Bekijk het origineel

Georg Izrael en de Broederuniteit in Polen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Georg Izrael en de Broederuniteit in Polen

8 minuten leestijd

HOOFDSTUK V I I I.

ROKYTA VERDEDIGT DE BELIJDENIS DER UNITEIT VOOR DEN RUSSISCHEN CZAAR.

Aan de Westersche Kerk had de Heere in Zijne genade het licht der Reformatie gezonden en haar uit de Babylonische gevangenschap uitgeleid; de Oostersche of Grieksche Kerk bleef in de geestelijke duisternis, hoewel de vrienden des Evangelies bij elke voorkomende gelegenheid er op bedacht waren, aan deze zoogenaamde orthodoxe Kerk het licht des Evangelies te brengen. Ook de Uniteit kwam eenmaal met de Russische Kerk in aanraking.
De Russische naburen deden aan het Poolsche Rijk veel schade, en hoewel zij in verscheidene veldslagen overwonnen werden, wilde koning Sigismund August toch liever door toegevendheid den Russischen Czaar voor zich trachten te winnen en op voet van vrede met hem loven, dan voortdurend met hem overhoop te liggen. Te dien einde vaardigde hjj in het jaar 1571 een gezantschap naar Moskou tot czaar Iwan Basilius af. Dit gezantschap bestond uit loden der Uniteit en der Gereformeerde Kerk, die zicli deden vergezellen van den predikant Johann Rokyta, consenior der Uniteit in Polen.
Den 3llcn Mei 1570 kwam het Poolsche gezantschap te Moskou aan. Toen dc Czaar vernomen had, dat de Poolsche afgezanten eenen Evangelischen prediker bij zich hadden, wenschte hij hem te zien en met hem over den godsdienst (e spreken. Op den vastgestelden dag werd Rokyta door Iwan Basilius in den Senaat ontboden, waar hem tien vragen voorgelegd werden, die hjj daarna, van de noodige antwoorden voorzien, weder aan den Czaar ter hand stelde.
De vragen van den Czaar en de antwoorden van Rokyta luidden als volgt:
1. Czaar: „Wie zijt gij?" — Rokyta: „Een bedienaar des Woords der Christelijke Kerk."
2. Czaar: „Wat onderwijst gij aan uwe toehoorders?" — Rokyta: „De geschriften der Profeten en der Apostelen, de Tien Geboden, het Gebed des Heeren, de Apostolische Geloofsbelijdenis en twee Sacramenten, waarin de leer der plichten van eenen iegelijk Christen vervat is."
3. Czaar : „Wat leert uwe Belijdenis van de rechtvaardig' making des menschen voor God?" — Rokyta: „De mensch heeft wegens zijne aangeborene en werkelijke zonden de eeuwige verdoemenis verdiend. Is bet geweten daarover bedroefd, dan wijzen wij zulk eene bedroefde ziel op het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt; alleen om de verdienste van dit Lam Gods wordt de zondaar door God in genade aangenomen, en niet oin de goede werken, die toch niemand voor God kunnen rechtvaardigen.''
4. Czaar: „Zoo de menseh alleen door genade zalig wordt, lioe en waarom zal Christus dan de menschen naar hunne werken oordeelen?" — Rokyta: „Het geloof is wel in het hart, maar zijne vrucht, de goede werken, openbaart zich aan do oogen; in het openbare gericht moeten openbare bewijzen zijn, en den boom moet men aan zijne vruchten kennen. Ik zie, dat de Evangelischeu bij Uwe Majesteit belasterd zijn, alsof zij de menschen alleen tot de genade Gods en het geloof zouden brengen en hen van goede werken afhouden Maar ik betuig voor God en al de engelen, dat de gerechtvaardigde en met God verzoende Christen n i e t meer zijne lusten kan dienen en de ontvangene genade in moedwil en zorgeloosheid doen verkeeren, maar hij dient God den Heere in heiligheid, rechtvaardigheid en waarheid; anders zou zijn geloof zonder de werken dood zijn. De goede werken zijn echter niet de zoodanige, welke door het menschelijk verstand cn het bijgeloof verzonnen worden, maar de hoofdsom der geboden Gods: God boven alles lief te hebben en den naaste als zichzelven; zij komen uit het geloof voort door den Heiligen Geest, en God beloont ze in dit en in het toekomende leven. De huichelaars, die onder den Christelijken naam een goddeloos leven leiden, sluiten wij van de Kerk uit, totdat zij zich bekeeren !"
5. Czaar: „Welken godsdienst belijdt gij? Misschien dien van Luther, die van den ouden Christelijken godsdienst afvallig is geworden?" — Rokyta: „Ik belijd den Heere Jesus Christus en Zijn Evangelie; als de leer van Luther daarmede overeenstemt, neem ik haar als Gods Woord aan; stemt zij daarmede niet overeen, dan veroordeel ik haar. Of de Russische godsdienst met Gods Woord overeenstemt, daarover wil ik niet twisten. De Algemeene Christelijke Kerk is niet aan ééne plaats noch aan één volk gebonden, maar is over de geheele wereld verspreid: zij bevindt zich overal, waar Gods Woord slechts zuiver verkondigd wordt. Wij zijn niet van de Kerk afgevallen, maar van den Paus, omdat de Paus van Christus en zijne Apostelen afvallig is geworden, en ook de Grieken als afvalligen verdoemt."
6. Czaar: „Wanneer gij uwe leer niet door wonderen kunt bewijzen, wie heeft dan u, Luther en anderen tot priesters geroepen?" —• Rokyta: „Christus Zelf maakt sommigen tot Apostelen, anderen tot Profeten, anderen tot evangelisten, anderen tot herders, anderen tot leeraars, en dat alles tot opbouwing der Kerk. De Christelijke Kerk heeft de macht, om hare dienaren te kiezen. Ik ben, na door de senioren grondig onderzocht te zijn, gekozen en geordend. Al wat naar simonie en handel drijven met het heilige zweemt, is bij ons onbekend ; wonderen hebben wij ook niet noodig, daar wij bij de Heilige Schrift blijven, die reeds lang door wonderen bevestigd is."
7. Czaar: „Hoe denkt gij over het Christelijk vasten?" — Rokyta: „Het geestelijke vasten, waarvan Jesaia spreekt, benevens matigheid, onthouding en in tijden van nood ook openbare vasten, voorts gebeden, aalmoezen en verootmoediging des harten, — dit alles wordt ook door ons aanbevolen; maar overeenkomstig 1 Tim. 4 : 2—5 doen wij niet mede aan het verbieden van bepaalde spijzen en aan kastijding des lichaams."
8. Czaar: „Welk soort van gebed is bij u in gebruik?"— I Rokyta: „Wij roepen den eenigen God door Zijnen Zoon Jesus Christus aan; dat men ook de heiligen zou moeten aanroepen, daaromtrent bestaat noch een bevel, noch eene belofte."
9. Czaar: „Waarom vereert gij de beeltenissen der heiligen niet?" — Rokyta: „Omdat God het in Ex. 20 : 4—5 en 1 Joh. 5 : 21 en ook elders uitdrukkelijk verboden heeft. De eerste Christenen hadden geene beelden in hunne tempels, en wij begeeren levende tempelen Gods te zijn."
10. Czaar: „Hoe denkt gij over den gehuwden staat der priesters en over het coelibaat?" — Rokyta: „Wie de gave der onthouding bezit, doet goed, wanneer hij blijft zooals Paulus; doch wie deze gave niet heeft, doet beter, wanneer hij trouwt, omdat de ontucht Gode een gruwel is. De Grieksche Kerk is er in dit opzicht beter aan toe dan de Roomsche, omdat zij haren priesters toestaat, in het huwelijk te treden. Aangaande het kloosterleven heeft noch Christus noch een zijner Apostelen iets ingesteld."
Rokyta stelde den Czaar zijne antwoorden ter hand in een fraai geschreven stuk, met de bede, dat, mocht hij in iets gefaald hebben, de Czaar hem dit niet ten kwade mocht duiden en hem niet meer voor eenen ketter houden. Iwan Basilius antwoordde met eenen brief in de Russische taal; het antwoord bestond uit 14 Hoofdstukken. In de voorrede zegt de Czaar, dat hij mot Rokyta niet wil twisten over de Geloofsartikelen, omdat men zijne paarlen niet voor de zwijnen moet werpen, en men volgens de leer van Paulus eenen ketter behoort te mijden; bovendien lieten zijne vele bezigheden het hem niet toe, eene lange gedachtenwisseling met hem te houden. Opdat echter Rokyta zich niet zou vleien, dat hij (de Czaar) zijn uitgebraakt gif goedkeurde, of dat hij de Schrift en de hoofdartikelen des geloofs niet verstond, achtte hij het om des gewetens wil noodzakelijk, hem een kort antwoord te geven: „Luther heeft de Christelijke leer verworpen en de Schrift verdraaid, en zulke lieden dreigt de Profeet Jesaia meteen „weeu!" — „Lut" beteekent in de Russische taal zooveel als „afschuwelijk", en dat is juist op Luther van toepassing. Zooals Luther was, zoo zijn ook al zijne volgelingen, en vooral de Luthersche priesters, die wij in Moskou zonen der duisternis, dienstknechten des duivels, valsche pro/eten, dieven en huurlingen noemen. Ook gij zijt er zulk een, Rokyta! een Christelijk leeraar zijt gij niet!" Daarna tracht de Czaar de Evangelische leer te wederleggen; hij verdraait enkele schriftuurplaatsen, om het Russische bijgeloof te bewijzen, en zegt ten slotte: „Gij schrijft, dat, dewijl wij u bevolen hebben te spreken, het u geoorloofd is, vrij uit en zonder vrees voor onze gestrengheid te getuigen; daar wij ons woord indachtig zijn, zeggen wij u, dat gij u niet bevreesd behoeft te maken. Desniettemin blijft gij in mijne oogen een ketter, omdat uwe geheele leer verkeerd en met de Christelijke tucht in strijd is. Ja, gij zijt niet alleen een ketter, maar ook een dienstknecht van den Antichrist, door den duivel verwekt! Doch gij zijt niet a l l e e n een Lutheraan, maar er zijn ook anderen, die erger zijn dan gij; daarom verbied ik u, deze leer in mijn Rijk te verbreiden".
Het antwoord van den Czaar was in eenen prachtband gebonden. Rokyta nam het mede naar Polen, en plaatste het in de bibliotheek van eenen Poolschen magnaat. (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 mei 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Georg Izrael en de Broederuniteit in Polen

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 mei 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken