Bekijk het origineel

De twee phasen van de Geschiedenis der Hugenooten vóór de herroeping van het Edict van Nantes.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De twee phasen van de Geschiedenis der Hugenooten vóór de herroeping van het Edict van Nantes.

Tweede Phase (na 1589).

9 minuten leestijd

Hendrik IV was luchthartig en ging gaarne te rade met mannen van minder gehalte, dan de admiraal Coligny en diens geestverwanten geweest waren. Door zijnen overgang tot de oude Kerk was den Hugenoten een belangrijk steunpunt ontvallen: dat zij namelijk prinsen van koninklijken bloede in hunne gelederen telden, terwijl de Guises, die uit Lotharingen afkomstig waren, in 't geheel geen recht op den Franschentroon hadden. Nu konden de Guises zich op d e z e n stelregel der Hugenoten beroepen, eenen Btelregel, dien Hotoman in zijn boek „Franco-Gallia" enJean de Serres in zijn „Leven van den admiraal Coligny" met klem gehandhaafd hadden. ') Daarbij komt, dat de Hugenoten reeds spoedig begonnen zijn, meer van de koninklijke genade te leven, dan zich op staatsrechtelijken grond te bewegen (vooral sedert het jaar 1 6 2 6 o n d e r Lodewijk XIII en Richelieu). Eindelijk waren reeds in HendrikB laatste regeeringsjaren de voornaamsten van de partij der Hugenoten van liunnen godsdienst vervreemd geworden. Met uitzondering •van Rohan en Soubise keerden reeds destijds al de Gereformeerde pairs tot het oude geloof terug. ') De ontzaglijke achteruitgang, dien de tweede phase van de geschiedenis der Fransche Kerkhervorming, beginnende met de troonsbestijging van Hendrik I V , te aanschouwen geeft, blijkt het best uit eene vergelijking van eenige lijsten der Réfugié's met de uit den eersten tijd bekende namen. Wij staan op eenen geheel nieuwen bodem; niets herinnert bij deze na de opheffing van het Edict van .Nantes en reeds vroeger gevluchte Protestanten aan de mannen van naam uit dien eersten tijd.
Groot vooral was het geestelijk verschil tusschen de Hugenoten der tweede phase, en die der eerste! Turenne en Sully waren geene Coligny's en Andelots. Alles voegde zich naar de leiscben der hoogere politiek; ook de zuiverheid van het Evangelie leed er onder. Kon men van dit laatste partij trekken, — nu goed! — maar anders kon men het er ook wel buiten stellen.
Den Gereformeerden wordt door Cuno eene verkoeling in hunnen confessioneelen ijver ten laste gelegd. 2) Door lauwheid maakte men Hendrik den overgang gemakkelijk. Juuius' pogingen om den koning op het hellende vlak nog tegen te houden, baatten niets meer; zijn „Irenicum" wendde zich tevergeefs tot den Katholieken clerus van Frankrijk, om dezen voor eene nationaal-Katholieke Kerk te winnen. Vier maanden daarna ging de koning te St. Denis tot de pauselijke Kerk over (1593). De raad van Du Plessis Mornay en al zijne preventieve maatregelen waren vruchteloos geweest.
Hendrik IV dacht er evenwel in de verste verte niet aan, zich van de Gereformeerden af te wenden. Veeleer werd hunne positie gunstiger. Maar wat de verdrukking niet vermocht, dat werkte bij de Gereformeerden de duiding uit: zij werden lauw en onverschillig. Du Plessis, hun woordvoerder onder Hendrik IV, staatsman en tevens iemand van theologische vorming, bepleitte wel is waar getrouwelijk de belangen zijner geloofsgenooten bij den koning; hij bracht in 1598 het Edict van Nantes tot stand, dat intusschen niet veel meer beloofde, dan dat zijne partij zou geduld worden; maar hij doet zich te gelijker tijd reeds kennen als eenen voorstander van die denkbeelden, die daarna aan de door hem gestichte hoogeschool te Saumur wortel geschoten hebben. Sedert het genade-edict van Nimes (1629) waren wel de Gereformeerden tot staatkundige onmacht gedoemd, doch daardoor kon hunne krachtsontwikkeling zich nu ook des te meer tot het geestelijke gebied bepalen (tot 1662). Het was de tijd van eenen Salmasius, eenen Daillé en eenen Blondel, en te Saumur schitterenden Cappellus, Pajon, Josua de la Place en Amyraldus. Cappellus' werk „Critica sacra" is eerst door zijnen zoon Johannes, die tot de pauselijke Kerk overgegaan was, te Parijs gedrukt geworden, doch niet dan nadat de censuur, door den Jezuïet Morinus uitgeoefend, er veel in veranderd had.
De wetenschappelijke critiek roemt natuurlijk eenen Cappellus, wat destijds ook de Jezuïeten reeds deden, — maar niettemin werd Saumur een koelkelder voor de Gereformeerde Kerk van Frankrijk.
Toen Lodewijk XIV in de vredelievende staatkunde van eenen Richelieu en eenen Mazarin verandering bracht, — toen de tijd der herroeping van het Edict van Nantes aanbrak, — doorstonden slechts weinigen de beproeving. Met den hoogen adel dreef nu eens de wind der vervolgingen en dan weer het suizen der koninklijke gunst zijn spel. Het was die zoele tijd vóór den storm, toen de Jansenisten den Gereformeerden met suikerzoete woorden en puntig gestileerde geschriften in den weg kwamen, en in de hoogere kringen hunne aanhangers wierven. Zoo belegerden zij den vicomte van Turenne. Zijne voor hem bezorgde gemalin wendde zich tot den bekenden Gereformeerden predikant Claude, opdat deze haren man zooveel mogelijk in het geloof zou versterken. Hij stelde een voortreffelijk stuk voor hem op, waarvan outelbare afschriften verspreid werden, en dat door Bayle zeer geprezen wordt. St. Arnaud weerlegde dit geschrift (1669). Het was de tijd, waarin Mademoiselle de Duras niet van geloof wilde veranderen, alvorens zij Claude met Bossuet in haar salon had hooren disputeeren. Dat dispuut is in het jaar 1683 in druk verschenen. !) Do vrouwen boden, als altijd, het langst tegenstand.
Overgebleven is slechts een arm volk, en dit herinnert ons aan het woord van Jeremia: „Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden", •— maar „in de woestijn". (Zie Jer. 31 : 2.) En zoo toog ook dit volk naar het | land zijner rust, —• maar vond de rust slechts in het buitenland.
En dat waren nu niet meer die tot den hoogen adel behoorden, de mannen der wetenschap, zooals zij te Saumur beoefend werd, maar handwerkslieden of industrieelen, zooals wij in onze dagen zouden zeggen. Hunne naamlijst heeft Dr. E. Muret in zijne geschiedenis der Fransche kolonie in Brandenburg Pruisen gegeven (1885), en wel naar volgorde van de steden, waarin de vluchtelingen zich vestigden. Met nauwkeurigheid beschrijft hij in dat werk den invloed der Réfugié's in zedelijk en materieel opzicht.
Onder den uit Frankrijk geweken adel bevindt zich geen enkele naam uit den voortijd. Chandieu is eigenlijk niet rechtstreeks uit Frankrijk gekomen. Maarschalk Schotnberg was een Duitscher ; zijne gemalin alleen stamde van den hoogsten Franschen adel af. Frans Turretin noemt haar eene afstammelinge van het geslacht der Aumale's, en prijst haar in eene 1676 uit Genève gedateerde opdracht van predikatiën naast haren wereldberoemden echtgenoot ten zeerste, vooral wegens haar geduld in haar lichamelijk lijden, maar óók wegens hare standvastigheid in het geloof. Welke gelukkige gevolgen de gastvrije ontvangst der Hugenoten voor de uitbreiding van handel en nijverheid, alsmede voor de hoogst noodige veredeling der zeden in Duitschland, vooral in Brandenburg-Pruisen, gehad heeft, is algemeen bekend, en wordt tot op den huidigen dag dankbaar erkend.
Het is echter voornamelijk een zich tot het uitwendige leven uitstrekkende invloed, die van hen uitging. Eenen invloed op de Chrislelijke leer kunnen wij niet aanwijzen, — daarvoor waren nóch de menschen nóch de tijden meer geschikt. Maar Gods zegen bleef toch over het verdrevene volk, en vloeide over op de vreemde volken.
Hetzelfde geldt echter ook voor andere landen. Waarheen deze door zulk een bitter lijden gelouterde Hugenoten zich ook wendden, overal werden hunne voetstappen door den zegen des Iïeeren achtervolgd.
Dertig duizend Réfugié's zochten een toevluchtsoord op Zwitserschen bodem; 2500 hunner gingen naar Bazel, waarvan echter de helft spoedig weder naar elders trok. De broodnijd der Bazelsche industrieelen maakte slechts voor een klein, en wel het armste deel het verblijf in de stad mogelijk.
Uit de eeuw noemen wij in Bazel: de familiën Christ, Rochet, Sarazin, Bernouilli, Forcart, Legrand, Raillard, Lachenal en Miville, die bijna alle nog door hare nakomelingen te Bazel vertegenwoordigd zijn, en in verloop van tijd gelegenheid vonden, om niet slechts in den handel, maar ook in kunsten en wetenschappen, alsmede in de regeering der stad zich te onderscheiden. Yele leden dier familiën waren in hunne te Bazel gevestigde Kerk als ouderlingen werkzaam. Maar allen waren zij van b u r g e r l i j k e afkomst. De in Zwitserland afgewezenen begaven zich naar Duitschland, Nederland en Engeland.
Naar Nederland hadden reeds vroeger, maar vooral sedert 1685, tal van Réfugié's de wijk genomen; zij versterkten er deels de bestaande, en vestigden er anderdeels nieuwe dusgenaamde „Waalsche Gemeenten", die hunne eigene organisatie en Synode hadden, en de Fransche taal bleven gebruiken. Bij hen sloten zich gaarne de verjaagde Waldenzen aan. ') Ook voor Comenius schijnen zij belangstelling aan den dag gelegd te hebben: in de Fransche kerk te Naarden vond hij zijne laatste rustplaats. De welvaart dezer Gemeenten is in Holland welbekend.
Ook onder deze vluchtelingen bevonden zich vele bekwame lieden: industrieelen en handelaars, doch ook geleerden. De familiën Labouchère, Crommelin, Constant Rebecque. Huet, De Clercq, Boissevain, Chevallier enz. zijn tot op den huidigen dag door degelijke en bekwame leden, vooral onder den Nederlandsehen koopmansstand, vertegenwoordigd. P. Bayle zou echter ten onrechte tot hen gerekend worden; deze vond ook wel in Nederland een toevluchtsoord, maar was reeds als jongeling Roomsch geworden, eene aanwinst, waarop de Roomsche Kerk zich waarlijk niet te beroemen heeft.
Frankrijk leed ontzaglijk veel onder deze uitwijking zijner beste zonen. Normandië bijv., dat in de 15'l e eeuw eene hoogere vlucht genomen had, werd door de herroeping van het Edict van Nantes gansch en al eene woestenij; na 1815 viel er eenige beterschap te bespeuren, doch sedert 1850 is er andermaal een teruggang merkbaar. 2 ) Het clericalisme verteert het merg dezer provincie. Zeer ter snede is eene opmerking, die Renan zich laat ontvallen in de onlangs verschenen „Tafelgesprekken'' (Parijs 1890): De Bartholomeiisnacht is de oorzaak van Frankrijks achteruitgang.
Kort vóór het uitbreken der Revolutie vaardigde Lodewijk XYI eene soort van tolerantie-edict uit, — het was te laat! De beurt der nederlaag kwam nu aan de voormalige overwinnaars, vanwege eenen God, Die een Wreker is der onschuld. De aristocraten, die eeuwen achtereen zonder mededoogen de innerlijke behoeften huns volks hadden over het hoofd gezien, moesten, voor zoover zij niet reeds geguillotineerd waren, het land ontruimen. En merkwaardig is het, dat ook het meerendeel hunner stamboomen met het jaar 1789 als afgehouwen zijn. Men zoekt do oude namen, — doch hunne plaats kent hen niet meer. (Ps. 103 : 16.) En de tijd, die daarna gekomen is, gelijkt meer op den avond, die zich wederom tot den chaos neigt, dan op den tijd van eenen nieuwen scheppingsmorgen!


1) Vita, bladz. 74 van de Utrechtsche uitgave, Ao. 1645.


1) Schlosser, Weltgeschictate, Deel XIV, bladz. 334.
2) ]n zijn voortreffelijk werk: „Franciscus Junius" (bladz. 11S), dat over 't algemeen nieuwe bronnen ontsluit.


1) Vergelijk Bayle, art. Claude.


1) Vergelijk Leger, „ Histoire des Vaudois", die dit zijn werk aau de Synode der Waalsche Kerk voorlegde.
2) Vergelijk P. Clemen, „Wintertage in der Normandië" (Neue Preie Presse van 6 Febr. 1891).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 december 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

De twee phasen van de Geschiedenis der Hugenooten vóór de herroeping van het Edict van Nantes.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 december 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken