Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Hoofdstuk 14 : 1-6

9 minuten leestijd

In eene Gemeente, die God do Heere Zich tot eere Zijns Naams door Zijn Woord en Zijnen Heiligen Geest vergadert, zijn wel de geloovigen vereenigd, zooals onze Catechismus zegt, in eenigheid des waren geloofs, — maar toch ontstaan er bij de afzonderlijke leden ten aanzien van vele vragen verschillende meeningen, beschouwingen en opvattingen naar de maat der kennis, die eenen iegelijk gegeven is, en ieder houdt dan gaarne zijne meening vast. Zoo ontstaat er dan licht twist en strijd, die de harten en gemoederen verdeelt, als men zijne persoonlijke meening van meer gewicht acht dan den gemeenschappelijken grond des geloofs, waarop men toch vereenigd is. De duivel, die er voortdurend op uit is, om te scheiden, wat God vereenigd heeft, om omver te halen en te verwoesten, wat God opgebouwd heeft, trekt, als zulke twisten ontstaan, er gaarne partij van, en maakt de scheur hoe langer zoo grooter, totdat zij onherstelbaar is, en blaast het twistvuur aan, totdat alles in lichterlaaie staat, en hetgeen God heeft opgebouwd, verteerd wordt. Zoo is hij er dan ook steeds op uit, om zulke oneenigheden in de Gemeente te verwekken en ze gaande te houden en te verergeren, opdat het werk des Ileeren geenen voortgang hebbe, en men niet bedacht zij op het eene noodige, maar het heil en de zaligheid zijner ziel veronaehtzame, en weder verlieze, wat men te voren had ontvangen.
Zoo waren er destijds in de Gemeente te Rome, en niet alleen daar, maar ook elders, menschen, die hun geweten kwelden met allerlei vragen aangaande spijs en drank, en allerlei onderscheidingen maakten, zeggende: „Dit mag men niet eten of drinken, en dat niet", en hunne meeningen ook eenigermate met den Bijbel wisten te staven. Zij beweerden, dat het zonde was, vleesch te eten, want het vleeseh van het vee, dat bij de talrijke offeranden van den Heidenschen afgodendienst den afgoden werd gebracht en gewijd, werd later, gedeeltelijk althans, in het openbaar verkocht, en zoo zeiden dan de angstvalligen of zwakken onder de geloovigen, dat men, wanneer men vleeseh kocht, volstrekt niet kon weten, of het vleeseh was, dat te voren den afgoden geofferd was, of niet, en dat men dus, wanneer men het at, zich mede schuldig zou kunnen maken aan den afgodendienst. Weer anderen trachtten het te bewijzen met te zeggen: Uit de Heilige Schrift blijkt duidelijk, dat de menschen v ó ó r den zondvloed geen vleesch hebben gegeten, eerst n a den zondvloed begon men vleesch te eten; in het eerste Hoofdstuk van Genesis toch staat uitdrukkelijk, dat de Heere zeide: „Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven", — „het zij u tot spijze!" (Vers 29), en eerst in het 9de Hoofdstuk, dus na den zondvloed, zeide God: „Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid". (Vers 3.) Daaruit werd dan besloten, dat het meer overeenkomstig de reinheid en heiligheid was, wanneer men geen vleesch at, maar alleen plantaardig voedsel nuttigde; zij beriepen zich hierbij ook wel op het feit, dat Daniël zich niet had willen verontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks, maar slechts van het gezaaide had gegeten en water gedronken; ook beriepen zij zich wellicht op de Rechabieten, die het gebod huns vaders, om geenen wijn te drinken, zoo getrouw hadden bewaard, en daarom door den Profeet Jeremia geprezen en door den Heere gezegend waren. Immers komt men er zoo licht toe, zijne persoonlijke meeningen en inzichten met uit het verband gerukte schriftuurplaatsen te staven, en maakt zich daarbij dan wijs, dat men Gods Woord op zijne zijde heeft, zonder er acht op te slaan, dat hetzelfde Woord Gods op andere plaatsen weêr geheel iets anders zegt. Intusschen, zij gevoelden zich nu eenmaal in hunne gewetens gebonden, meenden daarin eene bijzondere heiligheid en vroomheid te bezitten, en zouden het voor eene zware zonde hebben gehouden, in strijd daarmede te handelen.
Weer anderen, — of wellicht waren het dezelfden, — maakten onderscheid tusschen dagen en dagen, zooals de Apostel Vers 5 en 6 zegt. Zij hielden sommige dagen voor bijzonder heilig, voor heiliger dan de andere, of voor dagen van bijzonder geluk; of zij hielden de feestdagen, die vroeger bij de Joden werden gehouden, ook in de Christelijke Gemeente, dewijl zij dachten, dat zij toch van God geboden waren ; zoo hielden zij de nieuwe maanden en den Sabbat der Joden, nevens den Zondag der Christenen, omdat zij toch niet uitdrukkelijk waren opgeheven, en alzoo maakten zij zich ook daarvan eene gewetenszaak. Zij waren daar zeer angstvallig in, en vreesden, indien zij deze bijzonder heilige dagen niet hielden, het mishagen Gods op te wekken.
De Apostel Paulus is hierin vrij, hij is in Christus Jesus daarvan vrijgemaakt. Hij weet, dat de gerechtigheid voor God niet bestaat in het houden van deze geboden en inzettingen , en dat de voorbeelden van Christus in Hem vervuld zijn. Waar aan dergelijke dingen werd vastgehouden, en men zulke voorschriften ook anderen wilde opdringen als noodzakelijk, om voor God te kunnen bestaan, om gerechtigheid voor God te hebben of te verwerven, en aldus tegen Christus en tegen de gerechtigheid, die in Hem is, inging, — daar wees hij zulke bedenkingen met alle beslistheid van de hand ; — maar dan ook kon hij weder, wanneer hij daarvoor niet bezorgd behoefde te zijn, uit liefde tot de zwakke broederen, om hen te gemoet te komen en hun, ter vereeniging, eene brug te leggen, in deze zelfde dingen meedoen. Wij weten, met welke beslistheid hij optrad tegen hen, die den geloovigen uit de Heidenen de besnijdenis en het houden der inzettingen van Mozes wilden opleggen als noodzakelijk ter zaligheid. Daarom duldde hij niet, dat zijn leerling Titus besneden werd, hoewel deze een Griek, d. i. een Heiden was van geboorte, maar zegt hij: „Denwelken wij ook niet een uur hebben geweken met onderwerping, opdat de waarheid van het Evangelie bij u zou verblijven". (Gal. 2 : 5.) Maar dezelfde Apostel liet zijnen anderen leerling, Timotheüs, besnijden — : om der Joden wil, die in deze plaats waren; zij zouden zijne prediking of onderwijzing nooit hebben aangenomen, maar hem van stonden aan afgewezen hebben. Een onbesnedene toch moest zich niet het recht aanmatigen, om hen uit Gods Woord te willen onderwijzen! Deze bedenking en dit voorwendsel neemt Paulus weg, door Timotheüs te laten besnijden. — Zoo ook, toen hij te Jerusalem kwam, en daar ondervond, dat vele geloovigen uit de Joden met wantrouwen jegens hem vervuld waren, alsof hij van Gods Wet en gebod niets wilde weten, bewilligde hij op raad van Jakobus en de ouderlingen, om zich met vier mannen, die eene gelofte hadden gedaan, gezamenlijk naar Mozaïsch gebruik zich te laten reinigen, en voor hen de kosten van de daaraan verbonden offeranden te dragen. De steenen des aanstoots moeten uit den weg geruimd worden, en zijne groote kennis staat hem niet in den weg, om in hartelijke liefde de zwakke broederen te dienen.
In de Gemeenten in Galatië en te Colosse waren deze en dergelijke vragen en twistingen ook ontstaan, evenals te Rome. Maar in eerstgenoemde Gemeenten hadden zij reeds een ander karakter aangenomen, en bestond het gevaar, dat zij, die zoo angstvallig lett'en op het houden van dagen en feesten, of hun geweten kwelden met vragen omtrent spijze en drank, zoodoende van Christus afvielen en de genade verlieten, en schade leden aan hunne ziel. Daarom komt de Apostel daar met alle beslistheid als een getrouw herder tegen zulke twistingen op, en vermaant hen: „Dat u dan niemand oordeele in spijs, of in drank, of in het stuk des feestdags, of der nieuwe maan, of der Sabbatten". (Col. 2 : 16.) En sterker nog Gal. 4 : 9 : „En nu als gij God kent, ja veel meer van God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme eerste beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen? Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. Ik vrees voor u, dat ik niet eenigszins tevergeefs aan u gearbeid heb".
Hier, te Rome, bestond dit gevaar echter niet, althans niet in dezelfde mate, waarom het ook niet noodig was, dat de Apostel er met dezelfde beslistheid tegen optrad. Het was hier meer een verschil van inzicht bij hen, die zich sterken noemden, en de anderen, die door hen werden aangeduid als „zwak in het geloof". Yan ouds her toch hebben er in de Gemeente allerlei meeningen omtrent sommige punten bestaan, alzoo, dat de een het met deze, de ander het met die beschouwing hield. Zoo wordt bijv. door de Gereformeerde Kerk in Schotland zeer beslist verworpen, dat men, behalve den door God ingestelden Sabbat of Zondag, nog andere kerkelijke feestdagen moet vieren, terwijl bij ons en in andere Gereformeerde landen zulke feestdagen worden gevierd, zooals Goede Ynjdag, Hemelvaartsdag en andere, hoewel het voorzeker niet valt te loochenen, dat er gevaar bestaat, dat deze door raenschen ingestelde feestdagen voor beter worden gehouden dan de door God ingestelde Zondag. Ten tijde der Hervorming liepen de meeningen omtrent deze vragen zeer uiteen. Yerder doet zich de vraag op, of het goed is, op zulke, slechts door menschen ingestelde feestdagen te werken, of niet. — Yoorts, of liet gebruik van orgels in de Kerk geoorloofd is, of niet. Te Zürich werden ten tijde der Hervorming alle orgels afgeschaft; in Schotland bestaat daaromtrent nog heden een hevige strijd, daar sommigen beweren, dat het gebruik van orgels bij de godsdienstoefeningen uit den booze is, terwijl anderen ze willen toelaten. — In de verschillende Gemeenten en ook wel in eene en dezelfde Gemeente is men het er wijders niet over eens, of men slechts viermaal in het jaar het Heilig Avondmaal zal vieren, of vaker, ook of het zittend of staand zal gebruikt worden, gelijk ook overigens omtrent de regelen en gebruiken, die bij de viering van het Heilig Avondmaal behooren in acht genomen te worden, verschillende meeningen bestaan. Zoo dacht men er van ouds her in de Gereformeerde Gemeenten ook verschillend over, of het beter is, dat de leden van den Kerkeraad door de Gemeente worden gekozen, of dat de Kerkeraad zichzelven aanvult, — of de ouderlingen slechts voor twee jaren zullen worden gekozen, of dat zij telkens opnieuw moeten gekozen worden. Kortom, er zijn vanouds zeer vele en onderscheidene inzichten en meeningen ontstaan over deze of die kerkelijke gebruiken, over hetgeen recht, goed, noodzakelijk, of Gode welbehaaglijk is, en deze zullen telkens weder boven komen; maar deze inzichten, — waarbij het geenszins onverschillig is, welke partij men kiest, — m ogen toch nooit tweedracht en scheuring aanrichten in de Gemeente, terwijl geene partij zich het recht mag aanmatigen, om hare meening als de juiste aan anderen op te dringen, maar de strijd moet in liefde worden bijgelegd. . (Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 januari 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 januari 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken