Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Hoofdstuk 13 : 1-7

20 minuten leestijd

Aan het slot van het 12de Hoofdstuk heeft de Apostel ons voorgehouden, hoe wij in de verschillende omstandigheden dezes levens het kwade door het goede hebben te overwinnen. In bet nu ter behandeling volgende 13de Hoofdstuk past hij dit laatste ook toe op het gedrag der geloovigen ten opzichte van de overheid. De geloovigen toch werden in de verschillende landen en plaaisen, waar zij heentrokken, waar Zich de Heere door Zijn Woord en Zijnen Heiligen Geest eene Gemeente vergaderde, zeer dikwijls verdrukt en vervolgd. Wij weten, hoe de geestelijke en wereldlijke overheid te Jerusalem, Kajafas en Pilatus, en ook Herodes, gezamenlijk den Heere Jesus hebben veroordeeld en gedood. Ook later vervolgde de groote raad de Gemeente en liet hij Stefanus steenigen; de latere Herodes onthoofde Jakobus, den broeder van Johannes, en wierp Petrus in de gevangenis. Te Antiochië in Pisidië vervolgden de oversten der stad, door de Joden daartoe aangezet, de Apostelen Paulus en Barnabas, en verdreven hen uit hunne landpale; zoo ook te Iconium. Te Pilippi werden Paulus en Silas door de stedelijke overheid gegeeseld en in de gevangenis geworpen. Zoo hadden de Gemeenten juist van de zijde der overheid zeer dikwijls smaad en laster, verdrukking en vervolging te verduren, en moesten zij om het Evangelie goed en bloed overgeven. Licht kon er dus in de Gemeenten eene gezindheid omtrent de overheidspersonen ontstaan, waarbij dezen als vijanden van God en Zijn Woord, als vervolgers der Gemeente werden veroordeeld en ter helle, ter eeuwige verdoemenis verwezen, ja beschouwd werden als menschen, voor wie men eigenlijk in het geheel niet mocht bidden. Daarom moest Paulus aan Timotheüs schrijven: „Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen , dankzeggingen, voor alle menschen: voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn", — dezen noemt de Apostel hier zeer in 't bijzonder, juist omdat in de Gemeente de meening opkwam, dat men voor zulke goddelooze menschen, voor zulke vijanden en vervolgers niet behoefde te bidden. Daarom: „Yoor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle eerbaarheid en Godzaligheid." (1 Tim 2 : 1 en 2.) — Of wel het bleef niet alleen bij deze gedachten, maar men waagde het, zich tegen zulk eene goddelooze overheid te verzetten, geweld tegen geweld te stellen, en gaf zoo den vijanden reden tot lasteren. Opdat nu ook in dezen het kwade overwonnen zou worden door het goede, komt de Apostel met de vermaning: A l le z i e l z i j den m a c h t e n , o v e r h a a r g e s t e l d , o n d e r - w o r p e n . (Vers 1.) Zoo schrijft hij ook Tit. 3 : 1 : „Vermaan hen, dat zij aan de overheden en machten onderdanig zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn". ' En de Apostel Petrus zegt: „Zijt dan alle menschelijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij den koning, als de opperste macht hebbende; hetzij den stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen. Want alzoo is het de wil van God, dat gij, weldoende, den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze menschen; als vrijen", — in de vrijheid van Christus, waarmee Hij u heeft vrijgemaakt, om niet meer den duivel te dienen, — „en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienstknechten van God. Eert eenen iegelijk, hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning". (1 Petr. 2 : 13—17.)
„Alle ziel", zegt de Apostel, — want het gaat hier evenals overal, waar Gods Woord en gebod tot ons komt, niet maar om eene uitwendige gehoorzaamheid ten einde de straf te ontgaan, maar het gaat er om, dat het hart, dat de ziel zich aan den wil Gods onderwerpe, en zich met dezen wil leere vereenigen, anders wordt het gebod toch overtreden. „Alle ziel" dus, — hij zij oud of jong, man of vrouw, aanzienlijk of gering, hij moge eenige waardigheid bekleeden, of niet, — niemand mag zich er aan onttrekken of zicli boven dit gebod verheven achten. Er mag ook niet worden gevraagd, of de bestaande overheid, onder wier regeering wij ons bevinden, ons aanstaat, of niet, of zij naar onzen zin is, of niet. Staan wij onder hare heerschappij, onder hare macht, zoo hebben wij haar onderdanig te zijn. Of nu de overheid eene monarchale dan wel eene republikeinsche, of de monarchie onbeperkt dan wel constitutioneel zij, dat maakt hier geen verschil, zulks is alleen een gevolg van de geschiedenis eens volks, dat is van den weg, dien God met een volk of eenen staat in den loop der eeuwen heeft gehouden. Ook komt hier niet in aanmerking, of de personen, die de overheid, de hoogere of lagere, vormen, naar onzen zin zijn en onze sympathie hebben of niet. Dat wij toch niet vergeten , dat, toen Paulus deze woorden schreef, Nero te Rome als keizer op den troon zat, — hij, die zijne eigene moeder liet ombrengen, omdat zij hem tot eenen last was, die ook de hoofdstad van zijn eigen rijk, Rome, liet in brand steken, om haar met meer pracht weder te kunnen opbouwen, en die de Christengemeente op de vreeselijkste en gruwzaamste wijze vervolgde. W i j hebben dus n i e t t e beoordeelen, of zij, die onze overheid zijn, goed of slecht zijn, of zij onzen lof dan wel onze afkeuring verdienen, om vervolgens onze gehoorzaamheid aan hunne wetten en verordeningen daarvan afhankelijk te maken. Zij zullen geoordeeld worden door den Koning der koningen, den Heer der heeren. Ons geldt, wat het Woord hier zegt: „Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, o n d e r w o r p e n " , — niemand denke, dat hij boven deze machten staat.
W a n t er is g e e n e m a c h t dan van God, en de m a c h t e n , d i e er z i j n , d i e z i j n v a n God v e r o r d e n d. Zoo zegt ook de Wijsheid, dat is Christus, in de Spreuken van Salomo: „Door Mij regeeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid. Door Mij heerschen de heerschers, en de prinsen, al de rechters der aarde". (Spr. 8: 15 en 16.) Ja, de overheidspersonen worden in de Heilige Schrift, in de Boeken van Mozes en in de Psalmen zelfs „goden" genoemd, omdat zij door God zijn aangesteld, en God door hen land en volk regeert. Immers heefc God Zijne bepaalde ordeningen. Hy regeert de kinderen niet onmiddellijk van uit den hemel, maar, zooals onze Catechismus zegt, „door de hand der ouders". En zoo is het ook eene ordening en inzetting Gods, dat Hij de verschillende volken door hunne overheid regeert en leidt, en niet eene bloot menschelijke, of geheel willekeurige instelling. Maar zoo ooit, dan is er heden ten dage een geest uitgegoten, die zich tegen alle ordeningen Gods verzet en er op uit is, om deze omver te werpen. De kinderen willen in huis bevelen en, vooral als zij wat groater geworden zjjn, en zeiven iets kunnen verdienen, den ouders de wet stellen en zeggen, hoe het in huis zal gaan. Maar dat God den kinderen de ouders heeft gegeven, opdat dezen regeeren, hen leiden en besturen, en dat de kinderen de ouders zullen achten en eeren, hun zullen gehoorzamen en onderdanig zijn, dat komt in vele kinderen in het geheel niet op. En zoo heeft deze geest van opstand" en verzet tegen de ordeningen Gods in steeds wijderen kring ook het volk, de onderdanen aangetast, zoodat zij niet meer onderdanig willen zijn, maar zich stellen in de plaats der overheid en zeiven willen regeeren. Vandaar dat schimpen op, dat lasteren van de regeering, vandaar de sociaaldemocratische geest, de geest der revolutie, die zich steeds luider uitspreekt, zich steeds stouter verheft, en er op uit is, om de tronen omver te stooten. Deze geest is opgekomen uit de hel, en hij beeft eene brandende fakkel in de hand, oin, onder voorwendsel van het welzijn des volks te zoeken en te bevorderen, het gebouw onzer welvaart in brand te steken, huwelijk en huisgezin te verwoesten, Godsdienst en Kerk uit te roeien. En velen, die Gods Woord en waarheid kennen, staan daarbij en zien het aan, zonder te vermoeden, welk eene duivelsche macht daarachter schuilt, hoewel het toch wel met de handen te tasten is. Het bestaan van God, de allerhoogste Majesteit, wordt geloochend, Zijn Woord veracht en verworpen, en zoo moeten ook Zijne ordeningen omvergestooten worden. Ieder meent te kunnen meespreken. Het zal geenen kleermaker ia den zin komen, te denken, dat hij een goed slotenmaker is; geen. schoenmaker zal meenen, een goed timmerman te zijn; maar ieder handwerksman denkt heden ten dage zeer goed te kunnen regeeren, ja het nog beter te verstaan dan de koning en zijne ministers, — en stelt zich, althans in gedachten, in liunne plaats. Daarom is het noodig, dat het Woord tot ons komt en door ons worde betracht en ter harte genomen: „Er is geene macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God verordend", — niet maar door God toegelaten, maar door God verordend en aangewezen, want God is een God van orde, zopdat wij, der overheid gehoorzamende, God gehoorzamen, maar ons tegen de overheid verzettende, ons niet verzetten tegen menschen, maar tegen God.
