Bekijk het origineel

Aanteekening op Leviticus 8 : 15.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekening op Leviticus 8 : 15.

5 minuten leestijd

E n men s l a c h t t e h e m ; en M o z e s n a m h e t b l o e d, e n d e e d h e t met z i j n e n v i n g e r r o n d o m op de h o o r n e n des a l t a a r s , en o n t z o n d i g d e het a l t a a r; d a a r n a g o o t h i j h e t b l o e d u i t a a n d e n b o d e m des a l t a a r s , en h e i l i g d e li e t , om voor h e t z e l v e verz o e n i n g te d o e n.
Gij vraagt mij naar NEIT1. Dit beteekent: tot zonde maken. Zeer terecht haalt gij daarbij de woorden van Paulus aan: „Dien, Die geene zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt". (2 Oor. 5 : 21.) Heeft men deze beteekenis vastgesteld, zoo kan men de vertaling „ontzondigen" wel behouden ; immers kan men niets ontzondigen, indien het vóór deze ontzondiging geene zonde was, en niemand kan iets ontzondigen, zonder niet deze daad te verklaren, dat datgene, wat hij ontzondigt, zonde is. Gij weet, dat de gansche tabernakel met al wat er in was en er toe behoorde, alsook al wat er inging, dus zaken en personen, tot zonde werden gemaakt, dat van alles in 't bijzonder en van alles te zamen genomen verklaard en beleden moest worden, dat het zonde was, zelfs het heilige dor heiligen en de hoogepriester werd tot zoude verklaard, en deze verklaring geschiedde door besprenging met bloed, en in deze besprenging met bloed, waarin het „tot zonde maken" lag, lag ook het ontzondigen of liet „van zonde bevrijden". Zoo ziet gij, dat de vertaling „ontzondigen" kan behouden worden, als men eerst de ware beteekenis „tot zonde maken" er aan ten grondslag legt. De Staten-vertalers hebben dit echter niet aangenomen, zooals uit hunne verklaring van het woord „ontzondigen" in de kantteekening blijkt. Gij zult bij de verdere verklaring van het Boek Leviticus nog meer zien, o. a. ook, dat zij de woorden schuld, zonde, bij de offers hebben vertaald, alsof er stond: schuldoffer, zondoffer; en zoo heb ik dan ook de woorden „Dien heeft Hij zonde voor ons gemaakt", steeds hooren verklaren, alsof er stond : Dien heeft Hij tot een zondoffer voor ons gemaakt. Wijl men niet doorgedrongen was tot de kennis der gerechtigheid, kwam vanzelf deze onjuistheid in de vertaling of uitlegging. En ook hier kan men het woord offer er bij denken, ingeval men ziet op Hebr. 9 : 1 4 . — Om nu alles goed te verstaan, moet men voelen, dat deze gansche tabernakel, het heilige der heiligen, het altaar, de hoogepriester, de dieren, die geslacht werden, enz. enz., alles samengenomen zonde was, zonde in tweeërlei zin, ten eerste omdat naar den eisch der Wet de gansche tabernakel, met al wat daartoe behoorde, er in 't geheel niet behoorde te zijn; want daar God den mensch goed en rechtvaardig had geschapen, hem had geschapen in Zijne heerlijkheid, was deze gansche instelling toch niet anders dan eene schuldigverklaring van den mensch, eene aanklacht tegen hem. De Wet kon met recht zeggen: Waarom zijt gij zoo, en wat doet gij mij en uzelven moeite aan met deze dingen! indien gij niet hadt overtreden, ik zou niet lastig gevallen worden met dit aanhoudend in het reine brengen! Als een knaap, trots alle waarschuwing, eenen vreemde het oor leent, zijnen vader veracht, en dan met zijne beste kleeren aan in den drek loopt, dan zijn dit zijne twee hoofdzonden, dat hij zijns vaders woord heeft veracht, en den vreemde gehoor gegeven heeft; de twee minder beteekenende zonden, die echter meer in het oog vallen, zijn, dat hij vuil is van het hoofd tot de voeten, en dat er in een zindelijk huis nu zooveel te wasschen en te reinigen is. Het laatste is voor iemand, die zelf rein is, eene ondraaglijke onreinheid. — Ten tweede was alles zonde, omdat het in zichzelf niet volmaakt was, zooals de Apostel in den Brief aan de Hebreën (Hoofdst. 10: 1) zegt: De Wet heeft niets volkomen gemaakt (geheiligd). Dat het altaar slechts eene schaduw, een beeld was van Christus, is u bekend. De handhaving der Wet heeft Hem aan de deelen, waarbij Ilij was aan te vatten, met het bloed des kruises, met Zijn eigen bloed besprengd. Door de besprenging met dit bloed werd Hij verklaard, zonder zonde te zijn; door de gansche uitstorting van Zijn bloed, zooals dit aan het kruis geschied is, waar het tot aan Zijne voeten, ja tot onder Zijne voeten afvloeide, is Hij geheiligd voor ons, en dit heiligen is geschied, om voor Hem verzoening te doen, d.i. opdat op Hem de genade zou rusten, opdat al wat op Hem zou komen, d. i wat Hij in"^ich zou opnemen, deze genade deelachtig zou zijn, op grond van voldoening aan de gerechtigheid, op grond van de besprenging met en de uitstorting van dit bloed.
24 Mei 1844 (uit eenen brief).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 december 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

Aanteekening op Leviticus 8 : 15.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 december 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken