Bekijk het origineel

Aanteekeningen op Exodus 6.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekeningen op Exodus 6.

27 minuten leestijd

Vers 1. V e r d e r s p r a k God t o t Mozes, en z e i de t o t h e m : Ik b e n de H e e r e.
Hier ontvangt Mozes eene vernieuwde openbaring; werd hij eerst daarmede getroost, dat God Zich nu opmaken en de vijanden verstrooien zou, hier toont God hem bij vernieuwing Wie Hij eigenlijk is tot heil van Mozes en het volk. Als God spreekt: „Ik ben de Heere", zoo vertroost Hij ons met dezen Naam. Hij zegt ons daarmede, dat Hij i s , en een Belooner is dergenen, die Hem zoeken; dat Hij w a s , en dus van eeuwigheid tot onze verlossing besloten heeft; dat Hij z i jn z a l , en bijgevolg onze verlossing zoo gewis is, als Hij de onveranderlijke God is, Die woord en trouwe houdt. De Naam drukt uit, dat Hij de Alpha en de Omega, het Begin en het Einde is; dat Hij is, en aan alle dingen het wezen geeft, en Zich eenen God der waarheid betoont, om te vervullen met macht, wat Zijne trouw beloofd heeft. Ook geeft die Naam te verstaan, dat Hij Souverein is, en dat niets Zijnen Raad kan verhinderen.
Vers 2. En Ik ben a a n A b r a h a m , I z a k en J a k ob v e r s c h e n e n , als God de A l m a c h t i g e ; doch met M i j n e n Naam HEERE ben Ik hun n i e t b e k e nd g e w e e s t .
De laatste zin levert eenige moeilijkheid op. Denken wij o. a. aan Gen. 22: 14: „En Abraham noemde den naam van die plaats: De H e e r e zal het voorzien", en HoofJstuk 24 : 7 : „De H e e r e , de God des hemels, Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft". Daar vernemen wij immers, dat de Naam HEERE hun bekend geworden is. Maar deze moeilijkheid wordt op gelijke wijze opgelost als die, welke men bij het lezen van Ilebr 11 : 13 vindt: „Deze allen hebben de beloften niet verkregen"; hoewel wij toch Rom. 4 : 19 lezen: „Hij heeft zijn eigen lichaam niet aangemerkt", enz.. De belofte in Hebr 11 is echter niet de belofte aangaande Izak, van welke in Rom. 4 sprake is, en welke belofte Abraham gezien heeft, maar zij betreft Christus, den in Izak Beloofde : Hem heeft Abraham niet gezien. Eerst de latere nakomelingen van Abraham hebben Christus gezien. — Luther vertaalt: „dat Ik hun almachtige God zijn wilde". Dat is eene schoone vertaling. In het Hebreeuwsch luidt het: „Ik ben hun verschenen i n of m e t (den Naam) almachtige God", d w. z. : Ik heb hun de kracht van dezen Naam doen ondervinden en proeven. Het woord „almachtig" is in het Hebreeuwsch af te leiden van een woord, dat beteekent: „twee borsten". Het duidt de volheid en algenoegzaaraheid aan, welke in God ia, om ons van alles, waaraan wij behoefte hebben, te voorzien; en wie algenoegzaam is, die moet ook almachtig zijn. Wij lezen Gen. 1 8 : 1 7 : „Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?" Hoofdstuk 1 7 : 1 heet het tot Abraham : „Ik ben God, de Almachtige (Algenoegzame), wandel voor Mijn aangezicht, en wees oprecht (geheel)". — De Patriarchen hebben God gekend als het Begin en het Einde, dus als den Heere, Die al datgene in Zich droeg, wat hunne persoonlijke zaligheid en hun doorkomen betrof. De Heere is hun echter met Zijnen Naam HEERE niet bekend geworden in betrekking tot de belofte ia Gen. 15 : 13, 14 en 16. De Heere wil zeggen : Zoo als gij dat nu ervaren zult, dat Ik niet alleen het Begin maar ook het Einde ben, hebben zij het niet ondervonden; hun gaf Ik het, aan Mij en Mijne belofte genoeg te hebben, u geef Ik de vervulling der belofte te beleven. Wij verstaan alzoo deze woorden in den zin, waarin de Heere Jesus zegt: „Uwe oogen zijn zalig: vele Profeten en koningen hebben begeerd te zien, wat gij ziet, en hebben het niet gezien, en te hooren, wat gij hoort, en hebben het niet gehoord", terwijl Hij toch op eene andere plaats zegt: „Abraham heeft met verheuging verlangd, dat hij Mijnen dag zien zou, en hij heeft hem gezien en is verblijd geweest". — O, welk eene genade thans voor eenen mensch, te kunnen zeggen : Wanneer ik U maar heb, dan vraag ik naar hemel noch aarde! en : Gij hebt getrouwelijk woord gehouden, Gij hebt mij verlost, Gij God der waarheid. Welk eene genade! te mogen gelooven: de Heere geeft genade; en het dan ook te mogen beleven : de Heere geeft eere. (Ps 84: 12.) Aan ons, die gelooven, is God nu met Zijnen Naam HEERE bekend geworden; wij hebben ons leven lang noodig, Hem te erkennen als onzen almachtigen en algenoegzamen God; en waar wij dat beleven, daar wordt ons de Naam HEERE steeds bij vernieuwing bekend, dat het gaat van heerlijkheid tot heerlijkheid. (2 Cor. 3 : 18.) En: „Het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij •weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hein zullen gelijk •wezen ; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is". Hoe menig dankbaar, door God verlost en tot eere gebracht kind sprak het uit: Hadden vader en moeder, die gestorven zijn in het geloof, dat het zoo komen zou, dit beleefd, wat God ons gedaan heeft! i— De Heere wil alzoo in dit Yers zeggen : Gij zult van nu aan heerlijker dingen beleven dan uwe vaderen Abraham, Izak eu Jakob beleefd hebben. Zij hebben dusdanige belofte slechts van verre gezien, en zich daarmede getroost. Thans zult gij wat beleven, waardoor Mijn Naam in al Zijne kracht bij u en in de gansche wereld zal bekend worden.
Yers 3. En ook h e b I k Mijn V e r b o n d met h e n opg e r i c h t , dat Ik h u n g e v e n zou h e t l a n d K a n a i i n, h e t l a n d h u n n e r v r e e m d e l i n g s c h a p p e n , w a a r i n z ij v r e e m d e l i n g e n g e w e e s t z i j n.
De Patriarchen hebben Mij niet alleen gekend als den Algenoegzame, maar Ik richtte ook met hen dit Verbond op, dat zij het land hunner vreemdelingschappen, het land, waarin zij geenen voetbreed gronds als eigendom bezaten, erven zouden. Alsnu doe Ik naar dit Verbond, en wat lk doe, doe Ik om dit Verbond; gij zult nu de vrucht van hun geloof oogsten, dat zij zich met de belofte getroost, eu beleden hebben, dat zij gasten en vreemdelingen op aarde waren. Daar valt nu alle verdienste, alle roem van het volk weg. Het geschiedt niet om hun zuchten en klagen. Niet het roepen, niet de tranen, niet de ellende zullen God bewegen; maar om de belofte ziet Hij de ellende aan, om des Verbonds wil verhoort Hij het roepen. Eerst het Verbond en dan het hooren van het gekerm, zooals volgt:
Vers 4. En ook h e b I k g e h o o r d h e t g e k e r m d er k i n d e r e n I s r a ë l s , d i e de E g y p t e n a a r s in d i e n s t - b a a r h e i d h o u d e n , en Ik h e b aan Mijn V e r b o nd g e d a c h t .
God is een rechtvaardig God, Die het niet ongestraft zal laten, dat de vijanden Zijn volk verdrukt hebben. Daarom zal Hij het aan de vijanden bezoeken; maar Hij verlost ons niet, omdat wij verdrukt worden; want dat hebben wij met onze zonden wel verdiend, wanneer wij in den smeltkroes en den vuuroven der ellende geraken; ook beweegt Hem het gekerm op zichzelf niet; maar er ligt bij Hem een grond, een rechtsgrond, krachtens welken Hij Zijnen Naam bij ons groot maakt en ons verlost; dit is de grond, de rechtsgrond: „Ik heb aan Mijn Verbond gedacht". Daarin vindt de Heere den grond om te zeggen : Nu zal Ik mij opmaken.
Zoo wij nu verlangen naar het hemelsche Vaderland, dan kunnen wij hiervan zeker zijn, dat de Heere Zich eenen God der waarheid bewijzen, en ons daarheen brengen zal uit vrjje genade, omdat Hij Zijns Verbonds gedachtig blijft, ook om Zijn Verbond onze gebeden en ons gekerm alreeds verhoord heeft, en ons van alle kwaad, van alle vijanden verlossen zal.
Welk een schat van openbaringen in weinige woorden! Het is de Heere, Die woord en trouwe houdt, Zijne genade en waarheid duren in eeuwigheid. Hij is de Algenoegzame en Almachtige, Hij zal doen boven bidden en denken. Hij blijft Zijns Verbonds gedachtig. Hij hoort het geroep der ellendigen!
Vers 5—7. D e r h a l v e , d. i. dewijl zulks bij Mij besloten is, z e g t o t de k i n d e r e n I s r a ë l s . Ga opnieuw tot hen, predik hun, hoe onmogelijk het hun ook toeschijnt, predik het tegen alle machten der hel en tegen Israëls ongeloof in; uwe prediking zal zich bewijzen als Mijn Woord, dat alleen doet, waartoe het komt. God houdt aan bij de Zijnen, Iaat zonder ophouden prediken, laat niet af. — I k b e n de H e e r e . Mijn raad wankelt niet; het is onmogelijk, dat God zou liegen. Ik z a l , — en het zal zoo komen, — Ik zal u l i e d e n , ja u, die zoo in slavernij en in banden zijt, u i t l e i d e n , hoewel gij niet de kleinste opening ziet, om daardoor te ontkomen. Ik zal ruimte maken en wegen scheppen, en voor u baan breken, u uitleiden v a n o n d e r de l a s t e n , die te zwaar zijn, om te dragen. Een centenaarslast is het, wat de zonde en de wereld werpen op den nek van de uitverkorenen Gods, in hot land d e r E g y p t e - n a r e n , in het land der duisternis en der schaduwen des doods. Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld als eenen zwaren last torst! Dat predikt verlossing, en zal u r e d d e n , dat predikt heiliging, u i t uwe d i e n s t b a a r h e i d , van uwe werken. Dat luidt als in het Evangelie: „Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijn". (Vergel. Rom. 6 : 22.) — E n l k z a l , — dus zal het komen, — u, ja u, slaven, v e r l o s s e n , als uw Goël, Losser, Bloedwreker en Bloedvriend; door e e n e n u i t g e s t r e k t en a r m (Ps. 18 : 20), en d o o r g r o o t e g e r i c h t e n ; lk zal uwe vijanden hard slaan, en zoo toonen, dat Ik de Rechter der gansche wereld ben. Welk eene heerlijke verlossing; daarbij zullen de vijanden dan toch bun doel moeten missen Israël wordt door zjjnen God verlost met eene eeuwige verlossing. Ik zal u l i e d e n tot M i j n v o l k a a n n e m e n , u, doemwaardige zondaren en door uwe vijanden ter dood veroordeelden; gij zijt een volk, dat vogelvrij verklaard is, gij hebt geenen genadigen koning en heer meer, Ik neem u aan tot Mijn bijzonder volk en eigendom. Dat wil Ik van nu aan aan de gansohe wereld toonen, gij zult onder Mijne heerschappij 5 die eene heerschappij der genade is, komen. Faraö zal u niet lang meer als zijn volk kunnen beschouwen; Ik zal Mij uwer niet schamen, Ik wil Mij daardoor verheerlijken, een koninklijk en priesterlijk volk zult gij voor Mij zijn, dat alleen Mij dient. En Ik zal u t o t e e n e n God z i j n , — tot eenen sterken God, tot eenen Koning en Ileere, tot eene Bron van heil, tot eenen God van waarachtige en volkomene verlossing. Alles wat Ik als God ben, wil Ik u ten goede, maar uwen vijanden tot verschrikking zijn. Dewijl Ik u tot eenen God ben, zoo moogt gij zeggen: „Zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn!" Dat predikt eeuwige kwijtschelding van zonde, eeuwige genade, volkomen bevrijding van eiken vijand. — Hij heeft ons gemaakt, en niet wij, tot Zijn volk, tot schapen Zijner •weide. — En g i j l i e d e n z u l t b e k e n n e n , zult ervaren,— dat wat Hij belooft, Hij ook doet, inaar welk eene onverdiende genade, zulks te ervaren! — d a t I k : voor dit „Ik" moet elk ander „ik" de plaats ruimen, de I l e e r e , de Eerste en de Laatste, Die niet laat varen de werken Zijner handen, u w God (Ps. 100), want Hij is onze God, — b e n , en derhalve blijf, — D ie u u i t g e l e i d h e b v a n o n d e r de l a s t e n d e r E g y p t e - n a r e n , wij doen het niet, en u g e b r a c h t h e b in d at l a n d . (Aldus vertaalt Luther ) — Hier openen zich de poorten des hemels met alle zegeningen. God zegt, dat Hij heeft gedaan, wat nog werkelijkheid worden moet. Hij, Die uitleidt uit de macht der hel, des doods, der wereld en der zonde, brengt ons ook in den hemel, in het beloofde land der eeuwige rust, j a heeft ons bereids in Christus daarheen gebracht, volgens Ef. 2 : 6 , en zal ons daarom er geheel binnenbrengen, ook met ons lichaam. — W a a r o v e r Ik M i j n e h a n d opgeh e v e n h e b , d. i. gezworen heb (vergel. Hebr. 6 : 1 7 ) , dat I k liet a a n A b r a h a m , I z a k en J a k o b g e v e n zou, — die hebben het in geloove gehad, — dat z a l Ik u l i e d e n gev e n , — dat zult gij aauschouwen, -— e n z u l t h e t u toee i g e n e n t o t e e n e r f d e e l , het zal geen gestolen goed zijn, het zal ons ook niet ontroofd kunnen worden. God gaf het ons uit vrije goedheid; dat was Zijn welbehagen. Gods gaven en roeping berouwen Hem niet
Vers 8. En Mozes s p r a k a l z o o t o t de k i n d e r en I s r a ë l s ; d o c h z i j h o o r d e n n a a r M o z e s n i e t , vanw e g e de b e n a u w d h e i d des g e e s t e s , en v a n w e g e de h a r d e d i e n s t b a a r h e i d.
Zoo was het dan tevergeefs gepredikt. O, of zulks ook voor het oogenblik zoo scheen, zoo was het toch niet vergeefscli! Het komt gewis, wat de Heere te prediken geeft aan Zijn geliefd volk. Tot hiertoe stond Paraö in den weg, maar bier staat Gods volk zelf den Heere in den weg. O! wanneer het ons kwalijk gaat, dan kan vleesch en bloed het niet aannemen, dat God zulk eenen moeilijken toestand spoedig veranderen zal. Al wordt het daar ook honderdmaal gepredikt, toch kan men jaren lang het „ja maar" des vleesches daartegenover stellen en kan niets aannemen van de boodschap des heils, maar meent veeleer, dat men omkomen moet. Hoe zwaarder echter het lijden geweest is, des te heerlijker helpt God, wanneer het Zijn tijd en ure is. De kinderen Israëls waren zoo ternedergeslagen, zoo geheel uit het veld geslagen vanwege de tyrannieke hevelen van Paraö, dat zij naar Mozes niet hooren konden of wilden, ja nog wreeder mishandelingen voorzagen, wanneer zij naar hem hoorden. En ach, niet anders staat het met elke aangevochtene ziel. Zij meent, dat, wanneer zij het woord van verlossing, midden in den nood der zonde en der aanvechtingen van de zijde des duivels en der wereld, aannam en zich daaraan vastklemde, zij dan eerst geheel en al verloren zijn zou; want zulk een woord moge er voor anderen zijn, het is niet voor haar. Maar, omdat het volk niet hoorde vanwege de benauwdheid dos geestes en de harde dienstbaarheid, is daarom de prediking voor het volk niet waar geweest? De verlossing is immers gekomen. Daarom, mijne ziel! met God het maar gewaagd en geloofd, dan moet het kermen in gejuich verkeeren, de angst wijken en tusschen uwe harde dienstbaarheid en uwen rug en schouder schuift zich eene hand, welke die harde dienstbaarheid van u wegneemt, en ze den vijand zoo voor de voeten werpt, dat gij hem ter aarde geworpen ziet.
Vers 9 en 10. V e r d e r s p r a k de H e e r e tot Mozes, z e g g e n d e : Ga h e e n , s p r e e k t o t F a r a ö , d e n k o n i ng v a n E g y p t e , dat h i j de k i n d e r e n I s r a ë l s u i t zijnl a n d t r e k k e n l a te
Hoe genadig is de Heere! Hij -laat Zich daardoor, dat de kinderen Israëls niet naar Mozes hoorden, niet weerhouden, om de verlossing tot stand te brengen ; maar Hij zendt hem straks opnieuw tot Paraö. „Verder sprak de Heere tot Mozes." Mozes had dus gemeend, dat het alles vergeefsch was, omdat het volk hem niet hoorde. Hij, van zijnen kant, was van zins er mede op te houden, nog verder van de verlossing te prediken; het volk hoorde toch niet, en Paraö wilde ook niet. Zoo laten w i j het Woord Gods liggen, zijn vergeten, wat God vroeger bij ons en met ons gedaan en in ons gewerkt heeft, en zijn geheel onmachtig en te ongeloovig, om over de hindernissen, die ons in den weg gelegd worden, heen te komen. Wel ons, dat de H e e r e niet laat varen de werken Zijner handen. Mozes zit dus bedroefd terneder, hij denkt: „Nu is alles verloren", en wil niet meer prediken! bovendien, Faraö te bewegen, dat is onmogelijk. Daar openbaart God Zich aan Mozes opnieuw. Het is waar, wie niet gelooft, die moet in de slavernij blijven; maar God ontfermt Zich over de ellendigen, die Hij nu eenmaal besloten heeft aan te nemen. Zoo zij niet hooren willen, ook niet kunnen vanwege de benauwdheid des geestes, dan zal Hij van hun niet-hooren niet afhankelijk maken, wat Hij Zich voorgenomen heeft. O, wel ons bij zulk eenen Heere! Hoe dikwijls gebeurt het ons, dat wij vanwege de benauwdheid des geestes niet hooren, terwijl toch het Evangelie zoo luid verstaanbaar spreekt, j a ons zoo vriendelijk uitnoodigt. Ach, wanneer daar onze zaligheid afhing van ons hooren, dan bleven wij wel eeuwig in de slavernij ! Hij zal te Zijner tijd wel maken, dat wij hooren. Toen de Heere met Eva niets beginnen kon, wendde Hij Zich tot de slang (Gen. 3 : 14), en nu Hij hier met Zijn volk niets beginnen kan, wendt Hij Zich tot Farao Toen dus Mozes dacht: Nu is alles uit en voorbij, — toen behaagde het den Heere, eerst recht te beginnen. De Heere sprak tot Mozes, „zeggende", — d. i. Hij sprak zoo tot Mozes, dat hij wel overtuigd werd, dat het niet in zijn eigen hart was opgekomen —: „Ga henen", zonder vreeze; gij gaat op Mijn bevel, in Mijnen Naam, de uitkomst zij Mij overgelaten. „Spreek tot Faraö!" hij moge hooren willen of niet, „den koning van Egypte", Ik wil hem de eer laten, dat hij koning is; hij zal gewaarworden, dat er een grooter Koning is, dan waarvoor hij zich houdt; „dat hij de kinderen Israëls uit zijn land trekken late". De kinderen Israëls hebben immers eene toekomst, dat weet Farao wel. — „Uit zijn land", zoo hij zijn land, dat hij toch als koning behoort lief te hebben, niet wil zien verderven; — „trekken late", w~egzende, aleer het voor hem te laat zij, en Ut hem daartoe zal moeten dwingen. Dit bevel komt tot Farao als een heilzame raad, in alle goedertierenheid gegeven.
Vers 11. Doch Mozes s p r a k voor den H e e r e, - z e g g e n d e : Zie, de k i n d e r e n I s r a ë l s h e b b e n n a ar mij niet g e h o o r d , hoe zou mij dan F a r a o hoor e n ? d a a r t o e ben ik o n b e s n e d e n van l i p p e n.
Dat gaat toch wat te ver, zoo iets God in het aangezicht te zeggen; Hem in het aangezicht te zeggen: Hot zal toch niets baten, de kinderen Israëls, die toch ten minste Uwen Naam kennen, hooren naar mij niet, hoe zou dan Farao, die niets van Uwen Naam weten wil, naar mij hooren? Bovendien zegt hij: Ik kan niet prediken. Wanneer men anders ook iets •zou willen weigeren, zoo zal men evenwel, als ondergeschikte, daartoe den moed niet hebben, wanneer men voor eenen machtige staat, die ons iets beveelt. Maar Mozes zegt dit voor het aangezicht Gods. Waarlijk, dat gaat ver, zich terug te trekken, waar do Heere Zich aan den mensch in genade openbaart; in het geheel niet te bedenken, Wien men voor zich heeft, te weten: den H e e r e , Die machtig en getrouw is, om te vervullen, wat Hij beloofd heeft, en den wederhoorige te straffen; en Mozes was toch Gods dienstknecht, om Hem te gehoorzamen! Maar waarom deelt Mozes ons dit mede? O! hij doet als David, toen deze het opschrift boven den 5lst™ Psalm schreef. Mozes wijst ons aan, tot troost van alle bekommerden, welk een groot zondaar hij is geweest; hij wijst aan, dat hij met zulk een antwoord, als hij voor God van zijne lippen heeft laten komen, meer gezondigd heeft dan het volk, meer gezondigd heeft dan Faraö; dat hij datgene, wat hij over te brengen had, voor zijn eigen woord, en niet voor Gods Woord gehouden heeft. Hij had immers maar alleen te prediken; de men8chen vroom en rechtvaardig te maken, of het Woord te laten komen, dat was Gods zaak. Mozes schendt alzoo zichzelven, vertellende, dat hij zelfs goddeloos geweest is, opdat hij de lankmoedigheid, de genade en de barmhartigheid, de groote, geweldige liefde Gods en Zijne waarheid op het hoogst verheerlijke. Hij wil, dat men niet hem zal aanzien voor den man, die iets uitgericht heeft; God had veelmeer Zich den verkeerdste en onbruikbaarste uitverkoren, om dit alles te prediken en uit te voeren; hij toch heeft het volk aangeklaagd, aan God de onhandelbaarheid van Farao voorgehouden, en zich achter zijn niet welbespraakt zijn verscholen, ofschoon God hem reeds den weisprekenden Aiiron ter zijde gesteld had; zoo is hij dan zelf de onhandelbaarste geweest, en heeft zijn verstand tegen Gods macht gesteld. De Heere had hem reeds van te voren gezegd, dat Faraö niet zou hooren. Mozes had het woord over te brengen; en wat ging het hem aan, of hij onbesneden van lippen was, wanneer God wilde, dat hij met zulke lippen zou prediken ?
Maar dat wij in ons eigen hart afdalen, en op onze eigene gezindheid en wegen acht slaan, zoo zullen wij ontdekken, dat wij steeds bereid zjjn, om onze eigene wegen te kiezen en te gaan, dat wij allerlei verontschuldigingen zoeken en ook vinden, om ons aan den wil en de wegen Gods te onttrekken.
Yers 12. E v e n w e l s p r a k de H e e r e tot Mozes en t o t A a r o n , en gaf hun bevel aan de k i n d e r en I s r a ë l s , en aan F a r a ö , den k o n i n g van E g y p t e, om de k i n d e r e n I s r a ë l s u i t E g y p t e l a n d te l e i d e n.
„Evenwel", — d. i. ofschoon Mozes aldus tegenstreefde, ofschoon de kinderen Israëls niet hoorden en ook Faraö niet hooren wilde, gaf nochtans de Heere aan Mozes en den hom ter zijde gestelden Aaron het bevel, liet hen dit bevel aan de kinderen Israëls en aan Faraö bekend maken, en deed hen het bevel ten uitvoer brengen, dat zij de kinderen Israëls, gelijk herders de schapen, uit Egypte zouden uitleiden. Alzoo bestaat Gods raad, alzoo doet Hij met de Zijnen in genade, hoe zij ook weerstreven; maar met de vijanden handelt Hij, na langen tijd te hebben verdragen, in toorn, zoo als Hij het Zich heeft voorgenomen tot roem van Zijnen Naam.
Yers 13—29. Ook deze geslachtslijst staat hier tot roem der vrije genade. Ruben, de eerstgeborene van Israël, en dan Simeon en Levi, waren de drie eerste zonen uit Lea. Wat Jakob op zijn sterfbed, onder handhaving van de Wet Gods, aangaande Ruben en de gebroeders Simeon en Levi gezegd had (Gen. 49), was wel geschikt, om deze stammen daartoe te brengen, dat zij zich als vloekwaardigen, ja als vervloekten beschouwden; zulk een woord moest hen wel bedroefd, ja radeloos maken. Maar daar is Gods vrije ontferming en onverdiende genade over hen gekomen, en zoo zijn er vele en aanzienlijke familiën uit hen voortgesproten. Aan Ruben wordt hier zjjne eerstgeboorte voor dit leven teruggegeven, en zijn naam is niet uitgedelgd geworden uit het Boek des levens. Levi, de derde zoon, komt als vader van het priesterlijke geslacht nog bijzonder uit, opdat men wete, uit welken stam Mozes en Aaron zijn voortgekomen. De jaren des levens van Levi toonen aan, dat hij 43 jaren oud was, toen hij met Jakob in Egypte kwam, aldaar 93 jaren geleefd heeft, en 121 jaren vóór den uittocht uit Egypte gestorven is, 41 jaren vóór de geboorte van Mozes. Derhalve is hij zeer oud geworden, gelijk ook zijn zoon Kehat, die 130 jaren oud werd, terwijl Amram, de kleinzoon van Levi, denzelfden ouderdom als zijn grootvader bereikte Hierbij ware nog veel op te merken. Wij vestigen alleen hierop nog de aandacht, dat Simeon, die met Levi zoo hevig tegen de Sicliemieten had geijverd (Gen. 34), later zelf tot eenen armen zondaar gemaakt werd, doordien hij volgens Yers 14 behalve zijne vrouw zich nog eene Kanaanietische tot vrouw nam, geheel tegen.de heilige grondstelling zijner heilige voorvaderen; verder dat, naar Vers 20, Amram zijne eigene bloedtante, de zuster zijns vaders, tot vrouw had, hetgeen bloedschande was, hoewel God nog geen openbaar gebod daaromtrent gegeven had. Mozes verheelt het niet, van wie hij en Aiiron afstammen, ten einde de genade en barmhartigheid Gods te verheerlijken, en aan te toonen, dat, volgens zijne geboorte, aan hem en aan Aaron niets dan verdoemelijks was aan te wijzen. Amram en Joohebed hebben bet moeten boeten in den angst om hun kind Mozes; maar zij hebben de toevlucht genomen tot de genade, en die niet losgelaten; zoo hebben zij dan aan hunne beide zonen iets buitengewoons mogen beleven.
Aiiron heeft eene vorstendochter tot vrouw gekregen, uit Juda's stam, de zuster van den zeer aanzienlijken vorst Nahesson (Num. 1 : 7), den aanvoerder van den stam Juda. Eleazar, de zoon van Aaron, nam eene der dochters van Puthiël; deze naam beteekent waarschijnlijk: Putier, die Godes is. Hij schijnt diensvolgens een machtig man uit een der in de nabijheid van Egypte wonende volken geweest te zijn, die zich tot den God Israëls bekeerd heeft. Eleazar is bekend als de offeraar van de roode koe; hij staat daar als een beeld van Christus, zijne vrouw als een beeld der Gemeente uit de Heidenvolken. Zoo hebben wij drieërlei voorbeelden van echtelijke vereeniging. Het eerste predikt de genade in hare koninklijke heerschappij, welke zelfs bloedschande bedekt. Het tweede ware aan alle jonge predikanten aan te bevelen, — eene vrome huisvrouw van goeden huize is van bijzonderen invloed op de gansche Gemeente. Het derde predikt de barmhartigheid bij vroeger verschil in godsdienst. Dat wij ons bij echtverbintenissen aan Gods gebod houden, en dat zij in den Heere voltrokken worden; en trachten wij verder naar echtverbintenissen overeenkomstig onzen stand en naar overeenstemming in de belijdenis der waarheid. Waar het anders toegaat, daar moet men uitdrinken, wat men zichzelven ingeschonken heeft. Evenwel neemt men ook dan niet tevergeefs zijne toevlucht tot Gods genade en barmhartigheid. Zijne genade betoont zich steeds machtiger dan de door ons overtredene en ons veroordeelende Wet, ook in het huiselijk leven.
De kinderen van Korah komen hier ook voor, in zooverre de zoon niet draagt de misdaad des vaders. Het is merkwaardig, dat Mozes zijne eigene zonen niet noemt, ook zich niet bovenaan plaatst. Hij plaats Aiiron en het priesterlijk geslacht hier bovenaan, en schrijft Yers 25: D i t is A a r o n en Mozes, alsof hij zeggen wilde: Daar ziet gij, wat voor zwakke werktuigen het geweest zijn, en nochtans heeft de Heere tot hen gezegd: L e i d t de k i n d e r e n I s r a ë l s u i t E g y p t e l a n d, n a a r h u n n e h e i r e n . H. F. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 december 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 11 Pagina's

Aanteekeningen op Exodus 6.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 december 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 11 Pagina's

PDF Bekijken