De Apostel gaat dan ook in Vers 2 aldus voort: Alzoo, d a t die z i c h t e g e n de m a c h t s t e l t , de v e r o r d e n i ng v a n God w e d e r s t a a t . Het is dus eene zware schuld,- een vergrijp, dat zich noode verontschuldigen laat, als iemand tegen de overheid in verzet komt, en zoo Gods ordening omverwerpt. Het spreekt intusschen vanzelf, dat de gehoorzaamheid aan de overheid hare grenzen heeft in het gebod Gods, en dat dus dc eerbied en onderdanigheid, aan de overheid verschuldigd, er niet toe leiden mag, om een uitdrukkelijk gebod Gods te overtreden. Indien goddelooze ouders hunne kinderen tot leugen of diefstal zouden willen aansporen, zoo hebben de kinderen bij alle achting en eerbied, die zij overigens hunnen ouders schuldig zijn te bewijzen, in dit geval toch niet te gehoorzamen maar zich te houden aan het woord: „Mea moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen". En hetzelfde | geldt ook ten opzichte van de overheid. Wij weten, dat de Apostelen Johannes en Petrus eens in de gevangenis geworpen en voor den grooten raad gesteld werden, omdat zij eenen kreupelgeborene in den Naam van Jesus Christus hadden genezen, en het volk het Evangelie hadden gepredikt, en dat hun ten strengste werd verboden, weder in Jesus' Naam te leeren. Maar zij antwoordden: „Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te hooren dan God ? " En toen later alle Apostelen in de gevangenis werden geworpen, en hun hunne „ongehoorzaamheid", zooals de overpriesters liet noemden, werd voorgehouden met de woorden: „Hebben wij u niet ernstelijk aangezegd, dat gij in dezen Naam niet zoudt leeren?" antwoordden zij: „Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menecheh". (Hand- 4 en 5.) En hoe dikwijls hebben later in de dagen van vervolging gedurende de eerste eeuwen of ten tijde der Hervorming de geloovigen, wanneer hun door de overheid werd bevolen, den afgoden te offeren, of de mis bij te wonen, Maria aan te roepen, enz., liever goed en bloed overgegeven, dan dat zij zouden hebben gehoorzaamd. — Maar dit daargelaten, blijft staan het woord: Wie zich tegen de overheid verzet, wederstaat de ordening Gods, de ordening van dien God, Die de overheid heeft aangesteld, om te bevelen en te regeeren, en opdat dus de burgers, de onderdanen, haar gehoorzamen. En d i e ze w e d e r s t a a n , z u l l e n over z i c h z e l v e n een o o r d e e l h a l e n , — een oordeel, niet alleen van de overheid, tegen wie zij zich verzetten, maar van God Zeiven. Hoe God het oordeel deed komen over Absalom, die tegen zijnen koning en vader, opstond, weten wij: zijn hart werd doorboord door de drie pijlen van Joab. En hoeveel nood en ellende is niet te allen tijde gekomen over hen, die de hand hadden opgeheven tegen hunnen koning, tegen de wettige regeering! Geen heil en zegen, maar bloed en tranen waren de vrucht van het zaad, door de revolutie uitgestrooid.
Door God Zeiven is de overheid ingesteld en verordend, naar Zijne wijsheid en trouw, dengenen, die God vreezen, ten zegen, maar hun, die Gods gebod verwerpen, tot straf, waarom de Apostel dan ook verder zegt: W a n t de overs t e n z i j n n i e t tot eene v r e e z e den goeden w e r k e n, m a a r den kwaden. W i l t gij nu de m a c h t niet v r e e z e n , doe het g o e d e , en g i j z u l t l o f van h a ar h e b b e n W a n t zij is Gods d i e n a r e s , u t e n goede. M a a r i n d i e n gij k w a a d doet, zoo vrees; w a n t z ij d r a a g t het z w a a r d niet t e v e r g e e f s : want zij i s Gods d i e n a r e s , eene w r e e k s t e r tot s t r a f deng e n e , die k w a a d doet. Wat eene ellende, indien er geene overheid ware, indien er geene macht bestond, om wet en orde te handhaven, om recht en gerechtigheid staande te houden; wij kunnen ons nauwelijks voorstellen, welk eene verwarring er zou ontstaan, als deze banden werden verbroken, deze ordening Gods werd opgeheven. De een zou den ander doodslaan, zoodra deze hem in den weg stond, de een zou van den ander stelen en rooven, wat hem lustte, en van bezit en eigendom en een vreedzaam genieten daarvan zou geene sprake meer zijn. Ieder zou zijn eigen hoofd en wil, zijnen eigenen lust en hartstocht volgen en de een zou den ander geene rust laten. Maar God handhaaft recht en gerechtigheid, wet en orde, en dat doet Hij door menschen, door de overheid, en zoo is de overheid Gods d i e n a r e s . Zij is niet de dienares des volks, al bestaat zij ook voor het volk en om het volk. Gods dienares is zij, om'in den haar aangewezen kring, in hetgansche burgerlijk en maatschappelijk leven naar den wil Gods het goede te beschermen, en het kwade te straffen. Zoo scherpte ook Josafat den door hem aangestelden richters in: „Ziet, wat gij doet, want gij houdt het gericht niet den mensche, maar den Heere; en Hij is bij u in de zaak van het gericht". (2 Kron. 19:6.) En daartoe heeft God haar ook macht gegeven, macht zelfs over leven en dood, — waarom wij hier lezen: Zij d r a a g t het z w a a r d n i e t t e v e r g e e f s . Zij moet naar den wil Gods de wet handhaven, ook het gebod: „Wie des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden", — zij moet dus tegen moord de doodstraf aanwenden, om het leven vau den mensch, dien God naar Zijn beeld schiep, te beschermen. Eene Goddelijke waardigheid en macht voorwaar is dus der overheid gegeven, — tot schrik der kwaaddoeners, tot heil dergenen, die het goede doen, die zich houden aan het gebod. En zoo heeft God haar ook de roeping gegeven, Zjjne Kerk te beschermen, en er voor te zorgen, dat Gods Woord ook in de scholen worde gehandhaafd, opdat zoo de Gemeente, beschermd door de overheid, opgebouwd worde op den eenigen grond, die gelegd is, gelijk wij ook in onze Geloofsbelijdenis vinden uitgedrukt.
D a a r o m is het n o o d i g , — ons is niet de vrijheid gelaten van te willen of niet te willen, het is dus geene zaak van willekeur, — daarom is het noodig, o n d e r w o r p e n te z i j n , niet a l l e e n om der s t r a f f e , maar ook om des g e w e t e n s wil. (Vers 5.) Noodig is het dus, maar niet om den uiterlijken dwang, niet omdat de straf der overheid zelve op de overtreding zou volgen, maar om des gewetens wil, — of, zooals Petrus het uitdrukt, „om des Heerea •wil". Wij hebben het daarbij niet zoozeer met menschen, maar met God den Ileere Zeiven te doen. Daarom is het eene zaak des gewetens, dat gebonden is aan Gods Woord en waarheid, aan Gods Wet en gebod. Of de overheid naar ons oordeel goed is, of niet, of zij haar ambt, hare roeping naar Gods wil vervult, of niet, dat maakt hier geen verschil, zij is door God aangesteld, en eene slechte overheid is zelfs nog beter dan in het geheel geene.
W a n t d a a r o m b e t a a l t g i j o o k s c h a t t i n g e n ; w a nt z i j z i j n d i e n a a r s van God, in d i t z e i v e g e d u r i g l i jk b e z i g z i j n d e . (Yers 6.) God heeft der overheid ten plicht gesteld, voor het welzijn des volks te zorgen, het te beschermen tegen den uitwendigen vijand, opdat wij in vrede leven, en Zijne zegeningen genieten kunnen; daarom moet zij ook zorgen voor een geoefend leger, dat te allen tijde slagvaardig is. Hij heeft haar verder opgelegd, het volk te beschermen tegen alle goddeloosheid binnenslands, en daarom voor goede politie en rechters te zorgen, en zoo vele instellingen in het leven te roepen en in stand te houden als voor de algemeene welvaart noodig is, en die wij hier niet afzonderlijk kunnen noemen. Daarom moet ook aan de overheid belasting worden betaald, opdat zij haar ambt getrouw kan volbrengen, en hebben wij haar ook daarin als onze overheid te erkennen. De dienaars der Farizeën kwamen eens tot den Heere Jesus, om Hem te verzoeken, en legden Hem de vraag voor: „Is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of n i e t ? " Zij waren namelijk van meening, dat zij, als het heilige volk Gods, als het volk des eigendoms, aan den Romeinschen keizer, als aan eene Heidensche, goddelooze overheid, geene schatting mochten betalen. Dat durfden zij nu wel niet zoo openlijk uit te spreken, want dan zou de Romeinsche regeering daar spoedig tusschen gekomen zijn, maar zoo onder de hand leerden zij het toch, en dat gold dan voor zeer vroom en werd tevens aangemerkt als getuigende van liefde voor het vaderland, en van een hart voor de rechten des volks, waarom ook de Farizeën zulk eenen grooten aanhang hadden onder het volk en zoo geliefd bij hen waren; want als men op de regeering schimpt, vindt men grooten bijval bij het volk. Zoo kwamen zij nu met deze vraag tot den Heere, niet omdat het hun om de waarheid te doen was, maar om Hem te vangen. Zij dachten : Indien Hij zegt, dat men geene belasting moet betalen, zoo klagen wij Hem bij de regeering aan als iemand, die het volk „beroert en afkeerig maakt"; zegt Hij evenwel, dat men moet betalen, dan klagen wij Hem aan bij het volk als iemand, wien de belangen des volks niet ter harte gaan. Maar de Heere in Zijne wijsheid doorziet hunne arglistigheid, en zegt: „Toont Mij den schattiiigpenning", en als zij Hem eenen voorhielden, vraagde Hij: „Wiens is dit beeld en dit opschrift?" en toen zij zeiden: „Des keizers", waarmeê zij het zei ven moesten uitspreken 5 dat zij onder de heerschappij des keizers stonden en aan dezen schatplichtig waren, antwoordde Hij: „Geef dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is". Beide is naar recht en van elkander onderscheiden.
Daarom volgt dan ook de vermaning in Yers 7 : Zoo g e e ft d a n e e n e n i e g e l i j k , w a t g i j s c h u l d i g z i j t , — evenals wij Gode moeten geven, wat Gods is, zoo hebben wij ons ook te godragen ten aanzien van de menschelijke en wereldlijke ordeningen, en dus den keizer te geven, wat des keizers is. Dit betreft eensdeels uitwendige zaken, waarop Paulus doelt, als hij zegt: s c h a t t i n g , w i e n g i j de s c h a t t i n g ,, t o l , w i e n g i j den tol s c h u l d i g z i j t , — ook hierin hebben wij Gods ordening te achten, en de overheid niet te bedriegen, al wordt dit ook gewoonlijk zoo geen bedrog genoemd, en al beroemt men er zich zelfs op, de verordeningen der overheid te hebben ontdoken. Anderdeels betreft het ook het inwendige: v r e e z e , w i e n g i j de v r e e z e , eer, w i en g i j de e e r s c h u l d i g z i j t . Als Gods dienares, die den dienst en het ambt Gods waarneemt, komt der overheid niet enkel de uiterlijke gehoorzaamheid toe, maar ook achting en eerbied. Maar welk eene verachting van, welk een lasteren tegen de overheid, vooral in onze dagen! Gelijk de vrees voor God Zeiven, Die de allerhoogste Majesteit is, op zij wordt gezet, zoo ook de vrees voor de wereldlijke overheid, waarom ' reeds Judas in zijnen Brief spreekt van dezulken, die de heerschappij verwerpen, en lasteren de heerlijkheden. (Yers 8.) Wie echter wind zaait, zal storm oogsten.
God heeft de Zijnen niet geroepen, om de zijde te kiezen van hen, die het volk ontevreden en oproerig maken, maar om zich te buigen, vooreerst onder Hem, de allerhoogste Majesteit, maar ook onder de heerschappijen en ordeningen, die Hij op aarde heeft ingesteld, — opdat zij als een licht schijnen in deze wereld, en weldoende den mond stoppen aan de onwetendheid der dwaze menschen en de lasteraars tot zwijgen brengen, of, zooals de Apostel het hier noemt, het kwade door het goede overwinnen, — en opdat voorts dit gebed in het hart leve: „Op Uwe zaligheid wacht ik, Heere!"'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken