Bekijk het origineel

Betrachting over Johannes 14 : 22—26 en Heidelbergsche Catechismus, Vraag en Antwoord 65-

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Johannes 14 : 22—26 en Heidelbergsche Catechismus, Vraag en Antwoord 65-

20 minuten leestijd

Bjj de behandeling dezer stof willen wij vooral hierop letten : w a t het w e r k v a n d e n H e i l i g e n G e e s t i s , en w a a r - t o e h e t H e i l i g A v o n d m a a l d i e n t.
Wij lezen Joh. 14: 22: J u d a s , n i e t de I s k a r i o t , — die was veel te hoogmoedig, om zulk eene vraag te doen, — z e i d e t o t H e m : H e e r e ! w a t is h e t , d a t G i j U z e l v en a a n ons z u l t o p e n b a r e n , en n i e t a a n de w e r e l d ? '' Judas wil zeggen : Wij begrijpen het niet, wij verstaan het niet. Zal dan niet de geheele wereld bekeerd worden? Uw koninkrijk, het rijk Israël, zal nu toch opgericht worden! Wij hebben daarvan gelezen in de Profeten; blijft het dan nu verborgen in eenen hoek? Zullen wij alleen daarvan weten? Dat verstaan wij niet!
J e s u s a n t w o o r d d e en z e i d e t o t h e m : Zoo i e m a nd M i j l i e f h e e f t , die zal Mijn W o o r d b e w a r e n. (Vers 23.) Jesus wil daarmee zeggen: de wereld heeft Mij niet lief, en daar de wereld Mij niet liefheeft, kan Ik Mij aan haar niet openbaren, en daar de wereld Mij niet liefheeft, zal zij Mijn Woord niet bewaren. — „In den beginne", dus lezen wij in Joh. 1 : 1—3, „was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Alle dingen zijn door het Woord gemaakt, en zonder hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is." De Heere Jesus wil dus Zijne woorden bewaard weten. Het Woord des Heeren Jesus, dat zal alles doen, dat richt bij den mensch alles uit, voor zijn gansche leven. Dat is het karakteristieke van het Evangelie van Johannes, dat het voortdurend er op wijst, dat het er op aankomt, om het Woord te bewaren. Gij behoeft u niet te bekommeren om zaligheid of verdoemenis, om geluk of ongeluk, om hemel of hel, om goeddoen of zondigen; maar bekommer u alleen om het Woord des Heeren Jesus. Dat wil Jesus bewaard weten. Doe naar Mijn Woord, blijf in Mijn Woord, zoo zal het u welgaan, al komt ook de gansche wereld tegen u op, al stormen ook alle duivelen op u aan, al komt ook alle nood over u, ja de baren der zonde, — houd u aan Mijn Woord, dan gaat het goed. — Dat is haast de wereld uit, dat wordt weinig verstaan. Ja, eene mystieke vereeniging met den Heere Jesus, een beeld der phantasie, waarbij men zichzelven aanbidt, dat men met eenen Heere Jesus, die niet bestaat, op en af kan gaan, — daarvan droomt het menschelijk hart, dat toovert de mensch zich in zijne gedachten voor oogen. Maar dat alles is niets. De Heere Jesus heeft Zijn Woord bekend gemaakt en wil het bewaard weten, daar bevindt de mensch zich wél bij; en daarin bestaat de vereeniging met den Heere Jesus, dat gij Zijn Woord bewaart.
Dit nu kan de wereld niet, en daarin doet zij zich juist als wereld kennen. De wereld kan alles, maar niet des Heer,en Woord bewaren. Alzoo: die Mij liefheeft, die zal Mijn Woord bewaren; de wereld heeft Mij niet lief, dus kan en zal zij Mijn Woord ook niet bewaren. En waar Mijn Woord niet bewaard wordt, daarheen breng Ik het ook niet, daar is het veel te kostelijk voor.
Waar Mijn Woord is, en waar het bewaard wordt, daar komt Mijn Yader en zegt: „Deze bewaart het Woord Mijns Zoons, daarom is hij Mij lief en aangenaam". Zoo beschouwt Hij dan den mensch als eene schoone bloem en heeft deze lief; Hij beziet zulk eene roos van Saron, en geeft Zijnen dauw en regen. En is nu de Yader in den tuin en beziet Hij de bloemen, dan komt de Zoon er ook en zegt: „Eene schoone bloem, Yader!" — „Ja, eene schoone, eene wonderschoone bloem, geen ongedierte heeft haren groei kunnen tegenhouden, de knop is opengebroken en heeft zich ontplooid." — „En M i j n Vader zal hem l i e f h e b b e n , en W i j zullen tot hem komen, en z u l l e n w o n i n g bij hem maken", Wij zullen Onzen tabernakel bij hem oprichten.
De liefde des Heeren Jesus gaat hier vooraf, dat spreekt vanzelf; men moet eerst verloren geweest zijn, zoo verloren, dat er geen denken meer aan was, om ooit verlost te worden. Alles, wat men tot nog toe bezat, is verloren geraakt; eindelijk is het Woord des Heeren Jesus gekomen en daarin heeft men redding gevonden. Zoo heeft men dan geleerd, welk eene macht er in dit Woord schuilt. Dit Woord heeft men gevonden op het Bijbelblad in den nood, en men heeft zich daaraan vastgehouden. Wel zeide de duivel: „Als gij dat doet en zegt, dat het voor u is, dan zijt gij verloren"; maar de verzinkende zegt: „Ik heb niets anders!" Zoo heeft hij dan het Woord lief en houdt vast. — Zoo weet gij dus, waarom het den Heere Jesus gaat, niet, dat men zich vroom maakt, dat men zichzelven heiligt, maar dat men Zijn Woord beware. Dat gaat niet zoo gemakkelijk als het wegblazen van eene veêr. De zaak is wel eenvoudig, zeer eenvoudig, een kind kan het begrijpen, en toch is het een zwaar stuk. Daar wordt „tabula rasa gemaakt", daar moet alles weg; niets is er meer, dan het Woord alleen, het Woord des Heeren Jesus. In de Christelijke wereld ziet men naar de torenspitsen, naar de bergen en heuvelen, van waar naar de meening van vleesoh en bloed en van al het zichtbare het heil moet komen; waar echter de Heere Jesus Zich openbaart, daar is alles verdwenen, daar iB alleen nog Zijn Woord. —- Nog eens, de Heere wil Zijn Woord bewaard weten, dat leest gij het gansche Evangelie van Johannes door, vooral in het laatste gedeelte. Daarmeê begint Johannes ook. — „In den beginne" — ja, toen er nog niets was, toen begon -God; het eenige, dat er was, en dat bij Hem •was, dat was het Woord, en dat Woord heeft het alleen gedaan, heeft alles gedaan. Wie dat recht verstaat, voelt vanzelf, dat zijn hart brandt van liefde tot den Heere. Wat nu heeft de wereld? De wereld heeft de letter, en dan, ja, de middelen, en de middelen moeten er zijn, om daarmeê der letter eenen wassen neus te geven; en als dan de middelen falen, welnu, dan heeft God niet gewild, dan heeft het Hem niet behaagd. Daar is geene liefde tot den Heere Jesus. „Die Mij niet l i e f h e e f t , die bewaart Mijne woorden niet". (Vers24.)
Nu moeten wij echter weten, Wiens het Woord des Heeren Jesus is. Hij zegt, dat het niet Zijne woorden zijn. Het zijn wel Zijne woorden, doch het is niet zóó, dat, als men het Woord des Heeren Jesus bewaart, men eerst nog naar het heilige der heiligen moet zenden, om te hooren, of het Gode ook aangenaam is; niet zóó, dat men nog eerst moet weten, of het in den hemel wel vaststaat, dat men behouden wordt. Neen, „het Woord", zegt Hij, „dat g i j l i e d e n hoort, is het M i j n e niet, maar des Vaders, Die Mij gezonden heeft". Het is daarmeê, als wanneer iemand in het dagelijksch leven aan eenen ander regels voorschrijft van zoo en zoo te doen. Maar nu bezit de mensch niet eens de bekwaamheid, om het te doen, integendeel, er is enkel onbekwaamheid, er is ook geene kracht, om iets tot stand te brengen, en bovendien zijn er zoo vele bezwaren, dat de domste schooljongen wel kan uitrekenen, dat er niets van terechtkomt. Nu geeft de Heere Jesus zulk eenen mensch een woord en zegt: Houd u daaraan! gij moet echter weten, het is niet zoozeer Mijn Woord, als wel het Woord Gods, ja en het is niet alleen Gods Woord, maar — hebt gij soms geenen vader en moeder meer, — het is het Woord uws Vaders, daarboven in den hemel. Het is dus niet zoozeer Mijn Woord, als wel het Woord Mijns Vaders, Die ook uw Vader is. Zoo is men dus zeker van de zaak. Het behaagt dus God in den hemel. Wat er nu van wordt, dat wordt er van. Wij zullen echter zien, wie langer in het leven zal blijven: Sera, die op zijnen sterfdag niets aan zijn hart kan drukken dan een vijftienjarig achterkleinkind, of Cham, die inmiddels steden heeft gebouwd, grooter dan Parijs, Londen en Home.
De Heere Jesus nu zegt Vers 25: „Deze dingen heb I k tot u gesproken, bij u b l i j v e n d e " . Deze dingen,— nml. dit: wie Mijn Woord bewaart, dien zal het welgaan, Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem inkomen en woning bij hem maken. Dit heb Ik tot u gesproken, terwijl Ik bij u was; nu zal Ik weldra van hier gaan, dan hebt gij niets meer. Thans kunt gij u aan Mij houden, Ik vertroost en versterk u; doch het zou niet goed zijn, als Ik bij u bleef, want zoolang Ik bij u ben, gaat het, zooals het gaat, — gij ziet Mij, en zegt: „De Meester heeft het gezegd"; en zoo hebt gjj zekerheid. Dan komt later de duivel en zegt: „Zou dat goud zijn ? geef eens hier, ik zal het aan den toetssteen toetsen, of het goud is!" — Gij komt allen in den smeltkroes, Ik ook, als uw Meester, als de Eerste; Ik voor u, voor uwe zonde — en gij: opdat aan het licht zal komen, wat genade heeft gewerkt. Ik ga van u j dan hebt gij niets meer, en alles zal uit uw geheugen verdwenen zijn. Van alles, wat Ik u gezegd heb, zult gij niets hebben bewaard. Gij zult in den smeltkroes geworpen worden, en u zeer treurig en verlaten gevoelen. Dat kan elke ziel bij zichzelve ondervinden. Zij hoort de troostrijke prediking, komt tehuis, daar is iets voorgevallen, nu komt zij op den toetssteen, — daar heeft zij alles vergeten ! Men kan alles goed bewaren, als de nood niet aan den man komt, maar nauwelijks is er nood, of men is bedroefd en terneêrgeslagen, en men weet van niets. Zoo gaat het, als het goed gaat. De wereld kan zich helpen, maar de kinderen Gods niet; die kunnen zich niet helpen, zij moeten geholpen worden; want wat God heeft uitverkoren, dat is immers niets. Daar staat men dan troosteloos; ach, was de Heere er maar! was deze of die er maar! leefde deze of die nog maar! dan zou ik tot hem gaan om troost en raad ! Maar nu sta ik verlaten ! Neen, zegt de Heere Jesus, dat is niet waar ! Ik heb deze dingen tot u gesproken, zoolang Ik bij u ben geweest; nu ga Ik tot Mijnen Yader, en gij zult Mijne woorden vergeten, maar Ik zal u en uwen nood niet vergeten, want Ik heb u gekend, toen gij nog onder het hart uwer moeder laagt, j a Ik heb u gekend, eer gij nog ontvangen waart; Ik heb uwen vader en uwe moeder samengebracht, zoodat zij uwe ouders geworden zijn; ja, lang te voren, van alle eeuwigheid heb Ik u gekend en heb geweten, wat maaksel gij zijt. En gij zijt ontvangen en geboren in zonde en verdraaidheid ; zoo zijn dan al uwe gedachten en overleggingen des harten, uw verstand, rede, geest, — al wat u als mensch van het dier onderscheidt, — verkeerd, dat weet Ik wel, — en alles zult gij in gedachtenis houden, maar Mijn Woord zult gij niet bewaren; zoodra ook maar de minste vijand zich laat zien, zult gij alles weer vergeten hebben. Ik zal echter aan u denken, I k , Ik ga tot den Yader, daar geldt Mijn Naam Jesus, daar geldt Mijn Naam als Zoon, als Kind, daar geldt Mijn Naam voor alle kinderen, die de Yader Mij gegeven heeft, om ze over te brengen in de eeuwige heerlijkheid. En de Geest, de Heilige, de Eeuwige, de Oneindige, de Almachtige, de alleen "Wijze, Hij, Die liefheeft van eeuwigheid, Hjj heeft Zich ter beschikking gesteld van Mijnen Naam, en het is het welbehagen des Yaders, Hem in Mijnen Naam te zenden. Weest nu stille en zijt niet zoo verlegen en bedroefd, Hij komt en zal u heerlijk troosten. Hij is de Heilige Geest, Die u niet bedriegt; Hij laat u geene verkeerde wegen inslaan, Hij zal u wél leiden. — Wat Ik u gezegd heb, dat hoort gij wel, en gij denkt ook, dat gij het verstaat; maar als gij op de proef zult gesteld worden, dan zult gij ondervinden, dat gij er niets van afweet, dat gij niet eens begrijpt, wat het zegt: Mijn Woord bewaren. Waar Mijn Woord bewaard wordt, daar dondert, sneeuwt en hagelt het, daar komt de waterstroom en rukt alles weg, alles is verslagen, alles is dood, gij hebt niets meer, waaraan gij u kunt vasthouden; alles roept u toe: „Gij zijt verloren!" En als nu alles tegen u is, en als nu de nood hoog klimt, dan wil Ik aan u denken en u d e n T r o o s t e r z e n d e n , d e n H e i l i g e n G e e s t ; Die zal u onderwijzen en zeggen : Hier, dit is de weg, gaat dien, en wijkt niet af, ter rechter- noch ter linkerhand. Hij z a l u a l l e s l e e r e n , en z a l u i n d a c h t i g m a k e n a l l e s , wat I k u g e z e g d heb.
Ziedaar in 't kort gezegd, waartoe de Heilige Geest komt, waartoe Hij van den Vader gezonden wordt: om ons te leeren, al hetgeen ons de Meester heeft gezegd en medegedeeld, om ons dat indachtig te maken, opdat wij Zijn Woord bewaren. Nu nog enkele woorden over het Heilig Avondmaal Daarvan zegt de Heere : Zoo dikwijls, als gij dit doet, doet het tot Mijne gedachtenis A.ls wij dos Heeren Woord, des Heeren Jesus' Woord bewaren, dan gedenken wij immers aan Hem. „Houdt in gedachtenis Jesus Christns, opgestaan van de dooden, uit den zade Davids." Aan den Heere Jesus gedenken, — alles kan de mensch eerder dan dat. Ik denk aan u, zegt Hij, denkt gij nu aan Mij! Ja, zeggen wij, dat zullen wij doen! Maar ik wil denken aan den Heere Jesus en aan eene koe, ik wil denken aan den Heere Jesus en aan een kalf, opdat Hij mijne koe, mijn kalf vet make! Maar als ik nu eene arme weduwe ben en niets bezit dan eene magere koe, en ook die nog sterft, dan is er geen rund meer in den stal, alle heiligheid is weg, alle vroomheid is weg, ik heb mijnen eigenen weg verdorven; dit is er niet, dat is er niet, de nood klimt tot aan de lippen, — Ik denk aan u! zegt de Heere, denk gij aan Mij! Bewaar Mijn Woord! Gij ziet Mij niet meer, en gij behoeft Mij ook niet meer te zien, gij hebt Mijn Woord, en daarmee den ganschen hemel, de volkomene zaligheid, en eenen weg boven dood en hel. — De Geest komt, en het is de Geest, Die hun, die het eigendom van den Heere Jesus zijn, alles indachtig maakt, wat Hij heeft gesproken. Dat gebeurt dikwijls in den nacht, door allerlei middelen, langs verborgene wegen, maar Hij doet het toch middellijk, door het Woord Gods en de heilige Sacramenten.
Dit staat nu eenmaal vast, wat de zaligheid en de verdoemenis betreft: al heb ik ook niets op mijn geweten, — voor God is een mensch een mensch ; komt hij voor God te staan, dan moet hij sterven. Leven — daaraan is alleen dan te denken, als men gelooft; aan werken is geen denken, aan alles, wat wij doen, gedaan hebben of zouden willen doen, is niet te denken. En nu het geloof, — hoe staat het daarmee? Waar het geloof komt, daar wordt het verstand verlicht, zoo verlicht, dat men zegt: welaan, alles is weggerukt, alles is weggespoeld, alles is verloren, alleen het kruis staat er nog, — daarheen! Welaan, ik ben verdoemd, er is geene redding, — Jesus is nog hier! Zoo wordt het verstand verlicht, het geloof gewekt en de wil overgebogen. — Het geloof is dus het denken aan den Heere Jesus. Ik spreek van een levend denken, waarbij gedacht wordt aan Zijn Woord, en waarbij dit Zijn Woord wordt aangegrepen en vastgehouden. Dat is het geloof.
Nu vraagt de Catechismus: Yan waar komt dit geloof? Laat ons Vraag 65 eens lezen. Daar staat: A a n g e z i e n d an a l l e e n h e t g e l o o f ons C h r i s t u s en al Z i j n e w e l d a - d e n d e e l a c h t i g m a a k t , van w a a r k o m t d a n z u lk e e n g e l o o f ? En het Antwoord luidt: V a n d e n H e i l i g en G e e s t , D i e h e t g e l o o f in o n z e h a r t e n w e r k t , — de Vader zendt Hem in den Naam des Heeren Jesus, zoodat wij Zijn Woord in gedachtenis moeten houden. De Heilige Geest werkt het geloof, — dat moet niet verstaan worden van menschon, die pas bekeerd worden, dus van het begin van den bekeeringsweg, — neen, neen, dat geldt voor eiken dag, — de Heilige Geest werkt het geloof — waar ? In onze harten. Waarom niet in het hoofd? Och, als ik mij met mijn vernuft of met mijn verstand kon redden, dan had ik den Geest Gods niet noodig. Ik kan mij echter met mijn verstand en met mijn vernuft niet helpen, mijn hart is zoo zwak en verbrijzeld, dat ik geholpen moet wordon. Derhalve in het hart werkt de Heilige Geest het geloof. Waardoor? Doet Hij dat onmiddellijk, door Hem zoo maar op eens in het hart uit te storten ? Neen, door de prediking van het heilig Evangelie. De prediking is dus noodzakelijk. Het is noodzakelijk, dat men op den dag des Heeren de prediking hoort en dagelijks een Hoofdstuk of twee in de Heilige Schrift leest. Dan zijn er gewoonlijk een paar woorden, twee of drie, al naar het den Heere behaagt, die tot het hart doordringen en blijven, en wat men voorjaar en dag heeft gelezen, dat komt ons in den nood weêr te binnen De ondervinding heeft mij dat geleerd. Ik ben in de allerschrikkelijkste nooden geweest, maar nog in geenen nood was ik, of er was een woord, dat mij uithielp. — De Heilige Geest dus werkt het geloof in onze harten door de prediking, — niet der wet, waarbij het heet: „Zoo en zoo zult gij zijn, zoo en zoo moet gij u maken!" neen, maar door de prediking van het heilig Evangelie. l)at wij het toch voor heilig houden, voor eene heilige, kostelijke zalf. Ik zou zeggen, eene zalf, die van den dood redt, die zal men toch voor heilig houden! — De Heilige Geest werkt dus het geloof in onze harten door de prediking van het heilig Evangelie. En nu moet deze prediking ook nog goed in het hart bevestigd worden, opdat het er goed in zal zitten; daarom sterkt Hij het geloof door het gebruik der Sacramenten. — Het moge u daarom niet verdrieten, als de Heilige Doop bediend wordt, en u niet vervelen, om te blijven zitten. Ik gebruik in dezen wel niet gaarne dwang, — een ieder handele daarin naar zijne vrijheid; maar dit heeft toch een ieder te bedenken: al is het kind, dat gedoopt wordt, ook een kind van eenen ander, het is toch niet een vreemd kind, maar een kind der Gemeente, dat ook overgaat in de eeuwige heerlijkheid, waar wij het zullen wederzien. Ook uwe ziel behoort daardoor voortdurend getroost te worden. De Heilige Geest komt dus en versterkt het geloof door het gebruik der heilige Sacramenten: de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal.
De Heere Jesus zeide: „Doet dat tot Mijne gedachtenis". Aldus versterkt do Heilige Geest het zwakke geloof, dat wij aan Hem denken, aan Zijn Woord, des Heeren Jesus' Woord, dat wij denken: In Hem is alle heil, alle rijkdom, leven, troost en een doorkomen door alles heen. Aldus wordt het geloof gesterkt, dat er geene droefheid zoo zwaar kan zijn, of de zoete Jesus-Naam verblijdt nog meer, en het hart zegt: „Wien heb ik nevens U in den hemel? nevens U lust mij ook niets op de aarde!" Aldus wordt het zwakke geloof, dat in het hart is gewerkt door de prediking van het heilig Evangelie, ook gesterkt door het Heilig Avondmaal, alzoo, dat, als gij het brood ziet breken en den drinkbeker mededeelen, dat gij dan denkt: Zoo, Heere, is Uw lichaam voor mij gebroken ! zoo, Heere, is Uw bloed voor mij vergoten! Dat ontvang ik uit de hand des dienaars en daarmee uit Uwe hand tot een onderpand, teeken en zegel van Uwe genade, van Uwe gunst, goedertierenheid en ontferming, opdat ik er van verzekerd zij: Gij hebt het mij beloofd, toen Gij gezegd hebt: „Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u verbroken wordt! dat is Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt!" — toen Gij gezegd hebt: „Neemt, eet! — neemt en drinkt allen daaruit!" Welaan nu, duivel en wereld, welaan, nood en dood, — ik moet weten, hoe mijn Heiland tegenover mij staat. Dit nu heeft mijn Heiland gezegd : Zoo vereenig Ik Mij met u; het brood is de gemeenschap Mijns lichaams, en de drinkbeker is de gemeenschap Mijns bloeds. Zoo vereenig Ik Mij met u, en zoo vereenigt gij u met Mij, als een man zich vereenigt met zijne vrouw en een bruidegom met zijne bruid. Of nu alle onweders over uw hoofd gaan, bekommer u daar niet om; als gij maar weet, hoe het staat tusschen u en Mij en Mijnen "Vader.
Zoo zie nu, wat de Heilige Geest doet. Juist door het Sacrament versterkt Hij uw geloof, opdat gij verzekerd zijt en blijft van de hartelijke liefde en trouw des Heeren Jesus, en opdat dus, niet enkel door Zijn Woord, maar ook door de van j God ingestelde Sacramenten uwe arme ziel op den gezonden en rechten grond overgebracht zij, op dezen grond: Heere, ik bewaar Uw Woord, — Gij bewaart mij! 5 Juni 1859.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 december 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

Betrachting over Johannes 14 : 22—26 en Heidelbergsche Catechismus, Vraag en Antwoord 65-

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 december 1893

Amsterdamsch Zondagsblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken