Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Hoofdstuk 14 : 14-18 (Slot)

9 minuten leestijd

De vermaning, om den zwakken broeder door onze spijze niet te krenken of te verderven, besluit de Apostel in Vers 1G aldus: Dat dan uw goed niet g e l a s t e r d worde. „Uw goed", d. i. liet goede, dat God u in waarheid heeft gegeven, geschonken en toevertrouwd, het voorrecht, dat u ten deel is gevallen, hetwelk is: uwe vrijheid, die gij in Christus Jesus hebt, dat Christus u heeft vrijgemaakt van al dat wettisch, vreesachtig bestaan, zoodat gij uw geweten niet meer kwelt met spijze en drank, of met bepaalde feestdagen of nieuwe maanden of sabbatten, 'twelk alles slechts eene schaduw was van de toekomende dingen, nml. van den Heere Jesus Christus (Col. 2 : 16 en 17); de zekerheid, dat gij in Hem volmaakt zijt, en dat het u in Hem aan geene gave ontbreekt, maar gij vervuld zijt met alle volheid Gods in Christus. Wanneer gij nu dit goed, 't welk gij bezit, dit voorrecht, dat u ten deel is gevallen, gebruikt, om daardoor twist en strijd, verdeeldheid en scheuring te doen ontstaan, om uwen broeder te bedroeven, tot zonde te verleiden, en te verbitteren, — zal het dan niet gelasterd worden als iets, dat niet is uit God, maar uit den duivel, dat niet is vrucht des Geestes, maar een werk des vleesches en enkel goddeloosheid? Wel wordt Gods Woord en waarheid, het genadig Evangelie van Jesus Christus, de prediking van de gerechtigheid uit het geloof alleen voortdurend in de wereld, bij alle eigengerechtigen, verdacht gemaakt en gelasterd als eene leer, die zegt: „Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome", als eene leer, die goddelooze en zorgelooze menschen maakt, als een woord, dat overal onvrede, oproer en tweedracht aanricht; — de wereld kan niet anders dan lasteren; — maar zie gij toe, dat gij van uwe zijde door uw gedrag en wandel geene aanleiding daartoe geeft, dat gij niet eenen schijnbaren grond geeft tot zulk lasteren, hetzij bij de zwakken in de Gemeente, hetzij bij hen, die buiten zijn. God zal het straffen en bezoeken, als door onze schuld, door ons getwist om geljjk te hebben, door onzen hoogmoed en onze liefdeloosheid de broeder gekrenkt en beleedigd wordt, en twist en tweedracht in de Gemeente ontstaat.
Drie redenen alzoo heeft de Apostel aangegeven, waarom de sterke zichzelven zal verloochenen en den zwakke geenen aanstoot zal geven met zijne spijze, door zulk een gebruik van de vrijheid, die hij in Christus heeft, waarbij hij met den zwakke geene rekening houdt. Hij zal het niet doen, ten eerste uit liefde, opdat de zwakke broeder niet bedroefd of gekrenkt en in zijn geweten gekwetst worde; ten tweede om den Heere Jesus Christus, Die voor hem gestorven is en hem duur gekocht heeft met Zijn bloed; en ten derde om de eepe Gods, opdat de waarheid van het Woord Gods, het goede, dat Hij ons heeft geschonken in het Evangelie van Jesus Christus, niet gelasterd worde.
En waarom wilt gij nu zoo volstrekt vasthouden, tot in de kleinste kleinigheid, wat gij nu eenmaal hebt begrepen en denkt, dat het juist, alleen juist is, zonder acht te slaan op uwen broeder, die daardoor bedroefd en gekrenkt wordt, — waarom zoo vasthouden aan hetgeen gij weet van spijs en drank, alsof daaraan ik weet niet hoeveel gelegen ware, ja alsof alles daarvan zou afhangen? W a n t het K o n i n k r i j k Gods is n i e t s p i j s en d r a n k , maar r e c h t v a a r d i g h e i d , en v r e d e , en b l i j d s c h a p , door den H e i l i g e n Geest. Het Koninkrijk Gods nu is daar, waar God regeert in Christus Jesus, waar niet de duivel regeert, waar niet het eigen ik met zijne aanmatiging op den troon zit, maar waar de Heere Jesus Christus op den troon zit en regeert met Zijne genade en den Heiligen Geest. Waarlijk daar gaat het toch om andere dingen dan om spijs en drank, en wij mogen hieraan niet zooveel gewicht hechten, dat wij, om ons daarin te handhaven en om daarin niet toe te geven, zoozeer tegen de liefde zouden mogen zondigen. „Hetzij dat wij eten, wij hebben geenen overvloed", zegt de Apostel 1 Cor. 8 : 8, „en hetzij, dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek." Maar men kan in deze in waarheid nietige dingen, in deze bijzaken zijne bijzondere gerechtigheid zien, zijne eer zoeken, en denken, dat dat nu zoo geheel in 't bijzonder tot het Koninkrijk Gods behoort; men kan muggen uitzuigen en kemelen doorzwelgen, munt en komijn vertienen, en het zwaarste der Wet nalaten: het oordeel, de barmhartigheid en het geloof, — zooals onze Heere Jesus Christus eenmaal zeide. En daar verstaat Hij onder „oordeel" dit, dat men in den omgang met den naaste recht oordeelt, d. w. z. onderscheid maakt, en niet van den lamme verwacht, dat hij loopc als iemand, die gezonde leden heeft, — en niet van den zwakke en zieke, dat hij eenen last drage zooals een gezonde. En onder „barmhartigheid" verstaat Hij, dat men doet, zooals de aartsvader Jakob, die, toen Ezau met hem wilde reizen, acht nam op de teedere kinderkens en de zoogende koeien, en zeide: „Ik zal mij op mijn gemak al^ leidsman voegen, naar den gang van het werk, dat voor mijn aangezicht is, en naar den gang dezer kinderen". En als Hij daar spreekt van „geloof", dan bedoelt Hij daarmee de trouw, de volhardende trouw, die den dwalenden, den zwakken broeder vasthoudt en hem niet zoo spoedig loslaat en overboord werpt. Daarom zegt de Apostel dan ook hier: het Koninkrijk Gods is r e c h t - v a a r d i g h e i d , en v r e d e , en b l i j d s c h a p , d o o r d e n Heil i g e n G e e s t . — „Rechtvaardigheid," — laten wij daarop in de eerste plaats uit zijn, dat wij onze eigene gerechtigheid, die toch ongerechtigheid en goddeloosheid is, laten varen, en in eene rechte verhouding tot God komen, dat wij als goddeloozen in Christus rechtvaardig zijn gesproken; dan is het met al het roemen van onszelven gedaan en zullen wij jegens den zwakken broeder ook rechtvaardig zijn, zoodat wij niet van hem eischen, wat hij nu eenmaal nog niet heeft. — „ Vrede" geeft Hij, de Heere Jesus Christus, waar Hij regeert, en neemt Zijnen intrek in de ziel van hem, die uit het geloof gerechtvaardigd is, met Zijnen groet: „Vrede zij u", en met Zijne belofte: „Vrede laat Ik u, Mijnen vrede geef lk u", — daar is de toorn gestild en daar is rust te midden van alle onrust. En waar zoo de vrede Gods in het hart regeert, daar zal men ook vrede houden met den broeder, ook met den zwakke en onverstandige, en alles vermijden en uit den weg ruimen, wat dezen vrede kan verstoren, wat twist en tweedracht kan verwekken. — Eu „blijdschap" komt er in het hart, blijdschap in den Heiligen Geest, Die de hoogste Trooster is in allen nood, Die voortdurend de naar God bedroefden inleidt in de sehatkameren onzes Gods, welke in Christus Jesus geopend zijn, in den rijkdom der genade en barmhartigheid Gods zoodat men zich verblijdt over al het goede, dat de Heere voor Zijn volk heeft gedaan en verworven, voor het heil, dat Hij ons heeft bereid; en hij, wiens hart zoo vervuld wordt met blijdschap in den Heiligen Geest, die kan niet zuur zien, en den naaste een boos of verdrietig gezicht toonen, of hem slaan en onderdrukken, — veeleer moet hij hem op zijne beurt verblijden, opdat de blijdschap volkomen zij.
W a n t die C h r i s t u s in d e z e d i n g e n d i e n t , aldus gaat de Apostel in Vers 18 voort, is G o d e w e l b e h a a g l i j k, en a a n g e n a a m den m e n s c h e n . Wij maken ons zoo gaarne wijs, dat wij God, dat wij Christus dienen; wat meent men niet te doen en te zullen doen om „den lieven Heere Jesus", en toch zoekt men daarbij slechts zichzelven, eigene eer en eigene gerechtigheid. Een iegelijk diene veeleer Christus daarin, dat hij jage naar gerechtigheid, naar vrede en blijdschap in den Heiligen Geest, bij zichzelven en bij den naaste, want daartoe is Christus gekomen, en zoo regeert Ilij in Zijn Koninkrijk. Zoo is de mensch Gode w e l b e h a a g l i j k , niet met zijn valsch begrip van vrijheid, waarbij de liefde wordt gekrenkt, — niet met zijne hooggeroemde kennis, waarbij hij den naaste veracht. God ziet in het verborgen, en weet, hoe het er in het hart uitziet. Ook is hij a a n g e n a a m den m e n s c h e n , — of beproefd; want dat wil het woord eigenlijk zeggen Al wordt ook van de zijde der wereld, van de zijde der menschen de leer Christi, het goede Woord Gods gesmaad, en al verheft zich daartegen ook allerlei haat en vervolging, — indien wij niet wandelen in geestelijken hoogmoed, in eigene wijsheid, die slechts zichzelven kent, en den zwakken broeder afstoot, maar in waarachtige zelfverloochening en hartelijke liefde, die er op uit is om te helpen, te behouden, terecht te brengen, wat dreigt om te komen, om den naaste met zijnen last te dragen, — dan zullen ook de menschen voor en na erkennen, dat wij niet maar ijdele woorden spreken, maar dat Gods werk waarheid bij ons is. En wij lezen in Spreuken, Hoofdstuk 1 6 : 7 : „Als iemands wegen den Heere behagen, zoo zal Hij ook zijne vijanden met hem bevredigen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 maart 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 maart 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken