Bekijk het origineel

Betrachting over Heidelbergsche Catechismus, Vraag en Antwoord 54. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Heidelbergsche Catechismus, Vraag en Antwoord 54. (Slot.)

17 minuten leestijd

Vraag: Wat gelooft gij van de heilige, algemeene, Christelijke Kerk P Antwoord: Dat de Zoon Gods uit het gansche menschelijk geslacht Zich eeoe Gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijnen Geest en Woord, in eenigheid des waren geloofs, van het begin der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven.

Wij komen nu, onze beschouwing voortzettende, terug op de l e e r van de h e i l i g e , a l g e m e e n e , C h r i s t e l ij ke K e r k en het geloof aan deze leer, en wel hoofdzakelijk op de toepassing daarvan op onszelven.
„ K e r k " of „ G e m e e n t e " is een en hetzelfde. Het woord „kerk" is een Grieksch woord en wordt gebruikt, als bijv. een koning of de raad eener stad de burgers bijeenroept, om den wil of de wet van den raad te liooren, opdat niemand daaromtrent onwetend zij. Als nu zoo de burgerschap samenkwam, noemde men dat: Kerk of samenroeping. Later bezigde men dit woord voor de samenroeping des Heeren Jesus, en zoo noemde men die dan „Kerk", — xvomxij, dus wat des Heeren is, en later gebruikte men dit woord ook voor het huis, waar men bijeenkwam, en voor de bijeenkomst zelve.
Ik moet het herhalen, dat deze Kerk h e i l i g is, omdat zij uit de gansche menschenmassa samengeroepen en van de wereld afgezonderd is. Zij is dus heilig tot heilig gebruik des Heeren, — heilig dus, omdat Hij haar heiligt, gelijk de Heero Jesus tot Zijne discipelen zeide: Gij zijt rein om het Woord, dat Ik tot u gesproken heb. — Deze Kerk of Gemeente — Gemeente heet zij doorgaans in do Heilige Schrift — heeft altijd bestaan, van het paradijs af; zij heeft nooit opgehouden te bestaan, en zal nooit ophouden, tot aan den dag des gerichts. Zij heet C h r i s t e l i j k wegens hare belijdenis, en omdat zij gebouwd is op den eenigen grond, die gelegd is, op de Kots Christus. Verder heet de Kerk a l g e m e e n of ook „katholiek". Het is zeer verkeerd, de valsche Kerk katholiek te noemen. Zij is dat niet. Katholiek wil zeggen: algemeen. Het geloof, dat wij belijden, dat ons gepredikt wordt, wordt in de geheele wereld beleden. Daar is de eenigheid des waren geloofs. Om u dat duidelijk te maken, wijs ik u er op, dat aan hetzelfde, wat u gepredikt wordt, zich de zwarte broeders in Amerika en velen in Azië verkwikken, en de Boheemsche Kerk jubelt er thans over, dat zij nu ook deze prediking heeft in hare taal, zoodat, terwijl gij verzuimt er voor te zorgen, dat uwe kinderen eenmaal de gedrukte preeken hebben en krijgen, en gij ze laat liggen, de arme Bohemers hun laatste geld uitgeven, om deze prediking te hebben. Van de Noordpool tot de Zuidpool, overal vinden wij menschen van hetzelfde geloof. Zoo is de Kerk algemeen, en zal zij algemeen blijven. De Heere Jesus heeft in de geheele wereld Zijn volk. Dit volk behoeft ons niet bekend te zijn. Zoo menigeen gaat eenzaam en verlaten zijnen weg, en denkt de eenige ziel te zijn in zijne plaats, totdat de Heero Jesus doet zien, dat Hij in diezelfde plaats nog meer heeft die Zijn eigendom zijn. De Heere Jesus heeft overal de Zijnen. Zoo is dus de Kerk algemeen, dat is naar het Grieksch: katholiek.
De Kerk is waar, of valsch. Waar is zij, als zij des Heeren is, — valsch, als de Heere haar niet kent. De Kerk is zichtbaar, of onzichtbaar; zichtbaar als vergadering voor de oogen der menschen, waar openlijk des Heeren Woord gepredikt, en Doop en Avondmaal naar Zijne instelling bediend wordt; onzichtbaar, wat betreft den verborgen mensch des harten. De Kerk is eene strijdende, voor zoover zij strijdt tegen duivel en wereld, tegen vleesch en bloed; zij is eene triumfeerende Kerk, voor zoover zij hierbeneden nooit ten onder gaat, al heette het ook dikwijls, dat de Naam van Christus uitgedelgd was; zij komt altijd weder op, en ook in hare leden in het bijzonder is een voortdurende strijd; maar terwijl steeds de toevlucht wordt genomen tot de genade, is er nochtans overwinning op overwinning bij schijnbare nederlaag. En verder is zij eene triumfeerende Kerk, als zij eenmaal uit dezen tabernakel veri lost, en in het Jerusalem daarboven overgezet is, waar zij de eeuwige overwinning des Heeren Jesus Christus viert en God dankt, dat Hij haar de overwinning heeft geschonken door Christus.
De kenmerken der ware Gemeente zijn: de ware levende prediking van het Woord Gods, waarbij de mensch op het diepst vernederd, en de genade op het hoogst verhoogd wordt; voorst worden in de ware Gemeente de Sacramenten naar de instelling van Christus met een blijmoedig en dankbaar geloof bediend; en eindelijk wordt in deze Gemeente eene ernstige, verstandige, rechtvaardige, liefdevolle tucht gehandhaafd. Verder is een kenmerk der ware Kerk, dat zij niet heerscht, maar Christus laat regeeren als het waarachtige Hoofd. Het kenmerk der valsche kerk daarentegen is, dat zij regeeren wil over het Woord en de Sacramenten, het gebed en de gewetens. Het onderscheid tusschen de Kerk des Heeren en de wereldlijke regeering is, dat de Kerk zich in alle dingen, die niet tegen Gods Woord zijn, aan de wereldlijke regeering onderwerpt met eene gehoorzaamheid en eene trouw, die de wereld niet kent. Doch de Gemeente des Heeren heeft maar éénen Wetgever en maar ééne Wet, waarnaar zij zich richt; zij maakt geene nieuwe wetten, zij heerscht niet over de mensehen, wat het dagelijksche leven betreft, maar in die dingen zal regeeren de koning, de burgemeester en de andere overheden, en moet wet en gebod, waardoor de uiterlijke tucht gehandhaafd wordt, in eere gehouden worden. Wat dus het lichaam en liet aardsche goed betreft, daarmee heeft de Gemeente niets te maken, maar het gaat haar om het leven der ziel, dat daarvoor gezorgd worde, en wat dan het lichaam betreft, daarvoor zorgt de ongeveinsde broederlijke liefde, doeh niet door gebod, wet, dwang en dergelijke. Zoo min nu degenen, die bij den zondvloed niet in de ark kwamen, behouden werden, zoo min worden diegenen behouden, die niet komen tot de Gemeente des Heeren Jesus Christus, zoodat wij met recht zeggen: Buiten de Gemeente des Heeren Jesus Christus, waar liet zuivere Woord gepredikt wordt, voor de bediening der Sacramenten zorg wordt gedragen en de tucht gehandhaafd wordt, is er geene zaligheid, -— gij moogt daarvan droomen, wat gij wilt.
Nu komen wij echter op de toepassing dezer leer. De toepassing van deze leer en van hetgeen wij daarvan gelooven is vervat in de laatste woorden van het Antwoord op de 54stc Vraag van onzen Catechismus. Nadat de leerling beleden heeft te gelooven, dat de Zone Gods Zich uit het gansche menschelijk geslacht eene Gemeente, ten eeuwigen leven uitverkoren, door Zijnen Geest en Zjjn Woord in eenigheid des waren geloofs van het begin der wereld tot het einde vergadert, en dat Hij, de Zoon Gods, haar ook beschermt en onderhoudt, — volgt nu verder de belijdenis van d i t geloof: „dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven". Het gaat dus om het persoonlijk geloof. Nu zegt de Catechismus, en wij hebben dat wel ter harte te nemen: i k geloof dit, — hij zegt niet, wat anderen van mij gelooven, en hij spreekt ook niet van hetgeen ik gevoel of bevind, maar hij zegt: ik g e l o o f ; en dan volgt er ten eerste een zijn, ten tweede een blijven. Een zijn: dat ik een levend lidmaat ben; een blijven: dat ik dat eeuwig zal blijven.
Laat ons met betrekking tot dit: „Ik ben een levend lidmaat der Gemeente", opslaan, wat de Apostel Paulus in zijnen Brief aan de Galaten schrijft, Hoofdstuk 2: 19—21. Daar zullen wij vinden het verschil tusschen leven en dood. De Catechismus zegt niet enkel, dat ik een lid der Gemeente ben. Een lid der Gemeente van Christus wordt men door de belofte, die de Heere aan Abraham en aan alle geloovigen gaf: „Ik zal uw God zijn en uws zaads God en de God van het zaad uws zaads na u"; door het eeuwig Verbond dus, niet door de geboorte op zichzelve, maar door het Verbond, dat God met de geloovigen maakt; niet alsof de genade een erfgoed ware, neen, de genade komt van het Hoofd. Christus, op Zijne leden. Men wordt geen lid der Kerk door den Doop, maar door den Doop wordt men van de Heidenen onderscheiden; ook niet door de belijdenis wordt men een lid der Gemeente; want wij belijden, dat de kinderen der geloovigen in de Gemeente z i j n, en bijgevolg gerechtigd, om gedoopt te worden, en als zoodanig leggen zij dan ook hunne belijdenis af, na in de goede leer onderwezen te zijn. Daar is het dan alleen God, den Alwetende, bekend, wie dat nu zijn, die Hij met kracht tot het eeuwige leven roept. Wij hebben hier ten aanzien van het uiterlijke wel te letten op wat wij lezen: een zaaier ging uit, om te zaaien, hij zaaide op vierderlei akker, maar slechts van een kwam er dertig-, zestig- en honderdvoudige vrucht. Iemand kan in de Gemeente zijn als een huichelaar en zichzelven toeëigenen, wat hem niet gegeven is, en wat hij zelf niet gelooft. Men kan in de Gemeente ook een lid zijn, doch een lid, dat dood is Nu gaat het er echter om, dat ik weet, dat ik een levend lid der Gemeente ben. Om dat te weten en te gelooven, moet er iets met u gebeurd zijn, er moet bij u plaats gevonden hebben, wat wij noemen : verandering des harten, bekeering, wedergeboorte Daarvan schrijft de Apostel Paulus op de straks genoemde plaats, Vers 19: „Ik ben door de wet der wet gestorven"; daar hebt gij een levend lid. Wat opgevoed wordt in de zichtbare Kerk, in de Gemeente des Heeren, dat wordt alzoo opgevoed, dat hem de heiligheid en rechtvaardigheid Gods wordt voorgehouden, en de allerheiligste eischen der wet. Het eerste, wat iemand, die begint te leven, dan doet, is, dat het hem ern9t wordt, Gods gebod te houden, daarnaar te doen, niet te zondigen, totdat de ziel tot de overtuiging komt, dat zij al zondiger wordt en met de wet niet meer voort kan Nu werkt zij zich dood bij de heilige wet, die zij eerbiedigt. Zij .doodt de wet niet, maar zij sterft bij de wet. Alle kracht verliest zij, zij kan niet meer leven, zij werkt zich den dood, zij overwerkt zich in de veelheid harer wegen Zoo sterft zij dan, ten einde nu Gode te leven, wat zij te voren in het vleesch en in de eigengerechtigheid leefde Zoo komt zij dan met Christus aan het kruis, zoodat zij eene jammerlijke gestalte wordt, evenals Christus aan het kruis eene jammerlijke gestalte is. Bij een levend lid der Gemeente heeft het eigene leven opgehouden. Een levend lid heeft zijn eigen leven weggeworpen, want het is zondig; het kent geen ander leven dan het leven Christi. Christus met Zijn bloed, Zijne gerechtigheid en heiligheid, Zijne genade en ontferming en met Zijnen Geest leeft in hem, zoodat het van nu aan steeds zijne toevlucht neemt tot den Levensvorst, tot den Boom des levens, dat is: tot Christus Wat dus een levend lid der Gemeente Christi hier in het vleesch leeft, dat leeft het zoo, dat het eens voor al gelooft in Christus, zooals Paulus hier zegt: „Hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mjj liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft", d. w. z. ik weet niets •dan dit eene: Jesus heeft mij liefgehad en mij gekocht met Zijn bloed, ja Zich voor mij overgegeven. Zulk een levend lidmaat drijft dua op genade, en altijd weder op genade, zooals de Apostel zegt: „Ik doe de genade Gods niet te niet: want indien de rechtvaardigheid door de wet is", — als ik door mijn doen, door het volbrengen der wet rechtvaardig en zalig moet worden, — „zoo is dan Christus tevergeefs gestorven". Wat door zijn doen zalig wil worden, verwerpt de genade, maar wat zonder genade, genadeloos is, ziet af van alle gerechtigheid en heiligheid der werken, en weet van niets anders dan dit: Christus is voor de zonde gestorven; daaraan houd ik mij, en ik weet van niets anders dan van genade. Zoo is de ziel een levend lid der Gemeente geworden. Christus, de Zone Gods, heeft Zijne boden gezonden; dezen hebben de boodschap van Christus gebracht, en de ziel is gekomen; — God weet uit welken hoek, uit wat slijk, uit welken kuil, dat weet de ziel en niemand buiten haar; en toen heeft de ziel het eerst niet zoo maar kunnen aannemen, dat het bloed des Lams het alleen doet, maar zij wilde voor het Lam arbeiden, en noemde dat dankbaarheid, doch er kwam niets van terecht, zij moest het opgeven, en zoo heeft zij dan ten laatste gezegd: „Uw bloed, dierbaar Lam, is het alleen!" en de Geest der genade neemt intrek in de ziel, zoodat zjj uitroept: „O, wat hoor ik: g e n a d e , g e n a d e ! " en de Heere kwam in het hart, dat Hij eerst verbrijzeld had, met de belofte: „Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne genade zal van u niet wijken, en het Verbond Mijns vredes zal niet wankelen in eeuwigheid" (zie Jes. 54 : 10), en de ziel, aangeblazen door den Geest, werd geworpen op deze belofte, om haar te omhelzen, en zoo leeft dit levend lid van nu aan van de beloften, die God de Heere heeft gegeven, en die alle waar zijn in Christus Jesus.
Ik zeg dit, omdat velen voor dit Antwoord staan, en wel den moed hebben, om deze leer te belijden, maar niet den moed, om te zeggen: Ik geloof, dat ik daarvan een levend lidmaat ben. Om te weten, of gij een levend lidmaat dei- Gemeente zijt, hebt gij uzelven te onderzoeken, of gij uwen grooten dood gevoelt, of gij den doorn voelt in uw vleesch, of gij u niet aanklaagt vanwege uwen grooten dood, of het u niet benauwd en bang om het liart is, en dus dit in uwe ziel ligt:
Gij zijt, o Jesus! t'allen tijd
Alleen mijn hoop op aarde; Ik weet,
dat Gij mijn Heiland zijt,
Geen and're Irooat heeft waarde.
Een levend lid heeft dus al het leven in en door het Hoofd, en van het Hoofd uit gaat het in de leden, die allen te gronde zouden gaan, als niet het Hoofd door Zijn bloed het leven onderhield. Wilt gij weten, of gij een levend lid der Gemeente zijt, zoo houd in gedachtenis het woordje „ik geloof", en roep: „Ik geloof, kom mijne ongeloovigheid te hulp!" Zie op Jesus en niet op uzelven, klaag Hem uwen grooten dood; kom tot dezen Koning, als het u bange is, en zucht tot Hem: Ach, wilt Gij U over mij ontfermen? in mij is niets! ik kan niets brengen, ik kan niets zijn! wilt Gij mij genadig zijn, dan zal ik Uwe genade niet verwerpen, maar leven en sterven op vrije genade.
En nu nog het tweede: zulk een levend lid zal ik eeuwig b l i j v e n . Deze troost ligt in de krachtige roeping, waarmee God de ziel roept. De ziel weet: dat heeft God gedaan; dat heeft de eeuwige God gedaan, daarom is het dan ook een eeuwig leven. De blijdschap over de vergeving der zonden, als zij in het hart ontstaat, is eene blijdschap — wie haar kent, weet, dat zij is van eeuwigheid tot eeuwigheid Dan gaan wij voorts naar Golgotha en zien daar eene eeuwiggeldende betaling, wij zien Christus opgestaan en zien eene eeuwige overwinning over dood en duivel, hel en wereld. Wij komen aan het Pinksterfeest en leeren : deze Geest, Die alzoo troost, blijft bij mij in eeuwigheid, gelijk de Heere Jesus gezegd heeft. Om te weten : ik sterf niet, ik zal eeuwig leven, gaat men niet de cel van zijn eigen hart binnen, maar men gaat tot Gods Woord. Dikwijls verlangt iemand in zijne benauwdheid naar troost; dan moet het Woord Gods het leven onderhouden. Dikwijls wordt er geweend: „Troost mijne ziel nog éénmaal, dan zal ik nooit weer twijfelen! doe mjj nog éénmaal zien, dat Gij mijn Jesus zijt, en ik zal niet meer tegen U zondigen". De Heere Jesus komt altijd tot de oprechten, die zichzelven aanklagen en veroordeelen, met Zijnen troost, dien men vindt in Zijn Woord. En hoe gaarne hooren wij dan, wat Paulus schrijft Rom. 8 : 28 vv.: „Wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen" — let wel alle dingen, ook de dwaasheden, die gij hebt begaan, ook de zonden, waarmee gij u zoo schrikkelijk hebt bezondigd, ook de nood, de strijd, het lijden in alles, wat dit leven betreft, — wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen „medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn", naar dit voornemen namelijk: Het zal alles genade zijn, en wat de genade niet van harte wil aannemen, dat kan Ik niet gebruiken, niet zalig maken! „Want die Hij te voren gekend heeft". — naar dit voornemen — die heeft Hij ook verordineerd den heelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn", — in Zijn lijden en in Zijne heerlijkheid, — opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen", — dus hun Hoofd. „En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft" — ja, wat heeft Hij gedaan? — dezen heeft „Hij ook geroepen ; en die Hij geroepen heeft", — wat heeft hij dezen gedaan? — „dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Die ook Zijnen eigen Zoon niet heeft gespaard, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?" En verder Vers 38: „Ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel" — het zij, wat het wil, — „ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jesus, onzen Heere." En wederom zegt de Heere: „Gij nu o Mijne schapen, schapen Mijner weide! gij zijt menschen; maar Ik ben God!" (Eiech. 3 4 : 3 1 ) En Joh. 1 0 : 2 7 — 29 lezen wij: „Mijne schapen hooren Mijne stem, en Ik ken dezelve en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijne hand rukken. Mijn Vader, Die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders." 15 Januari 1871.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 december 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Betrachting over Heidelbergsche Catechismus, Vraag en Antwoord 54. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 december 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken