Bekijk het origineel

Verklaring van Ezechiël 13. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Ezechiël 13. (Slot.)

16 minuten leestijd

Waren er yalsche profeten onder Israël, er waren ookonder hen valsche profetessen; vrouwen, die, geheel in overeenstemmingmet hen, het zoet gefluit van den vogelaar lietenhooren en daardoor hare medegenooten in hunne leugen stijfdenen, het hart des volks innemende, het van de waarheid aftrokken.Ook tegen dezen moet Ezechiël profeteeren en wel op Goddelijkenlast.
Vers 17. E n g i j , m e n s c h e n k i n d! Zoo spreekt de HeereGod Zijnen knecht wederom aan; hij blijft bij Hem wat hijis; hij ontvangt 's Heeren openbaringen, Zijn Woord woontrijkelijk in hem, en het is een kostelijke schat, doch h i j blijfthet oude aarden vat, gelijk de Apostel Paulus van zichzelven envan al zijne medebroederen in de bediening des Woords getuigt:Wij dragen dezen schat slechts in aarden vaten, opdat de uitnemendheidder kracht zij Godes en niet uit ons. Is Ezechiëlin Gods oog niet meer dan een menschenkind, hij is het ook ineigen oog, en dat bewaart voor geestelijken hoogmoed, die voorzekerbij de valsche profeten en profetessen ruimschoots werd gevonden,omdat dezen naar vleesch en niet naar Geest wandelden.
En gij, menschenkiud, z e t uw a a n g e z i c h t t e g e n ded o c h t e r e n uws v o l k s , d e w e l k e p r o f e t e e r e n uith a a r h a r t , en p r o f e t e e r t e g e n h a a r.
Ofschoon de Apostel op eene zekere plaats zegt, dat het denvrouwen in de Gemeente niet geoorloofd is te leeren en overdeu man te heerschen, zoo weten wij toch, dat het Gode inde vrijmacht en den rijkdom Zijner genade meer dan eensbehaagd heeft, in deze zwakke vaten, de vrouwen, zoodanig demacht van Zijn Woord te openbaren, dat zij wel spreken moesten,zouden zij voor zichzelven lucht krijgen. Zoo profeteerden eeneElisabeth en eene Maria en eene Hanna, evenzeer als eenZacharias en een Simeon, en de dochteren van den EvangelistFilippus deden desgelijks. (Luk. 1 en 2; Hand. 21.) Ook zijner onder Israël zulke vrouwen te allen tijde geweest. Denkenwij slechts aan Mirjam, Mozes' zuster, die eene profetes genoemdwordt (Exod. 15 : 20), aan Debora (Richt. 4 : 4) en de profetesseHulda ten tijde van koning Hiskia (2 Kon. 22 : 14.) Hetkon dus Ezechiël niet bevreemden, als er ook in zijnen tijdprofeteerende vrouwen waren, die God met Zijnen Geest vervulde;doch of zij het werkelijk waren, of het zich aanmatigden tezijn, daarin ligt het verschil. Deze vrouwen waren het niet;zij mochten zijn dochteren zijn volks, kinderen van het huisIsraëls, maar het waren geene profetessen, bij wie een woorduit Gods harte was; zij waren slechts valsche ijdelheidspreekstersen waarzegsters, evenals hare broederen, de valsche profeten,wijl zij slechts profeteerden uit haar eigen hart: hare profetieen waarzegging was ijdelheid en leugen. Dat God over Israëlvertoornd was om hunner zonden wil, leerden zij niet, maarzij stijfden het volk in hunne zonden en hunne onboetvaardigheid,door hun genade en verlossing en zegen toe te zeggen, alhoewelzij in hunne zonde van afgoderij en afval van den levendenGod onafgebroken voortgingen. Tegen haar nu moest Ezechiëlzijn aangezicht zetten. Hij, de knecht des Heeren, wordt metdit woord herinnerd aan hetgeen de Heere tot hem gesprokenhad bij zijne roeping: „Ziet, Ik heb uw aangezicht stijf gemaakttegen hunne aangezichten, — vrees hen niet en ontzet u niet voorhunne aangezichten, omdat zij een wederspannig huis zijn"(Ezech. 3 : 8 en 9); zoo zal hij ook zonder toegevenheid zichtegen haar stellen, hij mag voor haar geenszins wijken, zichdoor haar ïjdel gesnap niet laten overbluffen, maar hij moethaar in het aangezicht tegenstaan en tegen haar profeteeren;hij zou zijn woord, het woord, dat God hem in den mondgaf, ook niet tegen het hare zetten en niet moedeloos worden,maar het afwachten, wanneer het Gode zou behagen het woordvan deze valsche profetessen te schande te maken. Zoo deedook Paulus eens te Jerusalem, wederstaande de valsche broederen,denwelken wij, zegt hij Gal. 2 : 5, ook niet een uur hebben geweken met onderwerping, opdat de waarheid van het Evangeliebij u zou verblijven.
Wat had de Profeet haar nu aan te zeggen?
Vers. 18. En zeg: Zoo z e g t de H e e r e H e e r e : Weed i e n v r o u w e n , die k u s s e n s n a a i e n voor a l l e oksele n der armen, en m a k e n h o o f d d e k s e l s voor heth o o f d van alle s t a t u u r , om de z i e l e n te j a g e n!Z u l t g i j de z i e l e n M i j n s v o l k s j a g e n , en z u l t g i j ude z i e l e n i n het l e v e n b e h o u d e n?

Hij heeft haar dus in den Naam des Heeren het wee, datis hot oordeel, aan te zeggen. De vrouwen kwamen niet methet wee Gods over het zondige Israël, gelyk eenmaal Jeremiadeed, toen hij uitriep voor Israëls ooren: Wee het zondigevolk, het volk van zware ongerechtigheid! Deze vrouwendeden het tegenovergestelde. Zij deden hetgeen eenmaal hetvolk tot de Profeten Gods zeide: Spreekt tot ons zachte dingenen schouwt ons bedriegerijen. Met hare bedriegerijen, pluimstrijkerijenen vleierijen zochten zij het volk in zyne valscherust te houden. Kussens naaiden zij, zegt de Heilige Geest inbeeldspraak, voor alle okselen der armen, opdat het volk opde zachte peluw, het bed der valsche rust, zich maar recht gemakkelijkmocht kunnen nederleggen, en die kussens waren pasklaarvoor iedereen, voor alle okselen der armen, hetzij kleine, ofgroote. Die zeer verontrust werd, had wel een groot kussennoodig, den minder verontrusten paste een kleiner beter; zijwisten, zooals men wel eens zegt, schoenen naar voeten tegeven; zij wisten een ieder te bedienen, naar dat het hemgelustte. Ook maakten zij hoofddeksels, zegt de Heilige Geest,voortgaande in Zijne beeldspraak, voor het hoofd van alle statuur:dat zijn slaaphuiven of overdekselen, pasklaar naar iedershoofd. Zoo konden zij in hunne rustige rust blijven nederliggenen slapen, hunne afgoden blijven dienen, en behoefdenzich niet te laten storen door het woord van den Profeet,bij wien het Woord des Heeren was.
Dat was het werk van deze vrouwen, en het is steeds geweesthet werk dier vrouwen in de Gemeente, die ledig enklapachtig langs de huizen omgaan en ijdele dingen spreken,al sieren zij haar gesnap ook met hdoggeestelijke bevindingen,zoodat zij als profetessen worden aangezien, ofschoon zij tochniet anders deden of doen, dan de zielen op valsche gronden geruststellenof sterken in de valsche rust, gebruikende daarbijwel is waar het Woord des Heeren, doch niet naar de meeningdes Geestes, maar naar de meening van het eigen hart. Enmet zulk doen jaagden deze profetessen en jagen deze vrouwende zielen naar de plaatsen, waar God ze niet hebben wil, enwaar zij de ware rust niet zullen vinden. Immers de bedden zijner te kort, dan dat zij zich daarop zouden kunnen uitstrekken, enhet deksel is er te smal, zoodat zij zich daaronder niet kunnenverbergen, wanneer het oordeel des Heeren ontbrandt.
Aan deze vrouwen, deze dochteren der Gemeente, vraagtGod: Zult gij de zielen Mijns volks jagen, en zult gij u dezielen behouden? Zult gij Mijn volk verdrijven van de rusteGods, hen jagende in de netten van uwe valsche rust, en zultgij in de ruste Gods ingaan? Ernstige vraag, welke eenesterke ontkenning, een „ v o o r z e k e r , n e e n ! " in zich sluit.
En die vraag gaat nog verder, als de Heere vervolgt in
​Yers 19: E n z u l t g i j M i j on t h e i 1 i g e n b i j M i j n v o 1 k,voor h a n d v o l l e n van g e r s t , en voor s t u k k e n broods,im z i e l e n te dooden, d i e n i e t z o u d e n sterven, enim z i e l e n in het leven te b e h o u d e n , die niet;ouden l e v e n , door uw l i e g e n tot M i j n volk, datle l e u g e n hoort?
De valsche profetessen en waarzegsters ontheiligden denheiligen Naam des Heeren, door dien te gebruiken tot bevestigingvan hare leugens, en om des voordeels wil. Stukkenbroods en handvollen van gerst genoten zij er voor. En hetvolk gaf dat niet ongaarne, wijl zij het oor neigden tot deleugen, welke hun verkondigd werd. Dat is immers ons natuurlijkbestaan; wij neigen altijd het oor tot de leugen, vooralwanneer die ons vleit; het is steeds bij ons de oude paradijsgeschiedenis,en indien de Heere God Zich niet ontfermde overZijn volk, ras waren zij door de leugen ingepakt en in harenetten verstrikt Doch de Heere onze God is een Ontfermer,en Hij rukt de zielen der Zijnen uit de strikken. (Yers 20 v.v.).
De profetie dezer vrouwen was een ware zielenmoordZij bedreigden met den dood en het verderf de zielen, welkede Heere God in het leven wilde behouden, en verkondigdenhet leven aan hen, welke onder het rechtvaardig oordeel Godsten doode waren opgeschreven. Zij stijfden het volk te Jerusalemin hun verzet tegen den koning van Babel, belovendehun redding en uitkomst, als zij stad en tempel verdedigdenten bloede toe: zij streden immers voor de altaren des Heeren!Daarentegen maakten zij het hart week van hen, die zichonder het oordeel des Heeren bogen en zich aan Babel onderwierpen,steunende op het Woord des Heeren, hun door Zijneware Profeten verkondigd. Zij verkondigden dus den doodaan de rechtvaardigen en het leven aan de goldeloozen, hetwelkeen gruwel is in de oogen Gods! Evenals die vrouwenin do Gemeente doen, die, zich stellende op het voetstuk van harevroomheid en hare wijsheid in de Schriften of van hare hoogegeestelijkheid, den onboetvaardigen en dengenen, die zich nietvan harte tot God bekeeren, naardien zij zich niet in geloofaan het Woord, zooals het daar voor hen ligt, onderwerpen,nochtans vrede en leven verkondigen, en hen alzoo stijven inhunne goddeloosheid of eigengerechtigheid, — maar daarentegenh e n tegenstaan en over hen het oordeel uitspreken, die, zichin boetvaardigheid aan dat Woord onderwerpende, alleen levenzoeken in de genade des Heeren Jesus Christus. Zulke vrouwenoogsten ook van haar doen genot en voordeel in. De verkeerdenvan hart en wegen steunen haar gaarne en eeren haargrootelijks, doch bij den Heere Heere ligt haar oordeel gereed.Zijn Naam wordt niet straffeloos geschonden, en de Gemeentewordt niet straffeloos beroerd; — maar die u beroert, zoo zegtde Apostel, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij, profeet ofprofetes, man of vrouw, hoog of laag in de Gemeente geplaatst.Over deze valsche profetessen oordeelt de Heere verder:
Yers 20 en 21. D a a r o m , zoo zegt de H e e r e H e e r verder:
e t , I k wil aan uwe k u s s e n s , w a a r m e d e gij alda a r de z i e l e n j a a g t naar de b l o e m h o v e n , en Ikzal ze u i t uwe armen w e g s c h e u r e n ; en I k zal diez i e l e n l o s m a k e n , de z i e l e n , die gij j a a g t n a a r deb l o e m h o v e n . Daartoe zal Ik uwe h o o f d d e k s e lss c h e u r e n , en M i j n volk uit uwe hand r e d d e n,z o o d a t zij n i e t meer in uwe h a n d z u l l e n z i j n toteene j a c h t ; en g i j z u l t w e t e n , dat I k de H e e r e ben-Ziet, Ik wil aan uwe kussens, aan uwe valsche profetieën, die niets meer dan listige en vrome kunstgrepen zijn, waarmedegij de zielen jaagt naar de bloemhoven, om zich te vermakenen te verlustigen in de hoop van eerlang te zullen verkrijgenen genieten eenen Staat van bloei en voorspoed en geluk inde gunste Gods, in het land van Juda, niettegenstaande IkMijne oordeelen over Mijn volk heb uitgesproken. Ik zal dieoordeelen gewisselijk doen komen en daardoor u en uwe valseheprofetie voor aller oog te schande maken. Zoo zal Ik uwe kussens,uwe zoo listig en vroom ineengeweven kunstgrepen, welke gijtegen Mijn Woord in met beide armen vasthoudt, uit uwearmen rukken, zij zullen u ontvallen, het zal alles van u verstuivenals kaf voor den wind, en alzoo zal Ik de zielen, welke gijmet uw valsch woord aan de leugen gekluisterd had, losmaken,de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven, haar voorgetooverd.Ook zal Ik uwe hoofddeksels, liet valsehe woord, waarin zijzich gerust ternederlegden, scheuren, t.w. door het niet te doenkomen. liet oordeel, dat Ik over stad en tempel breng, zal uweleugens in al hare naaktheid doen aan het licht komen, en alzoozal Ik Mijn volk uit uwe handen redden; gij zult hen nietmeer kunnen jagen naar uwen wil, wanneer het Woord Mijnerwaarheid uw ijdel liegen en bedriegen in Mijnen Naam zalhebben te schande gemaakt. Zoo redt God door Zijne waarheid,in het waarmaken van Zijn Woord, de Zijnen uit hetnet, waarin de ijdele leugensprekers en leugenspreeksters hengevangen hielden. Dat heeft de Heere God te allen tijde gedaan,en dat doet Hij nog. Hij brengt Zijn Woord tot eere, en datmede door het woord der valschheid het masker der waarheidaf te rukken, waarachter het zich zoo gaarne verschuilt. En nu,gjj valsehe profetessen zult het alzoo weten, dat Ik de Heereben, de Ood der waarheid, Die alle leugenpad haat. Hij, Dieharten en nieren doorzoekt en beproeft, kent haar werk ende goddelooze vrucht, welke het afwerpt. Die vrucht istweeërlei: zij bedroeft den rechtvaardige en sterkt den goddelooze.
Vers 22. O m d a t g i j l i e d e n h e t h a r t des r e c h t -v a a r d i g e n door v a l s c h h e i d h e b t b e d r o e f d gema a k t , d a a r Ik h e m g e e n e s m a r t a a n g e d a a n h e b;e n o m d a t g i j de h a n d e n des g o d d e l o o z e n g e s t e r kth e b t , o p d a t hij z i c h v a n z i j n e n b o o z e n w e g n i eta f k e e r e n z o u , dat I k hem in h e t l e v e n b e h i e l d.
Zij bedroefden dus het hart van den rechtvaardige, d. ihet hart van hen, welke voor God rechtvaardig waren, omdatzij, ziende den toenemenden afval des volks, geloofden het woordder Profeten, welke aan Jerusalems inwoners het oordeel verkondigden,waar zij volhardden in hunne rebellie tegen Babelskoning. Dezen wilden zich onderwerpen aan Babel, omdat zij Godgeloofden; dezen wilde God dan ook niet bedroefd hebben,integendeel, hen wilde Hij gesterkt en getroost hebben in hunneonderwerping, en dat was het oogmerk van deze ijdelheidspreekstersniet. Neen, door de valschheid van haar woord, waarbij zijdezulken als ontrouwe, afvallige Israëlieten brandmerkten, verdruktenen bedroefden zij hen innerlijk, terwijl zij daarentegenden goddelooze, die zich in zijne vroomheid tegen Babels koningbleef verzetten en dus het woord van Gods ware Profeten bleefverwerpen, de handen sterkten, hem belovende eene heerlijkeverlossing; zij toch waren de echte Israëlieten, de anderendaarentegen waren de afvalligen, en zoo beschouwden zij ziclizelvenook. Dit is wel gebleken bij de gevangenneming vanJeremia, toen hij de poort van Benjamin wilde uitgaan en hethooren moest, dat hij tot den vijand, de Chaldeën, wilde vallen!
Moest dat het hart van die rechtvaardigen niet bedroeven?— Daarenboven was dat sterken der goddeloozen in hunverzet eene oorzaak, dat zij zich niet bekeerden, zich niet afkeerdenvan hunnen boozen weg, en de Heere hen alzoo nietbij het leven zou behouden, want God wil niet den dood deszondaars, maar dat hij zich bekeere en leve.
Dat is de vrucht van elk valsch woord, van elk valsch evangelie,dat door den mond van profeet of profetes, van leeraars of vanvrouwen, die hun de handen sterken, tot ons komt; het bedroeftden rechtvaardige, wijl het hem verdoemt, en het sterkt dengoddelooze in zijne onbekeerljjkheid, omdat bet hem zalig spreekt.Zoo maken zij zich schuldig aan eenen waren zielenmoord,want zij verhinderen den goddelooze zich tot God te bekeeren,waardoor hij zou mogen leven tot in eeuwigheid.
Vers 23. D a a r o m z u l t gij n i e t m e e r ij d e l h e i dz i e n , noch w a a r z e g g i n g g e b r u i k e n ; m a a r Ik z alM i j n v o l k u i t u w e h a n d r e d d e n , en g i j z u l t w e t e n,d a t I k de H e e r e ben.
IJdelheid wordt haar gezicht wederom genoemd, omdat hetwas zonder Geest of God, ja enkel bedrog en valschheid.Het zal van haren mond worden weggenomen; die mond zalzwijgen in het stof; en in haar oordeel zal God Zijn volkuit hare hand gered hebben! En waarom? Omdat God derechtvaardigen liefheeft, -— dat zijn zij, wier harten zich buigenonder Zijn Woord en die geneigd zijn, om Zijne inzettingen tebetrachten, Zijne rechten te bewaren en die te doen; daarentegenalle werkers en werksters der ongerechtigheid haat Hij, —dat zijn zij, die op valsehe jjdelheden acht geven en alzooverlaten hunlieder weldadigheid. De rechtvaardigen behoudt Hijen rukt Hij uit, de goddeloozen daarentegen verdelgt Hij endoet hen weg van voor Zjjn Aangezicht, gelijk de Psalmist zingt:
De Heer bewaart de ziel, die Hem bemint;
Maar Hij verdelgt, dien Hij god'loos bevindt.
Mijn blijde tong zal roemen in den Heer,
En alle vleesch zal juichen tot Gods eer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 december 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van Ezechiël 13. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 december 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken