. ') Ds. Lütge te Amsterdam heeft er zich genoegzaam van kunnen overtuigen, hoe benauwd het in de overvolle zaal kan worden, en toch heeft hij op eeneu koelen, regenachtigen avond daarin gesproken. Wat moeten echter de predikant en de hoorders uitstaan,, wanneer de Gemeente des voormiddags om 10 uur of des namiddags om 3 uur op eenen heeten zomerdag bijeen is! Welhaast zal de zaal zoo overvol zijn, dat wij een veel ruimer en luchtiger lokaal moeten hebben. Zulk een lokaal zou voor godsdienstige doeleinden hier bezwaarlijk te krijgen zijn, en mocht het al gelukken, dan zouden wij eene zeer groote som gelds aan huur moeten betalen.
Verder vergete men niet, dat Brünn Roomsch-Katholiek is, en dat de ons kwalijk gezinde en dweepzieke bevolking het ons te eeniger tijd wel eens onmogelijk zou kunnen maken, om ons van eene zaal voor onze godsdienstoefeningen te voorzien.
Op eene andere omstandigheid wijst het volgende geval. Onlangs kwam bij onzen predikant eene oude, arme Gereformeerde vrouw, die niet de nieuwere wetten zeer slecht op de hoogte was, en in hare droefheid vertelde, dat eene Roomsclie vrouw haar gezegd had, dat de bisschop van Brünn het nooit toestaan zou, dat de Gereformeerden te Brünn eene kerk kregen. Om haar gerust te stellen, moest de predikant haar lang en breed uitleggen, dat de bisschop hierin niets te zeggen had.
De Roomschen vinden, zoolang onze Gemeente hare godsdienstoefeningen in eene gehuurde zaal moet houden, voortdurend gelegenheid, om met haar den spot te drijven. De meeste gemeenteleden storen zich daar wel niet aan, maar de zwakkeren laten er zich door afschrikken; in elk geval wordt de Evangelisatie-arbeid daardoor geschaad.
Eene der gewichtigste redenen, waarom wij een eigen bedehuis begeeren, is wel deze, dat onze Gemeente eerst dan tot hare zoozeer gewenschte zelfstandigheid zal kunnen geraken, wanneer zij in het bezit daarvan en van eene pastorie zal zijn. Tot nu toe is onze Gemeente slechts eene diaspora-Gemeente, een predikstation, voor de wet deel uitmakende van de Nusslausche Gemeente; zij wordt verzorgd door den reizenden predikant, die aan nog andere steden, met name Prerau, Namiest, Eibenschitz, en gedeeltelijk ook aan Trebitsch, het Woord Gods te brengen en aldaar te voorzien heeft in het godsdienstonderwijs. Dat deze arbeid de kracht van één dienaar des Evangelies verre te boven gaat, is licht te begrijpen. Zal de reizende predikant in de genoemde steden, waar het arbeidsveld inderdaad zeer groot is, met goed gevolg werkzaam zijn, dan moet Brünn eene zelfstandige Gemeente worden, en eenen predikant voor zich alleen hebben, wat ook voor Briinn van zeer groot gewicht is, dewijl in deze stad en hare voorsteden een bedienaar des Woords reeds meer dan genoeg te doen heeft.
Het b e d e h u i s mag dus e e n e n o o d z a k e l i j k e beh o e f t e genoemd worden; allen, die met de plaatselijke toestanden alhier van nabij bekend zijn, stemmen dit volmondig toe. De Gemeente begeert geen monumentaal gebouw, maar slechts een zeer eenvoudig doch doelmatig bedehuis en eene eenvoudige pastorie. Yoor den bouw nu zal eene som van minstens 30 000 florijnen noodig zijn. Onze Gemeente heeft daarom reeds een bouwfonds bijeengebracht, dat over 6000 florijnen te beschikken heeft. De gemeenteleden zeiven hebben 1000 florijnen gestort, inderdaad meer, dan men verwacht had, want de Gemeente is zeer arm. Menig dienstmeisje heeft zelfs 20 florijnen daartoe bijgedragen; een schoolgaand meisje gaf haren met moeite overgespaarden gulden. De 24 arme Geïneenten van Moravië hebben eene zoo groote belangstelling voor Brünn aan den dag gelegd, dat zij voor het bouwfonds 1200 florijnen aan huiscollecten verzameld hebben. Uit de staatskas is ons door de bemoeiing van het opperconsistorie eene som van 1500 gulden toegekomen. Het overige kwam uit andere bronnen. De Gustaaf-Adolfvereeniging heeft onze Gemeente tot dusverre slechts zeer schaars bedacht.
Vele gelden zijn dus nog noodig. De Gemeente zelve, de Moravische superintendentuur en het opperconsistorie hebben gedaanj wat zij konden. Zoo ziet onze Gemeente zich dan genoodzaakt, bovendien hulp te zoeken bij de broederen in het buitenland.
Nederland heeft haar tot nu toe jaarlijks met eene gave gesteund, die haar toekwam door tusscbenkomst van Ds. Lütge. Onze reizende predikant Pokorny denkt nu echter zelf tegen het einde dezer maand zich naar Nederland te begeven, om voor het bouwfonds te collecteeren, in de vaste overtuiging, dat de broederen aldaar nog tot heden den nakomelingen der oude Uniteit een warm hart toedragen, gelijk de Nederlanders van voor twee eeuwen onzen vaderen, die om des geloofs wille als ballingen buitenslands zwierven, menig bewijs hunner broederlijke liefde schonken.

Brünn, 28 October 1892.

V . Pokorny.
K. Vilim.
A . Dlask.


De Redactie van het A m s t e r d a m s c h Z o n d a g s b l ad verklaart zich gaarne bereid, gaven voor de Gemeente te Brünn in ontvangst te nemen.


1) Augsburgsche Confessie en Helvetische Confessie.


1) Vergelijk , Der Aufschwung der Böhmisch-Mährischen Kirche" door Ds. H. A. J. Lütge. Amsterdam, Scheffer & Co. 1888. Bladz. 68 en 69.


1) Als de reizende predikant elders dienst doet, wordt te Brünn eene preek voorgelezen.


1) Tweemaal reeds hebben wij, wegens te kleine ruimte, van vergaderplaats moeten veranderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 november 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Eene stem uit de hoofdstad van Moravië.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 november 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken