Bekijk het origineel

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 12 : 9—13. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 12 : 9—13. (Slot.)

8 minuten leestijd

Wij lezen verder Vers 12: V e r b l i j d t u in de hoop. Z f j t g e d u l d i g in de v e r d r u k k i n g . V o l h a r d t in het g e b e d . Dat geeft de Apostel den geloovigen mede op den weg. Hoe dikwijls vermaant hij ook op andere plaatsen: „Verblijdt u, wederom zeg ik : Verblijdt u !" En hoe dikwijls lezen wij in de Psalmen de uitnoodiging: „Komt, laat ons den Heere vroolijk zingen, laat ons juichen den Rotssteen onzes heils". (Ps. 95: 1.) De Heere wil niet, dat Zjjne kinderen droevig zien, Hij wil gaarne vroolijke gezichten hebben. „Om ons heilgenot, Worde Jakobs God, Met gejuich geprezen!" (Rijmpsalm 81.) En zoo stemt Hij onze harten tot blijmoedig lofgezang. Maar, zal deze of gene, ja misschien menigeen zeggen: hoe zal ik mij verblijden, hoe vroolijk zijn ? immers is er zoo veel, dat mij ternederdruUt, en waaronder ik gebukt ga, — nochtans: verblijd u in de h o o p , — zie het venster uit, en zie uit naar Hem, Die gezegd heeft: „Zie, Ik kom haastelijk!" Hij komt en zal alles wél maken. Niet slechts het begin en het midden van den weg, — ook het einde is in Zijne hand. De Heere heeft de Zijnen wedergeboren tot eene levende hoop, — tot eene onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is. (1 Petr. 1 : 3 en 4.) Daarheen het oog gericht, en gesproken : „Wat buigt gij u neder, o mijne ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts en mijn God". Deze hoop beschaamt niet; zij is als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste des voorhangsels, waar de troon der genade Gods staat, en daar wordt de ziel verkwikt en verblijd, zoodat zij weder vroolijk wordt, vroolijk in de hoop, al blinken er ook tranen in de oogen. Die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden : zij zullen loopen, en niet moede worden. — En gelijk het woord : „Verblijdt u in de hoop", zoo komt ook verder het woord: Z i jt g e d u l d i g in de v e r d r u k k i n g . Het kan eenmaal niet uitblijven : hoe rooskleurig het heden zich ook aan ons voordoet, de toekomst draagt velerlei moeilijkheden in haren schoot. Wij moeten door vele verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk Gods, heeft de Apostel gezegd, om der zonde wil kan het niet anders, en de Vader kastjjdt Zijne kinderen; daarom gewaagt ook het Huwelijksformulier niet allereerst van vreugde en genot, maar begint met de ernstige woorden: „Overmits den gehuwden gemeenlijk velerhande tegenspoed en kruis vanwege de zonde is toekomende". Komt het dus, wat Gods Woord ons in het vooruitzicht stelt, overvalt het ons van den eenen of anderen kant, of ook van alle zijden, — bezitten wij onze zielen in onze lijdzaamheid! „Want gij hebt lijdzaamheid van noode; opdat gij, den wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen." (Hebr. 10 : 36.) De uitdrukking „geduldig zijn", zooals zij hier in de Heilige Schrift voorkomt, wil eigenlijk zeggen: er onder blijven, namelijk onder het kruis blijven, dat God ons heeft opgelegd, het niet van ons afwerpen, maar het dragen, totdat Hij, Die het ons oplegde, het ook weer van ons afneemt. En inmiddels? Ja, daar komt dan vervolgens het woord: V o l h a r d t in het g e b e d Gaat altijd weder tot Hem, den God en Vader onzes Heeren Jesus Christus, tot Hem, Die gezegd heeft: „Bidt, en u zal gegeven worden", en: „Roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren". Altijd tot Hem henen, als wij in onszelven niets hebben, in onszelven niets vinden, geene wijsheid en geene kracht, om Gods wil te doen, — altijd tot Hem henen met ons zuchten en bidden, en volhard, want bij Hem is de volheid, bij Hem een rijkdom tegen al onze armoede. Wij lezen van llem, dat Hij mildelijk geeft en uiet verwijt, — en dus niet zegt: Zijt gij daar al weêr met uwe zaken? Het is Zijn genadige wil, dat wij Hem bidden. En zoo Hij uitblijft met Zijne hulp, ja al schijnt het ook, als wilde Hij in 't geheel niet hooren, — laat ons volharden in het gebed, en doen zooals de weduwe tegenover den onrechtvaardigen rechter, — hoewel deze God niet vreesde en geenen inensch ontzag, deed hij haar toch ten laatste recht om haar aanhouden tot in het onbeschaamde, — en de Heere zegt: „Zal God dan geen recht doen Zijnen uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen?" — die dus volharden in het gebed. Doen wij, zooals Jakob deed aan het veer Jabbok, toen hij met den Heere worstelde; toen Deze tot hem zeide: „Laat Mij gaan!" antwoordde hij Hem: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent". Doen wij, zooals de Kananesche vrouw deed, die, toen de Heere tot haar zeide : „Het is niet betamelijk, het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen", antwoordde: „Ja Ileere! doch de hondekens eten ook van de brokjes, die er vallen van de tafel hunner heeren", en zoo den Heere overwon. Dat is volharden in het gebed, — niet ophouden, totdat men het heeft.
En waar men zoo door God wordt geleid en gehouden, dat men moet volharden in het gebed, en men dus voor Hem een bedelaar is en een bedelaar blijft, daar wordt men zóó arm gemaakt, dat men een hart heeft voor de behoeften der heiligen, waarom de Apostel de vermaning laat volgen, Vers 18: D e e l t mede tot de b e h o e f t e n der h e i l i g e n . Wie zelf door God arm gemaakt is en voortdurend arm gemaakt wordt, die ontvangt een wonderlijk oog, een oog, om den nood des broeders te zien, ook als deze niet klaagt, — een oog, om te zien, dat bij den broeder de kast leêg is, al is zij ook gesloten, terwijl een ander er voorbijgaat en niets ziet. Wat God ons heeft gegeven en geeft, dat heeft Hij ons niet gegeven voor ons alleen, — soms legt Hij eenen armen Lazarus voor onze deur, opdat wij hem niet koud voorbijgaan, maar ons ontfermen over zijnen nood. „Maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen." Dat zijn de heiligen, vau wie hier gesproken wordt, de geloovigen, die den Heere aanhangen, en juist daarom wellicht het hunne hebben verloren. En er staat niet maar: „Geef hun eene aalmoes, een stuk geld", maar de beteekenis der woorden is : Hebt gemeenschap met hunnen nood, zoodat gij dien in uw hart mede gevoelt.
~En nu zijn er zulke heiligen niet alleen in de plaats, waar wij wonen, maar zij komen uit alle oorden tot ons. Daarom de vermaning : T r a c h t n a a r h e r b e r g z a a m h e i d . Yan den Heere wordt betuigd, dat Hij Zich over de vreemdelingen ontfermt, en David prijst Hem daarom in den 146i l e" Psalm, zeggende: „De Heere bewaart de vreemdelingen"; en zoo legt Hij het door Zijnen Heiligen Geest in de harten der Zijnen, dat zij gastvrijheid oefenen. Er kwamen toenmaals velen naar Rome, die om liet Evangelie waren vervolgd en verdreven, die dus hunne broodwinning hadden verloren en arm waren geworden. Dezen moesten dus opgenomen en geherbergd worden, evenals er ten tijde der Hervorming, toen er in vele landen eene vervolging uitbrak om des Woords wil, zeer velen naar Duitschland vluchtten uit Italië en Frankrijk, uit Nederland en Engeland; God gaf, dat zij opene harten en huizen vonden, en meer dan ééne stad heeft den roem verworven, van een toevluchtsoord te worden genoemd voor de vervolgden, voor de verdrevene kinderen Gods. En al is dit nu ook heden ten dage niet op deze wijze noodig, — alhoewel wij niet weten, wat de toekomst nog kan brengen, — en al is ook eene gastvrijheid, zooals die in het Oosten gebruikelijk was en nog is, bij onze maatschappelijke verhoudingen niet zoo noodzakelijk, de Heere zendt toch, op de eene of andere wijze, gasten en vreemdelingen tot ons. Onttrekken wij ons niet aan hen, om den last en het ongemak, dat zulks medebrengt, want er is een zegen in. Een der Apostelen zegt ergens van hen, die vreemdelingen opnamen, dat zij onwetend engelen hebben geherbergd. Dat was immers waar, letterlijk waar, bij Abraham en Lot. De Sunamietische vrouw herbergde den Profeet Eliza, de weduwe te Sarepta den Profeet Elia, Racliab ontving de verspieders in haarhuis, Publius op Malta den Apostel Paulus, de zusters te Bethanië den Heere Jesus Christus, Die een Vreemdeling hierbeneden heeft willen zijn, en zij allen ontvingen rijken zegen. Dus: „Tracht naar herbergzaamheid",— nog zendt de Heere op deze wijze zegen in huis.
Zalig, wie de woorden des Heeren, de vermaning des Apostels, ter harte neemt, en blijft bij het gebed: „Heere, leid mij in den weg Uwer geboden".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 november 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 11 Pagina's

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 12 : 9—13. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 november 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 11 Pagina's

PDF Bekijken