Bekijk het origineel

Aanteekening op Exodus 15 : 22—26.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekening op Exodus 15 : 22—26.

5 minuten leestijd

Vers 22. En zij g i n g e n drie dagen in de woest i j n , en vonden geen water. Eene voor het vleesch verschrikkelijke verzoeking in de woestijn, vooral naardien de derde dag steeds zinnebeeld der verlossing is. Het kwam dus hier met het lijden van den dorst wel tot het uiterste.
Vers 23. Toen kwamen zij te Mara; doch zij k o n d e n het water van Mara niet d r i n k e n , want het was b i t t e r . Op den derden dag water te vinden, dat bitter in plaats van zoet is, dat men derhalve niet drinken kan, dat is wel vreeselijk. Wij zouden willen vragen: waarom? Zal het dan ganschel|jk gedaan zijn met de goedertierenheid en trouwe Gods, en dat wel na de geduchte nederlaag der vijanden, na zulk eene heerlijke uitredding? Arme mensch, het is in het einde toch alles bitter, en het blijft bitter en eene waarlijk bittere stervensure, indien gij niet met Mozes het hout zoekt en vindt, hetwelk alleen al het bittere van zoovele wateren in zich opzuigt en indrinkt. O, werp gij, hoezeer ook bevend, — want hoe is het mogelijk? en nochtans geloovend,— want zóó is het mogelijk, — het hout, dat gij in het Evangelie vindt, ik bedoel het kruis van Christus, in hot bittere water, dat gij niet drinken kunt! Zoo? Ja, waarlijk zóó, en zoo wordt al het bittere zoet. Dat wijst de Heere God u aan op uw schreeuwen; en nu gedronken, het is voor u. Het bittere op den derden dag gevonden, en toch op dien dag het zoete gevonden, — Gods genade zij geprezen!
Vers 24. Toen m u r m u r e e r d e het volk. Ach ja, wat kunnen wij anders, zoolang wij Christus niet kennen, zoolang Hij niet door het geloof in onze harten woont en wij in de liefde niet geworteld zijn, of ITem vergeten hebben. Wel ons, dat God, de barmhartige Heere, ons zulk murmureeren niet toerekent.
Vers 25. En de Heere wees hem een hout. Ja, zoo Hij dat niet deed, — wij zijn stekeblind, en vinden het nooit en nimmer, ofschoon wij het ook in de leer hebben, dat God om de genoegdoening Christi al onze zonden en voorts onzen zondigen aard, waarmede wij ons leven lang te strijden hebben, nimmermeer gedenken wil. „Heere, open mijn oogen, opdat ik aanschouwe de wonderen Uwer Wet."
A l d a a r s t e l d e H i j het v o l k eene i n z e t t i n g en r e c h t : eene wet, dat wij in Christus blijven en altijd dit gezegende hout in onze bitterheid werpen; een recht en eeuwig voorrecht der genade, dat het bij God zoo uitgemaakt is, dat het lijden en sterven van Christus ons lijden en ons sterven verzoet. Nademaal Hij voor ons den dood heeft verslonden en al het bittere uitgedronken, zal wat nog zooeven zonde was, om Zijnentwille heilig zijn. Daaraan mogen wij ons houden, en het bittere is zoet, want van Zijn kruis heersoht Hij met almacht.
H i j v e r z o c h t h e t z e l v e . De arme mensch meent, dat hij er zoo spoedig mede gereed is, om de genade als genade aan te nemen, het gansche leven aan te nemen en te genieten als door Christus geheiligd. Wel ons, als wij meer dan eenmaal daarin een examen moeten ondergaan, opdat onze onmacht blijke, en de genade genade, en het werk des Heiligen Geestes het werk des Heiligen Geestes blijve, en wij uit het geloof leven.
Vers 26. Met ernst naar de stem des Heeren uws Gods hooren. Dat is: gelooven, wat God van het hout zegt, dat het bittere van onB in zich opneemt en het zoet maakt, en het dan, op God vertrouwend, in dat bittere •werpen. K r a n k h e d e n , — hier geldt, wat Mattheüs in zijn Evangelie aanvoert, Hoofdstuk 8 : 1 7 , en Jesaia 53: „Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen", en wat de Ileere bij Jesaia betuigt: „Geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek; want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van zonden hebben". Letten wij er wel op, met welke woorden deze geschiedenis besloten wordt: W a n t Ik ben d e I l e e r e , uw H e e l m e e s t e r . Krankheden zijn van den Heere vaak, om ons te beproeven, en daar verstaat de duivel er zich zeer goed op, om zich van onze eigenliefde, onze afkeerigheid van dood en kruis te bedienen en ons zeer dwaas, zwak en krachteloos te doen worden, en ons op te houden. Welaan dan, tot Hem gegaan, Die onze krankheid gedragen heeft; in het geloof in Jesus ligt eene wonderlijke kracht, ook voor het zwakke lichaam.
Februari 1867. H. F. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 november 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Aanteekening op Exodus 15 : 22—26.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 november 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken