Bekijk het origineel

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 12 : 14—17.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 12 : 14—17.

19 minuten leestijd

De Heere Jesus zeide eens tot Zijne discipelen, en daarmee tot allen, die Zijn Woord aannemen : „Laat uw licht schijnen voor de mensehen, opdat zij uwe goede werken mogen zien, en uwen Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken". Wanneer God in ons hart een licht ontstoken, ons de rechte kennis van Zijne zaligmakende waarheid geschonken heeft, dan moet dat niet in ons hart verborgen blijven, maar het moet in onzen wandel, in ons doen en laten, in den omgang met den naaste openbaar worden. Hebben wij zeiven ervaren, en ervaren wij dag aan dag opnieuw, hoe God ons al onze zonden heeft vergeven, onze onmetelijke schuld heeft uitgedelgd, hoe Ilij vol barmhartigheid jegens ons is, hoe Hij ons draagt in oneindig geduld en lankmoedigheid, dan is dat een licht, dat nu ook in onzen wandel moet uitkomen, zoodat degenen, met wie wij omgaan, het zien, — en is het waarheid en leven bij ons, dan zal dit ook het geval zijn, — en wel zoo, dat ook wij gewillig en bereid zijn, om den naaste te vergeven, dat ook wij hem niet terugstootend en hard behandelen, maar met innerlijke barmhartigheid, dat ook wij hem met zijne fouten en gebreken dragen in geduld en lankmoedigheid. En al ondervinden wij zulks van de anderen niet weder, laten wij van onze zijde niet daarvan af, maar volharden wij in de liefde en in de verdraagzaamheid, en toonen wij zoodoende, dat ons een licht, een beter licht is opgegaan dan hun, en dat wij eenen Vader hebben in den hemel, Wiens kinderen wij zijn, en Die ons, die zeiven een ruim hart en eene milde hand bij Hem vinden, ook door Zijne genade en Zijnen Heiligen Geest een ruim hart en eene milde hand schenkt.
In dien zin hebben wij ook op te vatten de woorden, die wij thans willen beschouwen: Z e g e n t h e n , d i e u v e r v o l - g e n ; z e g e n t , en v e r v l o e k t n i e t . (Vers 14.) De Apostel wil met deze woorden als het ware zeggen: Bedenkt, wat gij van den Heere hebt ervaren, en hoe gij Hem hebt leeren kennen. Was er bij u niet enkel vijandschap en haat tegen den Heere en Zijne genade? En toch heeft Hij niet den vloek over u doen komen, zooals gij wel hadt verdiend, maar Hij kwam met Zijnen rijken zegen, met Zijne genade. Doet gij dan nu ook zoo jegens hen, die u vervolgen. Wat de Heere u deed, toen gij nog vijanden waart, doet dat nu ook aau hen, die bitter vijandig jegens u zijn. — Het Evangelie leert ons eenen blik slaan in Gods hart. Den Heere Jesus Christus, Hem, den Vorst des levens, hebben wij gedood, Zijne liefde miskend, Hem verworpen en gekruisigd! Heeft nu God met ons gehandeld, naar dat wij verdiend hebben? Heeft God Zijnen Zoon heimelijk uit het graf genomen en in den hemel gezet, en de wereld aan haar verderf overgelaten en haar vervloekt? Niets van dat alles! Hij heeft Zijnen Zoon opgewekt, en ons dit Evangelie doen verkondigen, en de geheele wereld genoodigd tot dit heil, om hen te zegenen, zoo zij zieh van hunne boosheid bekeeren. (Hand. 3 : 26.) Met opgeheven schild stelde Saulus zich tegen den Heere Jesus Christus, vervolgde de Gemeente en woedde tegen haar, en de Heere heeft hem niet vervloekt, maar is hem tegengekomen met Zijnen zegen, en heeft hem barmhartigheid doen wedervaren. Dat heeft zich onuitwischbaar in des Apostels hart geprent, en dat is hein zijn gansche leven bijgebleven — : ik was een lasteraar, een vervolger, en G o d heeft Zich over mij ontfermd. Nu was de Geest van Christus in hem, en toen hij uitging in de wereld met de prediking des Evangelies, verhief zich van alle zijden, van die der Heidenen zoowel als van die der Joden, haat, laster en vervolging tegen hem ; maar hij liet zich niet tot iets dergelijks vervoeren, hij zegende, en vervloekte niet. „Wij worden gescholden, en wij zegenen", zegt hij zelf, — en hij ging voort, het Evangelie te prediken. Hij stelde liefde tegenover dea haat, en hoe heeft hij zijn volk, de Joden, niettegenstaande hunne vijandschap op het hart gedragen! Hij wenschte van Christus verbannen te zijn voor zijne broeders naar het vleesch, zoo hij hen daarmee had kunnen behouden En moeten nu ook wij om de waarheid Christi, om het Woord Gods, om de goede belijdenis allerlei vijandschap van anderen verdragen, en worden ons beleedigiugen aangedaan, en allerlei nadeel berokkend, zoodat het ons diep in het hart pijn doet, zoo laat ons zegenen en niet vervloeken, gedachtig zijnde, wat de Heere aan ons heeft gedaan, wat Hij dag aan dag nog aan ons doet, en dat Hij ons gesteld heeft, om den zegen te beërven.
Door denzelfden Geest en uit hetzelfde hart, dat den vervolger zegent, koint ook dit, dat men zich v e r b l i j d t met de b l i j d e n , en w e e n t met de w e e n e n d e n , zooals de Apostel Vers 15 zegt. Ook dat ligt niet van nature in ons, maar is eene vrucht des Geestes, een werk der nieuwe schepping in Christus Jesus. Het wordt alleen gevonden, waar waarachtige liefde is, liefde, die zichzelve verloochent, niet vraagt naar het eigen ik, maar naar het wel en wee des naasten. Anders is er slechts eigenliefde, en wekt het geluk en de blijdschap des naasten nijd en afgunst op, of gaan wij het voorbij, alsof het ons niet aanging. Wij doen als de arbeiders in den wijngaard, die hen beuijdden, die van hunnen heer het volle loon ontvingen, hoewel zij maar een uur hadden gearbeid, — in plaats dat zij zich met hen verblydden over de goedheid huns heeren; of ook als de oudere broeder in de gelijkenis van den verloren zoon, die weigerde het huis binnen te komen, waar de vader zich verheugde over den wedergevonden zoon, zoodat de vader tot hem moest zeggen: „Men behoorde dan vroolijk en blijde te zijn". Waar de genade heerschappij voert, daar wordt dit zich verblijden met de blijden gevonden, waar men echter onder de Wet is, daar kent men dat niet. Toen de geburen en magen van Elizabeth hoorden, dat de Heere Zijne barmhartigheid grootelijks aan haar bewezen had en haar eenen zoon had geschonken, waren zij met haar verblijd. Heeft God in Zijne groote barmhartigheid en genade onzen broeder, onze zuster verblijd, laat dan zijne of hare blijdschap ook de onze zjjn, al zitten wij voor het oogenblik ook in droefheid terneder. Het valt eenen man, wien het in zijn eigen beroep niet voor den wind gaat, wel hard, om zich mede te verblijden, wanneer het den naaste daarin goed gaat, en hij deswegens de goedheid Gods verheerlijkt. Ook zal het eener vrouw, die zelve geene kinderen heeft, of wier kinderen weder gestorven zijn, ongetwijfeld zwaar vallen, zich mede te verblijden, als eene andere vrouw een kind krijgt, en daarom vervuld is van den lof Gods. Het hart kan vol droefheid en als vaneengereten zijn, maar toch: het hart in het verborgen voor God uitgestort, het hoofd gezalfd en het aangezicht gewasschen ! — verblijden wij ons mede over de genade en barmhartigheid van den rijken Vader in den hemel, Die heden den naaste zoozeer verheugt, en mor gen ons op eene andere wijze met Zijn heil zal verrassen — Maar ook: W e e n t met de w e e n e n d e n . Gelijk de Apostel ook Hebr. 13:3 zegt: „Gedenkt der gevangenen, alsof gij mede gevangen waart; en dergenen, die kwalijk gehandeld worden, alsof gij ook zeiven in het lichaam kwalijk gehandeld waart". Er is hierbeneden een heir van lijden, het gaat door een tranendal heen, en den een wordt een zwaardere last opgelegd dan den ander; gaan wij dan den lijdenden en treurenden broeder niet onverschillig en gevoelloos voorbij, maar zetten wij ons bij hem neêr; al kunnen wij hem ook niet helpen, den nood, de smart niet wegnemen, het doet het gewonde harte goed, wanneer het deelneming vindt, wanneer het gevoelt, dat het verstaan wordt. De Heere Jesus, toen Hij kwam in ons vleesch, is ingegaan in onzen nood en onze ellende, Hij is dat alles niet maar zoo voorbijgegaan, maar heeft het mede ondervonden, heeft alles mede geleden, en zoo is Hij een barmhartig Hoogepriester geworden. En Zijn Geest leert hetzelfde te doen. Verplaatsen wij ons in den toestand onzer broederen, nemen wij deel in hun lijden, al hebben wij misschien ook slechts eenen handdruk voor hem, dat heeft meer waarde dan eene menigte Bijbelspreuken en schoone lessen, waar het hart niet bij is.
Het zich verblijden met de blijden en het weenen met de weenenden zal slechts daar in waarheid in het hart worden gevonden, waar gemeenschap is in Christus, en daarom vervolgt dan ook de Apostel en zegt Vers 16: W e e s t eensg e z i n d onder e l k a n d e r . Ach, hoe is de duivel er toch steeds op uit, om uit elkander te doen springen, wat God heeft vereenigd en verbonden. „Verdeel en heersch", dat is zijne leus, waarmee hij afbreekt, wat God heeft opgebouwd, en op de puinhoopen richt hij zijnen troon op. Zoo velen, die Gods Woord bezitten en kennen, en roemen op eene groote kennis, zijn daarin toch blind, en doen den duivel dienst als handlangers. Dat gebeurt steeds daar, waar men niet ziet op God en op Zijne eer, maar het eigen ik wil handhaven en zijne eigene eer zoekt. Daardoor zijn steeds, de gansche Kerkgeschiedenis door, de Gemeenten, die God Zich had vergaderd, weder verstrooid, daardoor zoo menig huwelijk, dat door God gesloten was, verbroken en verwoest, daardoor zoo veel geluk, dat God gegeven had, verstoord, en o zoo veel zegen, dien God had geschonken, weder verloren gegaan. Daarom vermaant de Apostel ook op eene andere plaats (Filipp. 2 : 1 ) : „Indien er dan eenige vertroosting is in Christus, indien er eenige troost is der liefde, indien er eenige gemeenschap is des Geestes, indien er eenige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn; zoo vervult mijne blijdschap, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van één gemoed en van één gevoelen zijnde. Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelven. Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is. Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jesus was; Die in de gestaltenis Gods zijnde, geenen roof geacht heeft, Gode eveugelijk te zijn", — Die dus, hoewel Hij alle Goddelijke macht en heerlijkheid bezat, deze niet deed gelden of als eenen roof vasthield, dien Hij tot geenen prijs wilde loslaten, — „maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende". Ons is het echter eigen, om onze eigene eer, macht, kennis en heerlijkheid te doen gelden, die houden wij vast ais eenen roof en laten ze niet los, en al wordt daardoor ook de schoone, door God geplante hof vertreden en vertrapt, — daar vragen wij niet naar. De Apostel moet in denzelfden Brief (Iloofdst. 4 : 2) schrijven: „Ik vermaan Euodia, en ik vermaan Syntyche, dat zij eensgezind zijn in den Heere". Ongetwijfeld was er tussclien die beiden oneenigheid ontstaan door eigenliefde en ijverzucht. En bij de discipelen des Heeren was het niet anders. Op denzelfden avond, waarop de Heere het Avondmaal instelde, den avond vóór Zijn lijden, kwam er twisting onder hen, wie van hen de meeste scheen te zijn. Maar later op den Pinksterdag lezen wij, dat zij allen eendrachtelijk bijeen waren. Hoe was zulk een wonder geschied ? O, de discipelen waren allen vreeselijk te schande geworden met hunnen roem ! niemand was staande gebleven, allen waren zij gevlucht, allen hadden zij zich aan den Heere geërgerd, niemand had met het kruis en den dood voor oogen aan opstanding en leven geloofd, en zoo, als goddeloozen, hadden zij genade gevonden, — alzoo verbrijzeld en diep beschaamd geworden zijnde, zijn zij eendrachtig geworden, zijn zij eensgezind onder elkander geworden. Zoo doet de Heere voortdurend eendracht ontstaan, — door verootmoediging, diepe verootmoediging heen.
Daarom gaat dan ook de Apostel aldus voort: Tracht n i e t naar do hooge d i n g e n , maar voegt u tot de n e d e r i g e n . Juist door het trachten naar de hooge dingen wordt de eensgezindheid, die samenhoudt, verstoord. Heeft God ons tot iets groots bestemd, dan zal Hij ons er ook wel toe brengen, maar trachten wij er niet naar, het leidt ten val. David werd door den Heere verhoogd, zonder dat hij er naar getracht had. „Laat oprechtigheid en vroomheid mij behoeden", lezen wij in den 25®tc" Psalm. Maar het is het vleesch eigen, naar hooge dingen te trachten, naar hetgeen groot is en schittert, naar hetgeen macht en aanzien heeft De zoon van den handwerksman wil geen handwerksman meer worden, hij moet hooger op, hij voelt zich bestemd tot koopman. Men wil zich groot aanstellen, ook in de dingen dezer wereld, men •wil hooger op, en bedenkt niet, dat hoogmoed voor den val komt. Een is er, Die alleen verheven is, het is God de Heere, Die in den hemel troont, en dewijl Hij niets boven Zich heeft, kan Hij nederzien in de diepte, eu zoo ziet Hij neder op hetgeen nederig is voor Hem en zich voor Hem verootmoedigt; maar de hooge boomen houwt Hij om, en de hooge torens werpt Hij ter aarde, — „de hooge oogen der menschen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal nedergebogen worden". (Jes. 2:11.) „Voegt u tot de nederigen." Zooals het hier staat, kan het opgevat worden, alsof Paulus wilde zeggen: Voegt u tot de nederige, de geringe lieden, — en dat heeft ook eenen zeer goeden zin, want het ligt zoo in ons, dat wij liever omgaan met de rijken, de aanzienlijken, met hen, die boven ons staan, en dat wij de anderen verachten; en toch heeft de Heere juist onder de armen, de geringen, de nederigen de Zijnen, Zijne uitverkorene koningskinderen, en David zegt tot de trotschen Michal: „Ook zal ik mij nog geringer houden dan alzoo, en zal nederig zijn in mijne oogen, en met de dienstmaagden, waarvan gij gezegd hebt, met dezelve zal ik verheerlijkt worden". (2 Sam 6 : 22.) — Hot is intusschen toch waarschijnlijker, dat de woorden willen zeggen : voegt u tot de nederige dingen, gelijk eerst van hooge dingen gesproken is, en de bedoeling is dan, dat er zulk eene gezindheid moge zijn, als die zich in Psalm 131 aldus uitspreekt: „O Heere! mijn hart is niet verheven, en mijne oogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen, mij te groot en te wonderlijk". De Psalmist had te voren daarin gewandeld en was ook door allerlei hoogmoed geplaagd geworden, maar God bad hem verootmoedigd, en het zijne te grabbel geworpen; toen is hij dan geworden als een gespeend kind, en zoo is hij tot rust gekomen. Want God wederstaat de hoovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.
Vanwaar komt het echter, dat men zoo gaarne naar hooge dingen tracht, en zich niet kan vinden in hetgeen nederig is, waar toch de Heere woont met Zijne genade? Dat komt daarvandaan, dat men zichzelven voor verstandig houdt, waarom dan ook de Apostel voortgaat met te zeggen : Z i j t n i e t w i j s bij uz el v e n ; gelijk ook Salomo, de wijste der koningen, zegt: „Zijt niet wijs in uwe oogen; vrees den Heere, en wijk van het kwade" (Spr. 3 : 7 ) , en de Profeet Jesaia: „Wee dengenen, die in hunne oogen wijs, en bij zichzelven verstandig zijn!" Het gaat evenwel hier evenals bij de andere vermaningen in dit Hoofdstuk —: in ons is. steeds het tegendeel van wat Gods Woord ons voorhoudt. Maar nu komt juist het Woord en de Heilige Geest, om, waar bij ons tot ons verderf alles verkeerd staat, dit terecht te brengen. Wat toch een hoogmoed bij ons menschen, die vleesch zijn, uit vleesch geboren ! Wij steken het hoofd in de wolken, en meenen alles te kunnen peilen en doorgronden, en willen alles weten, en zien, ach hoe dikwijls ! niet wat voor onze voeten ligt Wij kunnen immers niet eens begrijpen, hoe God eenen grashalm laat groeien! Wij willen alles regeeren, regelen en terechtzetten, en zijn niet in staat, om onszelven te regeeren en ook maar ééne begeerte of hartstocht te bedwingen! Hoe gaarne zien wij in onze waanwijsheid minachtend op anderen neder, en halen de schouders over hen op, omdat zij niet zulk een groot verstand, niet zulk eene grondige kennis hebben, als wij denken te bezitten, en wij bedenken niet, dat de Heere gezegd heeft: „Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard". Een is alleen wijs, Een alleen verstandig, dat is de levende God, en bij Hem is al onze wijsheid dwaasheid, en al ons verstand onverstand, en worden wij met onzen eigenwaan te schande. Een Griekseh wijsgeer, die zeide : „Ik weet, dat ik niets weet", heeft het inderdaad zeer ver in de wijsheid gebracht. Door alle wijsheid, overlegging, gedachten en plannen haalt de dood op eenmaal eene streep, en dus hebben wij wel zeer noodig te bidden : „Leer ons alzoo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen". (Ps. 90.)
V e r g e l d t n i e m a n d k w a a d voor k w a a d , vervolgt de Apostel Vers 17. Evenals het in onzen aard ligt, oin onszelven voor wijs te houden, zoo ook, om kwaad met kwaad te vergelden; oog om oog, tand om tand, scheldwoord om scheldwoord Is men evenwel in Christus Jesus, dan openbaart zich ook hier de nieuwe schepping, en gaat het aan de hand des Geestes naar het woord : „Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op den Heere, en Hij zal u verlossen" (Spr. 20: 22), en: „Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde ; maar jaagt allen tijd het goede na". Jozef heeft het kwaad, dat zijne broeders hem hadden aangedaan, niet met kwaad vergolden, hoewel zjj dat wel van hem vreesden, maar hij overlaadde hen met alles goeds En hoe vergeldt God, hoe vergeldt onze Heere Jesus Christus al het kwaad, dat wij Hem hebben aangedaan ? is het niet met enkel zegeningen ? Toonen wij ons als Zijne kinderen ? De geloovigen moesten destijds o zoo veel onrecht lijden, o zoo veel kwaad verdragen ; hoe menigmaal moesten zij niet de waarheid ervaren van 's Heeren woord : „Zij zullen des menseheii vijanden worden, die zijne huisgenooten zijn! „Aan bittere krenkingen waren zij blootgesteld, allerlei vijandschap en beleedigingen, velerlei schade en verlies moesten zij lijden ; daarbij kon hun het hart dan wol eens koken, de vuisten jeuken, of het scherpe zwaard in den mond, de tong, kon zich roeren, om óók te schelden, — doch, zegt het Woord, vergeldt niemand kwaad voor kwaad, maar hebt uwe vijanden lief, doet wel degenen, die u haten, bidt voor degenen, die u geweld doen en die u vervolgen. De wereld vinde aan ons niets, dat haar recht geeft, om te lasteren.
Daarom voegt de Apostel er ook nog verder bij: B e z o r gt h e t g e e n e e r l i j k is voor a l l e m e n s c h e n , — dus niet slechts in de Gemeente, maar ook daarbuiten, niet slechts voor vrienden en goede bekenden, waarmeê wij vertrouwd en innig verbonden zijn, maar ook voor dezulken, die wij voor vijanden houden, of die ons minstens onverschillig zijn. Zoo deed de Apostel zelf: als hij bijv. de gave voor de arme heiligen te Jerusalem zou bedienen, zegt hij: „Dit verhoedende, dat ons niemand moge lasteren in dezen overvloed, — als die bezorgen hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heere, maar ook voor de menschen". (2 Cor. 8 : 20 en 21.) Yerre vandaar dus, dat hij dacht: Wat gaat het mij aan, wat de menschen zeggen! neen, hij wilde ook, allen schijn des kwaads vermijden, zich wel bewust zijnde, van welken Koning hij een dienaar en gezant was Hierom vermaant ook de Apostel Petrus de Gemeente: „Houdt uwen wandel eerlijk onder de Heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking". (1 Petr 2: 12.) Ouders zullen hunne kinderen veel beter opvoeden door hunnen wandel, door het voorbeeld, dat zij hun geven, dan door vele woorden, en de geloovigen geven door hunnen wandel aan Gods Woord en waarheid een veel machtiger en treffender getuigenis, dan wanneer zij veel daarover spreken en anderen veel voorpreêken.
Laat alzoo het licht, dat God in u heeft ontstoken, door u Zijne genade en barmhartigheid te schenken, schijnen in uwen wandel, in uwe werken, opdat uw hemelsche Yader verheerlijkt worde. Dat is de vermaning onzes Heeren Jesus Christus, dat ook hier de vermaning Zijns Apostels.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 december 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 12 : 14—17.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 december 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken