Bekijk het origineel

Verklaring van Ezechiël 13,

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Ezechiël 13,

13 minuten leestijd

E n d e s H e e r e n w o o r d g e s c h i e d d e t o t m i j , z e g - g e n d e : M e n s c h e n k i n d , p r o f e t e e r t e g e n de p r o f e - t e n I s r a ë l s , d i e p r o f e t e e r e n , en z e g t o t d e g e n e n, d i e u i t h u n h a r t p r o f e t e e r e n : H o o r t d e s H e e r en w o o r d . (Yers. 1 en 2.)
Ezeohiël wordt thans geroepen het Woord des Heeren te richten tot de valsche profeten en valsche profetessen, die zich zoowel in Chaldea onder de gevankelijk weggevoerden als in Judea onder het volk bevonden. In de allereerste plaats is zijn getuigenis tegen de valsche profeten. (Vers 1 —16.) Zij worden geroepen te hooren het Woord des Heeren en acht te geven op het oordeel, dat over hen zal komen, zoo gewis als het komen zal over het volk, dat zich door hunne valsche profetie heeft laten verleiden.
Dat er valsche profeten waren, is ons uit de Heilige Schrift genoegzaam bekend. Zij waren er te allen tijde, zoo in den tijd van den Profeet Micha onder koning Achab, als in den tijd van Jeremia en Ezechiël onder koning Zedekia. Dat is de list des Satans. Zendt God Profeten met Zijn Woord onder het volk, de Satan zendt ook de zijnen, om het Woord Gods, indien mogelijk, leugenachtig, onaannemelijk te maken bij het volk. Doet Elia, de Profeet des Heeren, eenen haren mantel aan, de valsche profeten, dienstknechten des Satans, doen het desgelijks, doch — om te liegen en te bedriegen. Jeremia noemt hen daarom, in Hoofdstuk 27, sprekende tot het volk, niet 's Heeren Profeten, maar u w e profeten, u w e waarzeggers, u w e droomers, u w e guichelaars en u w e toovenaars, als menschen, welke hunne instructie niet van God, maar van de menschen, of liever van hunnen ijdelen geest hebben, en die het volk met bijzondere liefde aanhing en gaarne hoorde en raadpleegde.
Twee hunner zijn ons uit het schrijven van Jeremia aan de gevankelijk weggevoerden (Hoofdst. 29) met name bekend: Achab, de zoon van Kolaja, en Zedekia, de zoon van Maaseja ; ook kennen wij als Jeremia's tegenstander Hananja, den zoon van Azur.
Waren er nu destijds onder het volk des Heeren valsche profeten, later zijn er in de Gemeenten opgestaan valsche apostelen en valsche leeraren, en er zijn er nog in haar midden; allen, die oogen hebben om te zien en harten om op te merken, behoeven naar hen niet lang te zoeken. De eersten teekent ons de Apostel Paulus als bedrieglijke arbeiders en dienaars des Satans, 2 Cor. 11; van de anderen schrijft P e t r u s in zijnen 2J e n Brief, Hoofdstuk 2, dat het menschen zijn, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren, den Heere, Die hen gekocht heeft, verloochenende.
De Heere God noemt de valsche profeten hier in dit Vers: zulken, „die uit hun hart profeteeren" (Hebr. die uit hun hart zijn). Veroordeelend getuigenis, want van het hart des menschen lezen wij, dat het arglistig is, meer dan eenig ding, j a doodelijk, dat niemand het kan doorgronden, en dat er alles uit voortkomt, behalve hetgeen goed en Gode welbehaaglijk is. Dat hart is hoog en stout, het matigt zich alles aan, zelfs eene plaats onder de Profeten, en profeteert naar eigen lust en ingeving; immers, God heeft hen niet gezonden, en Zijn Heilige Geest woont niet in hen, schoon zij zichzelven en het volk diets maken, dat het Gods Woord is, hetgeen zij verkondigen. Zoo bedriegt het ijdele booze hart zichzelven en het volk, dat naar zijne woorden hoort en ze als woorden Gods aanneemt. Eveneens gaat het met leeraars, die uit hoogheid des harten zich in de bediening des Woords hebben ingedrongen en nu aan het volk een evangelie verkondigen naar de meening huns harten : zij bedriegen zichzelven en degenen, die hen hooren, maar hun einde is een schrikkelijk wee, want zoo z e g t de H e e re H e e r e : W e e o v e r d i e d w a z e p r o f e t e n , d i e h u n n en g e e s t n a w a n d e l e n en h e t g e e n zij n i e t g e z i en h e b b e n ! (Vers 3.)
Gelijk de Heere Jesus eenmaal het „wee!" uitsprak over Israëls valsche leeraren, zeggende: „Wee u, gij Schriftgeleerden en Parizeen, gij geveinsden", zoo moet Ezechiël hier uit 'a Heeren Naam den valsehen profeten het „wee u" aanzeggen, opdat zij zullen weten, dat zjj bij Israëls God in hunne ware gedaante bekend zijn, en dat hun bedrieglijk woord voor Hem niet verborgen is, zoodat Zijn heilige toorn over hen is ontbrand en eenmaal in vollen gioed over hen zal losbreken. Dwaas noemt Hij hen, die profeten, die uit hun hart profeteeren, omdat zij hunnen geest nawandelen en hetgeen zij niet gezien hebben. Hun geest is de Geest Gods niet, hunne gezichten zijn niet de gezichten des Allerhoogsten. Al hun profeteeren is naar eigen goeddunken, eigen oordeel, eigen drijving. Van het recht Gods weten zij niets en verstaan zij niets, daarom kunnen zij aan Zijne toekomstige oordeelen niet gelooven, maar staan in hunnen waan van geloof stoutelijk op de belofte Gods, die Hij aan Zijn volk Israël heeft gedaan, en bestrijden daarmede Israëls God en Zjjne trouwe gezanten. De Heere God moest dienaangaande Zijnen knecht Jeremia troosten, gelijk wij lezen: „En de Heere zeide tot mij: Die profeten profeteeren valsch in Mijnen Naam. Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken: zij profeteeren ulieden een valsch gezicht en waarzegging en nietigheid en bedriegerij huns harten". (Hoofdst. 14.) Dwaas waren die profeten, maar dwaas zijn ook al diegenen ,in de Kerke Christi, die den volke een evangelie verkondigen naar hunnen geest en naar hunne meening, een evangelie, waaraan zij zichzelven te goed doen, en waarmede zij ook hunne hoorders paaien, doch waarmede zij God en Zijne ware dienstknechten bestrijden. Dwaas is ook het volk, dat zulke valsche profeten en valsche leeraren aanhangt en weigert te liooren naar het geluid van de bazuin des Evangelies van Jesus Christus; het wee des Heeren over dezulken zal ook niet uitblijven, — hun einde zal zijn naar hunne werken. Yerder zegt God van de profeten IsraëlB:
Yers 4. Uwe p r o f e t e n , o I s r a ë l , z i j n als vossen i n de woeste p l a a t s e n.
Vossen zijn listige en vraatzuchtige roofdieren; bij gevaar verschuilen zij zich in hunne holen, waarin zij het geroofde verzamelen, om zich daaraan met hunne jongen te goed te kunnen doen. Deze mannen profeteerden dus om des voordeels wil, en op deze wijze beroofden zij het volk. Het wordt genoemd profeteeren om een kleed, om eene bolle broods en om een stuk geld. Wat den dienstknechten toekwam, was bij hen geen dienstknechtenloon, maar slechts geroofd goed, en aan dat geroofde vergastten zij zich met de hunnen. Daar kwam echter nog bij, dat zij door dit hun profeteeren het laatste vonkje geloof aan Gods Woord, dat nog bij het volk mocht gloren, hun als vet aan het hart ontstalen; dit was zeker wel het allergruwelijkste, naardien zulks als in den Naain des Heeren Heeren geschiedde. Zij dienden dus hunnen buik en maakten van het volk een koopmanschap, gelijk dat ook later geschiedde door de valsche apostelen en de valsche leeraren, waarvoor ons de Apostelen des Heeren waarschuwen, (zoo Paulus in zijnen 2("!,1 Brief aan de Corinthiërs, Hoofdstuk 11, en Petrus in zijnen 2dc" Zendbrief aan de verstrooide vreemdelingen, Hoofdstuk 2), en waaraan ook de valsche broederen n et vrjeir.d zijn, van wie wij lezen, dat zij zich verwonderen v ver de personen om des voordeels wil.
Vers 5. G i j , — gij valsche profeten! — z i j t i n de b r e s s en n i e t o p g e t r e d e n , noch h e b t den muur t o e g e m u u rd voor het huis I s r a ë l s , om in den s t r i j d te s t a an t e n dage des H e e r e n.
Neen, in de bressen waren zij niet opgetreden. Zij hadden zich niet gedragen als kloeke soldaten in eene belegerde stad, die met edele doodsverachting, tot behoud harer burgers, in de bressen staan, opdat de vijand daardoor geenen toegang zou vinden; zij hadden ook niet, als dezen, met gevaar van hun leven de in den muur geschoten bressen zoeken aan te vullen; neen, dan hadden zij geene buikdienaars, geene looze vossen, geene liefhebbers van zichzelven moeten zijn, dan hadden zij met verloochening van zichzelven, van eigen roem en lof en voordeel, zich moeten gedragen als ware Profeten, dan hadden zij moeten wandelen in de liefde Gods en des naasten, het oordeel des Heeren moeten zien, gevoelen en erkennen, ook den volke de rechtvaardige gerichten en straffen Gods moeten aanzeggen ; dan had ook het gebed met de ware schuldbelijdenis, als: „O Heere, behoud Uw volk! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het, vertrek het niet, om Uwszelfs wil, o mijn God!" bij hen aanwezig moeten zijn, gelijk als bij Daniël den Profeet; ook had de heilige ijver voor het huis des Heeren hen moeten bezielen, al hadden zij ook, als een Pinehas of als een Elia, tegen de ongerechtigheid huns volks moeten getuigen. Maar valsche profeten zijn nu eenmaaï valsche profeten en geene ware; zij dragen hun eigenaardig kenmerk: bij het komen van de oordeelen Gods over het volk, hetwelk zij verleiden, verbergen zij zich en kruipen als de vossen in hunne holen; zij zoeken in den dag des Heeren, den dag van Zijne bezoeking, slechts zichzelven te behouden en bekommeren zich niet om de schapen, gelijk de Heere Jesus, de Held, Die voor al Zijn volk in de bres gestaan en hunnen muur toegemuurd heeft, van den huurling zegt: „De huurling vliedt, overmits hij een huurling is en heeft geene zorg voor de schapen". (Joh 10 : 13.) Daarom zegt de Heere verder van hen:
Vers 6. Zij zien ij d e l h e i d en l e u g e n a c h t i ge voorz-egging, die daar z e g g e n : De Heere heeft g e s p r o k e n ! daar de H e e r e hen niet g e z o n d en h e e f t ; en zij geven h o p e van het woord te zull e n b e v e s t i g e n. De Heere gaat voort met hen te ontmaskeren, opdat degenen, die naar het ware Woord Gods vragen, met gerustheid des harten hunne profetie mogen verwerpen. Deze profeten zien niets dan „ijdelheid", zegt de Heere, dus iets, dat geen wezen heeft; het is eene uiteenspattende zeepbel, het zijn luchtverhevelingen, die in den dampkring verschieten; hun woord is leugen en bedrog, al zeggen zij ook:
„De Heere heeft gesproken", al geven zij ook hoop, het woord te zullen bevestigen, want de Heere heeft hen niet gezonden.
Zulke valsche profeten waren er vele in Israël en ook in Juda. Onder Achab stonden er vierhonderd tegenover den Profeet Micha. Zij allen profeteerden van overwinning, en hielden hun gezicht staande tot schamens toe. Een hunner, Zedekia, de zoon van Kenaüna, had zich zelfs ijzeren hoornen gemaakt en gezegd: „Zoo zegt de Heere: Met deze zult gij de Syriërs stooten, totdat gij hen gausch verdaan zult hebben", en zoo spraken zij allen. En toch, hoe spoedig bleek het, dat hun gezicht niets anders was dan louter ijdelheid en leugen! En ten tijde van Jeremia en Ezechiël was er, (zooals wij hierboven reeds opmerkten), een Achab, zoon van Kolaja, en een Zedekia, zoon van Maaseja, welke hunne ijdelheid en leugenachtige profetieën tegenover de beide van God gezonden Profeten zochten staande te houden. Zelfs een Hananja, zoon van Azur, verstoutte zich het juk van den hals van den Profeet Jeremia af te nemen en te verbreken, zeggende: „Zoo spreekt de Heere der heirscharen, de God Israëls: Ik heb het juk des konings van Babel verbroken. In nog geen twee volle jaren zal Ik tot deze plaats wederbrengen al de vaten van het huis des Heeren, die Nebukadnezar, de koning van Babel, van deze plaats heeft weggenomen", enz., — doch het bleek wel, dat ook hunne woorden slechts ijdelheid en bedriegerij waren, want van hunne profetie kwam niets.
Tegen deze ijdelheidsprekers moesten de van God gezonden Profeten getuigen, en zij deden het ook door het geloof aan 's Ileeren woord, dat tot hen geschiedde, en het volk, dat hen aanhing in het geloof, dat 's Heeren Woord bij hen was, werd het hart gesterkt, om zich te buigen onder Zijne oordeelen en de verlossing des Heeren op Zijnen tijd te verwachten; en het was noodig, dat daartoe der Profeten getuigenis tot hen kwam, want zwaarder is er niets voor een menschenkind, dan Gods oordeel Gods oordeel te laten en zich daaronder neder te leggen, geloovende, dat God de roede zal opheffen, wanneer Zijn Naam door de bezoeking zal verheerlijkt zijn.
Dat is ook het werk geweest der valsche apostelen en was steeds en is nog het werk der valsche leeraren, waarvoor de Apostelen des Heeren ons hebben gewaarschuwd, zeggende, dat zij in de Gemeente zouden opstaan e» door hun ijdel woord de zielen zouden zoeken te verleiden. Paulus zegt van hen, dat zij, bedrieglijke arbeiders als zij zijn, zich veranderen in Apostelen Christi, en Petrus noemt hen opgeblazen ijdelheidsprekers en verleiders van zinnen, die vrijheid verkondigen, daar zij zeiven dienstknechten zijn der verdorvenheid. Yoor dezulken heeft de Gemeente zich steeds te wachten, opdat hunne ijdele woorden geenen ingang bij haar vinden, en zij alzoo verleid worde door een evangelie, dat geen Evangelie is. (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 december 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van Ezechiël 13,

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 december 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken