Bekijk het origineel

Betrachting over Efeze 4; 30. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Efeze 4; 30. (Slot.)

9 minuten leestijd

Mogen allen, die verkeerd wandelen, man en vrouw, vader en kind, heer en vrouw, des Apostels vermaning ter harte nemen, en zich door Gods Wet laten overtuigen. Wie den Heiligen Geest Gods bedroeft, bedroeft zichzelven, hij heeft geene ware blijdschap; want wanneer de Geest Gods bedroefd wordt, dan bedroeft Hij ons weêr; Hij verbergt Zich, houdt de werking Zijner genade in en spreekt niet tot de ziel. Dan zou de mensch gaarne in dezen toestand blijven hangen en altijd maar zuchten: „Ach, ik ben zoo dood!" en zoo bedroeft hij dan den Heiligen Geest nog meer. Het wordt u gepredikt: Keer tot uzelven in! belijd uwe zonden, opdat gij verblijd wordt. Waar de Geest Gods bedroefd wordt, daar moet Hij ook weder bedroeven, zoodat er geene waarachtige vrucht des Geestes en der genade gevonden wordt; daar blijft men dan wel tot op zekere hoogte onder de prediking van het Woord Gods, maar ten slotte is alles alleen daarop gericht, dat men zijne begeerte verkrijgt en zijnen wil doorzet. Mochten allen het ter harte nemen, en wanneer zij door Gods Wet overtuigd worden, niet denken, dat de prediking liefdeloos is. Maar ook d e z e waarheid wil ik prediken, dat geene zonde of zwakheid God in den weg staat, om Zich onzer te ontfermen. Nog eenmaal: zóó ver reikt de hemel niet, als de genade, waarmede Hij komt; zóó veel droppels zijn er niet in de zee, zóó veel zandkorrels niet aan den oever, dat hun aantal iets zou beteekenen bij den rijkdom Zijner genade en ontferming. Daarom, indien het in uw huis niet deugt, indien uw wandel niet goed is, zoo buig u onder Gods Wet, maar bedroef den Geest niet, door uzelven uit te sluiten in verkeerden zin en te zeggen: „Ach, ik heb geene genade! ach, de Heere zal mij verstooten!" en dergelijke. Wie dood is, die spreekt verbazend veel van zijn leven, van de genade Gods, die hij heeft, die komt natuurlijk in den hemel, dat kan niet missen, zooals hij meent. Wie echter oprecht, wie uit de waarheid is, die verkeert in vreeze en benauwdheid, hij zou zich wel buiten den hemel willen sluiten, maar in de hel kan hij het toch ook niet uithouden.
Wie zijn het dan, die den Heiligen Geest Gods bedroeven? Het is niet de wereld in dien zin, waarin de Heere Jesus bad: „Ik bid niet voor de wereld". Ja, deze wereld kan den Heiligen Geest Gods ook wel bedroeven, en bedroeft Hem, als men de Kerk reformeeren wil in eigene kracht en naar zijnen eigen wil, als men haar wil voorschrijven, wat zij bidden zal; als dus de Heilige Geest niet wordt geloofd, en Hij niet vrij gelaten wordt in Zijn werken en regeeren. Dat is eene zware zonde tegen den Heiligen Geest Gods. Weêr anderen bedroeven den Heiligen Geest door te lasteren en zich te verheffen tegen de van God gestelde machten, en wenden voor, eenen bijzonderen geest en bijzondere openbaringen te hebben, en schimpen op de orde, die God in Zijne Gemeente heeft gesteld. Zulke dweepzieke geesten mogen toezien, waar zij blijven, en zullen hunne slraf dragen.— Maar wij hebben hier met andere menschen te doen. Het zijn dezulken, tot wie de Apostel Ef. 1 : 3 en 4 zegt: „Gezegend zij de God en Yader van onzen Heere Jesus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus. Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde". Dezen geldt de vermaning des Apostels; de uitverkorenen, beminden, gezegenden des Yaders, die gekocht zijn met het bloed van Jesus Christus, die bedoelt hij, die vermaant hij, om niet weder te stelen, om geene vuile taal te voeren, die vermaant hij, om niet toornig te worden, tot hen zegt hij: „Alle bitterheid, en toornigheid, en gramschap, en geroep, en lastering zij van u geweerd". Waar God komt, daar ontdekt Hij de zonde, daar zegt Hij, dat geen hoereerder, onreine of gierigaard het Koninkrijk Gods beërven zal, opdat Hij ons van al deze dingen afbrenge Er wordt echter niet gezegd: Gij zijt des duivels, •— maar: Gij zijt prinsen en prinsenzonen, voorname lieden, daarom betaamt u zulk een wandel niet; gij zult niet eten met de zwijnen, maar bekleed worden met het kleed, dat de Yader voor Zijne lieve kinderen heeft bestemd. De Heere komt telkens met vergeving, met genade, opdat de mensch zijne dwalingen, zijne afgoden wegwerpe en zegge: Mijn God en mijn Heere, hoe genadig en barmhartig zijt Gij!
En daartoe dienen dan de volgende woorden: „Door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing". Dit „verzegeld zijn" vinden wij ook Ef. 1 : 13 en 14: „In Welken ook gij zijt, nadat gij het Woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte; Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing". De Heilige Geest geeft ons de toezegging, dat wij 's Vaders kinderen zjjn, doordien Hij ons roept en verlicht, en ons verzegelt met de genade Gods en de liefde Jesu Christi. Bovendien verzegelt Hij ons, door ons in den oven der verdrukking te werpen, in den oven des lijdens, in den strijd om de goede keuze te doen. De mensch komt aan een punt, waar de weg zich in tweeën splitst en moet nu eene keus doen; doe haar zoo, dat gij den Heiligen Geest Gods niet bedroeft! Man of vrouw, gij, die de goede keuze gedaan hebt, wees nu gehoorzaam aan de geboden Gods, doe gerechtigheid, en stel al het overige in Gods handen. Dan zal de Geest Gods u verzegelen met Zijne genade, opdat gij er van verzekerd zijt, dat gij een kind Gods zijt.
Eertijds werd den knechten of slaven een teeken ingebrand, waaraan men zag, wiens knechten zij waren; voor een deel deed men dit ook met de krijgsknechten. De schapen en andere dieren, die men wilde offeren, werden met verf gemerkt, om ze aan te duiden als heilig en den goden gewijd. Op tempelgereedschappen werd een zegel of teeken gezet, ja ook op de tempels zeiven, en daarmee behoorden zij dan aan eenen bepaalden god. Ook nu nog, bij het bouwen van een huis, wordt soms op den gedenksteen de naam van den stichter of eerste-steenlegger gebeiteld. De vrouwen weten, dat het waschgoed gewoonlijk met eene letter gemerkt wordt, om het te herkennen, en zijn er trotsch op, als het van moeder of grootmoeder herkomstig is. Dikwijls ook wordt niet slechts ter onderscheiding, en opdat ieder het zijne terugkrijgt een teeken aan een voorwerp gemaakt, maar ook uit achting en liefde. Wanneer men bijv. een boek ten geschenke heeft gekregen van eenen lieven vriend of iemand anders, dan heeft men gaarne den naam er in geschreven van hem, van wien men het ontving. Ziehier ook iets uit de Openbaring van Johannes van dit teekenen of verzegelen, Hoofdstuk 3 : 12: „Die overwint, Ik zal hem maken tot eenen pilaar in den tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan, en Ik zal op hem schrijven den Naam Mijns Gods, en den naam der stad Mijns Gods, namelijk des nieuwen Jerusalems, dat uit den hemel van Mijnen God afdaalt". En weêr op eene andere wijze Hoofdstuk 13 : 17: „En dat niemand mag koopen of verkoopen, dan die dat merkteeken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams". Daar is sprake van een dier of het beeld van het dier, naar hetwelk alles toestroomt: klein en groot, rijk en arm, vrijen en dienstbaren ; wie zou daar niet meegaan ! Of aau de rechterhand, óf aan het voorhoofd moet men dit teekeu hebben. Of — óf; men moet meêdoen en daar openlijk voor uitkomen, of men mag niet koopen en verkoopen. Ook Hoofdstuk 14 \ 1 : ,,En ik zag, en ziet, het Lam stond op den berg Zion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende den Naam Zijns Vaders geschreven aan hunne voorhoofden". Daarentegen wederom Yers 9 en 10: „En een derde engel is hen gevolgd, zeggende met eene groote stem: Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteeken aan zijn voorhoofd, of aan zijne hand, die zal ook drinken uit den wijn des toorns Gods", enz.. Den Naam des Yaders aan het voorhoofd dragen, met het teeken Gods en van Jerusalem verzegeld zijn, wil zeggen: gij zijt aangenomen in den dienst Gods, gij zijt dienstknechten en dienstmaagden geworden van God den Ileere, en hebt den penning, den Godspenning ontvangen, d. i : den Heiligen Geest. Gij hebt het teeken aan uw voorhoofd, gij ontvangt de vrijheid en blijmoedigheid, om te belijden: „Hij is mijn Yader! en vervloekt zij het dier, ik aanbid het niet!" Gij hebt het teeken ontvangen, dat gij priesters zijt des levenden Gods, levende slachtoffersin Zijnen dienst, gij zijt schapen van dezen goeden Herder, gij zijt vaten in het huis Mijns Gods, gij zijt reine vaten ter eere, gij zijt tempelen des Heiligen Geestes, Die Zijn stempel op u heeft gedrukt; gij zijt het wonderwerk Zijner kunstenaarsband, gij zijt Zijn eigendom, God herkent u aan Zijn zegel. Dit nu is het zegel van het vaste fundament Gods: „De Heere .kent degenen, die Zijne zijn; en: een iegelijk, die den Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid". (2 Tim. 2:19.) God heeft als het ware liefde en achting voor hetgeen Hij Zich ten eigendom verkregen heeft, en verzegelt het met Zijnen Naam, wil het van al het andere onderscheiden. Hij rust niet, aleer Hij het door Hem gemerkte en gereinigde in den hemel heeft, — dat alles beteekent dat „verzegeld zijn"
En dezen Geest, Die u alzoo verzegelt, bedroeft Dien niet! De Heere Jesus zal ten oordeel komen, en scheiden degenen, die het zegel Gods dragen, van de duizenden, die het teeken van het beest aan voorhoofd of hand hebben ontvangen. De Heilige Geest heeft Zichzelven, heeft het beeld Gods, de genade onzes Heeren Jesus Christus en de liefde Gods in uwe harten gedrukt en ingegrift, zoodat gij in het gericht oogenblikkelijk dooiden Heere herkend wordt. Daar dit nu zoo is, en het zegel blijft tot den dag der verlosdng, zoo is het gewis, dat de verlossing komt. Dewijl gij nu dit zegel draagt, zoo neemt uw kruis op u, troost u in het lijden dezes tegenwoordigen tijds, geeft u met lichaam en ziel over aan de leiding des Heiligen Geestes, bedroeft Hem niet; want Ilij wil u blijdschap geven. 7 Juni 1857. II. F. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 juni 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Betrachting over Efeze 4; 30. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 juni 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken