Bekijk het origineel

Aanteekeningen op Exodus 2, (Vervolg en Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekeningen op Exodus 2, (Vervolg en Slot.)

5 minuten leestijd

Yers 24. En God h o o r d e h u n g e k e r m . Dat luidt, alsof Mozes in den hemel geweest is, en daar dit gekerm heeft vernomen. Want zoo geschiedt het toch in den hemel, terwijl het volk Israëls op aarde klaagt. Maar de Heilige Geest heeft dat aan Mozes alsook aan de kermenden geopenbaard, dat zij ondervonden hebben, hoe het hun gegeven werd, om met hun kermen er door heen te dringen. Gelijk het geroep eens verdrukten een roepen om hulpe of verlossing is, zoo is het weeklagen, het zuchten, het snikken van eenen diepbedroefde, door het zwaard of door smart doorboorde, dien niemand dan de almachtige Ontfermer helpen kan. Aldus komt het voor Ps. 79 : 11, en Klaagl. 2 : 5: „Hij heeft bij de dochter van Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd". Ex. 6 : 4 spreekt de Heere God: „Ook heb Ik g e h o o r d het gekerm der kinderen Israëls". Zoo straft ons God dan niet vanwege onze traagheid, dat wij ons in het lijden nauwelijks tot Hem opgemaakt hebben, en Hij leert ons, dat Hij hoort, als wij met ernst tot Hem roepen. Dit is gansch troostelijk te vernemen. Hierbij behoort, wat in het Boek der Richteren zoo dikwerf herhaald wordt: „En zij deden de vreemde goden uit hun midden weg, en dienden den Heere. En het berouwde den Heere huns zuchtens halve vanwege degenen die hen drongen en die hen drukten". (Hoofdst. 10 : 16 en 2 : 18.) En zoo werd de Heere niet moede noch mat, hun redders te verwekken. (Yergel. Hoofdst. 4 : 3 en 4. Hierbij behoort ook Ps. 107 : 10—14.)
En God g e d a c h t aan Z i j n V e r b o n d met A b r a h a m, met I z a k , en met J a k o b , dat hun zaad zijn zou als de sterren des hemels, en dat in hun zaad alle volkeren der aarde zouden gezegend zijn. Vergelijk Ps. 105:8: „Hij gedenkt Zijns Verbonds tot in der eeuwigheid". O, Hij kan het Verbond van eeuwige genade, dat Hij met den Borg des Verbonds opgericht heeft, nooit vergeten! (Ps. 89 : 1.)
Ach! Gij getrouwe en waarachtige God, vergeef het mij naar de veelheid Uwer genade, dat ik niet gedachtig blijf aan het Verbond hetwelk Gij met mij opgericht hebt in Uwen Gezalfde, noch aan den eed, welken Gij mij gezworen hebt, toen Gij mij op Uwen weg gezet hebt volgens Jes. 54 : 3—10. Gjj hebt uit vrije genade mij in dit Verbond opgenomen; waarop zou ik mijne gebeden, mijn weeklagen gronden, zoo niet op Uwe genadige beloftenissen ? Waar Uwe machtige hulp mij verborgen blijft, daar is het mij, als hadt Gij Uw Verbond vergeten. Maar om Uws Naams wil kunt en zult Gij Uw Verbond alzoo gedachtig blijven, dat Gij U zichtbaarlijk aan mij openbaren zult, als mijnen getrouwen Redder. (Vergel. 2 Kon. 13 : 23.)
Vers 25. En God zag de k i n d e r e n I s r a ë l s aan, « n G od k e n d e hen. Kostelijke woorden zijn dat: God ziet hen aan; God ontfermt Zich over de armen en ellendigen. Van ons geldt het daarentegen: „Als wij Hem — onzen Verlosser — aanzagen, zoo was er geene gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben". (Jes. 53:2.) En hoe langen tijd weigerden wij, Hem te erkennen! — Zelfs zwoer een Petrus in den hof van Kajafas: Ik ken dezen Mensch niet. Dat zijn onze zonden, — en dat is des Heeren goedheid, dat Hij ons in genade wil aanzien, ons wil aanzien met een oog vol medelijden, vol ontferming, ja, dat Hij tot ons spreekt: „Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid". O welk eene ontferming over zoodanigen als wij zijn, welke waardig waren, dat de Heere tot ons zeide: „Ik ken u niet". — Maar dewijl Hij ons aanziet, zoo geeft Hij het gebed: „Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. Aanzie mijne ellende en mijne moeite, en neem weg al mijne zonden". (Ps. 25 : 16 en 18), en: „Gij hoort het gebed", (Ps. 64 : 3), en Hij geeft ons het loflied in het harte: „Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijne ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame, want gij hebt al mijne zonden achter Uwen rug geworpen". (Jes. 28 :17). Waar God ons nml. aanziet, daar ontfermt Hij Zich om ons te verlossen met eene volkomene verlossing. (Hebr. 2 : 16).
Ik zal mij verheugen en verblijden in Uwe goedertierenheid, omdat Gij mijne ellende hebt a a n g e z i e n , en mijne ziel in benauwdheden gekend. (Ps. 31 : 8.) Dat wjj het ter harte nemen: God zag aan, — God kende.
Abrahams zaad moet als zoodanig van de wereld en den duivel alles verdragen; maar het kan niet uitgeroeid worden. Het wordt om zijner zonden wil met menschenroeden getuchtigd, evenwel zal alles het medewerken ten goede; — het zal Egypte, wereld, zonde en de tirannie des duivels van harte leeren haten en vlieden, en koninklijk verlost worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 november 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Aanteekeningen op Exodus 2, (Vervolg en Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 november 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken