Bekijk het origineel

Aanteekening op Mattheüs 3 : 1—12.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekening op Mattheüs 3 : 1—12.

8 minuten leestijd

Vers 1. „In de w o e s t i j n van J u d e a . " Hier trokken vele reizigers door, die van Jeruzalem kwamen of daarheen gingen. Bovendien was er aanleiding tot het samenstroomen; van eene menigte menschen door de nabijheid van Jericho,, eene stad, die naast Jeruzalem zeer in aanzien was, ja waarin naar der Joden getuigenis altijd 12000 mannen uit de beurtwacht der priesters waren. Dat nu de plaats op den doortocht naar Jeruzalem lag, moest er wel toe meewerken, dat aldaar verbreid werd, wat door Johannes werd verricht.
Vers 2. „ B e k e e r t u." Johannes eischte door Gods Woord: een afleggen van averechtsche opiniën en een aflaten van verkeerde handelingen, die algemeen bij het Joodsche volk op te merken waren. Het was zijne roeping, de eigengerechtigheid; te beschamen, de huichelarij van dien tijd te ontdekken, dekwade werken te bestraffen. — „Het Ko n i n k r i j k d e r - h e m e l e n . " Sal. Jarchi merkt bij Hos. 4 op, dat het zich> bekeeren tot God bestaat in een zoeken van het Koninkrijk der hemelen. „Der hemelen", — de Koning is de Heere uit. den hemel; Zijn troon der genade is in den hemel; de onderdanen behooren tot het hemelsche Jeruzalem: de privilegiën; zijn hemelsche zegeningen, de regeeringswijze is hemelsch, niet. aardsch. — Johannes zegt niet: „De hel is u nabij gekomen"; daar lagen zij zoo te zeggen reeds in. Zonder bekeering kan men dat Koninkrijk niet zien. (Joh. 3.)
Vers 3. De „ s t e m " is Johannes, de P r e d i k e r de Geest. Het woord „ w o e s t i j n " is hier te gelijk eene toespeling op dentoestand der Joden.
Vers 4. De Joden weefden van ouds her van k e m e l s - h a a r stoften voor kleederen. Het ruwste haar diende voor grove pijen van landlieden en armen. Zie Braunius. — „ S p r i n k - h a n e n " . Zie Lev. 11 >22. Zij werden gezoden, tot brij gekookt, gedroogd of gerookt. — „ W i l d e n h o n i g " vindt men in Kanaiin in holle hoornen en in de reten van steenrotsen.
Vers 5. „ J e r u z a l e m en g e h e e l J u d e a . " Sedert Maleachi was er geen Profeet opgestaan. Zij kwamen uit allehoekerï, om te hooren, hoedanigen weg hij hun aanwijzen zou. — „ H e t g e h e e l e l a n d r o n d o m de J o r d a a n " ,— eene heerlijke en vruchtbare, dus volkrijke landouwe.
Vers 6. „ G e d o o p t . " De Joden erkenden niemand uit de Heidenen voor eenen geloofsgenoot, tenzij hij, na de besnijdenis, ook gedoopt was. Deze doop werd voltrokken aan het geheele huisgezin, tot het kleinste kind toe. Die zich van Johannes lieten doopen, konden dit stuk niet anders begrijpen, dan als eene inlijving in eene nieuw© Gemeente, om een n i e u w volk te vormen, hetwelk den Christus werd toebereid. Zij gaven er meê te kennen, dat zij buiten het Verbond en onrein waren geweest, maar nu gereinigd werden, en overgingen tot een rein volk, om in alle reinigheid naar Gods Wet te leven. — „In de J o r d a a n ." Johannes hield zich dus op in die streek, waar de Jordaan, binnen het landschap van Judea, uitloopt in de Doode Zee, — waar de Israëlieten met Jozua eens doortogen. — „ B e l i j - d e n d e h u n n e z o n d e n . " Zoo doet men afstand van alle eigene waardigheid, eigene gerechtigheid, eigen weg, eigen wil en werk.
Vers 7. „ F a r i z e ë n . " Het geestelijk kroost van de Chassidin». ( Asideën. Yergel. 1 Makkab. 2 : 42 en 7 : 13; 2 Makkab. 1 4 : 6 .)
De Farizeën zijn niet uitgestorven Zij houden overal en te allen tijde de Wet op zoodanige wijze, dat zij met elke daad een gelukkig menseh ongelukkig maken, en niet rusten, voor zij hem bedorven hebben. Alles brengen zij in de war en van zijne plaats. — „ S a d d u c e ë n . " Dezen zijn met alles tevreden, wat hen niet stoort in hun eten en drinken; slechts die is hun •een vijand, die hen stoort in hunne rust. — „ A d d e r e n g e - b r o e d s e l s " , — dus geen zaad Gods. Als de vergiftigsten van allen worden zij aangeduid. — » W i e h e e f t u a a n g e - • w e z e n . . . . ? " Immers niet de Heere. — „ T o o r n " , — ellendig einde van zelfbedrog. Rom. 1 : 18.
Vers 8. „ B r e n g t dan v r u c h t e n v o o r t d e r b e k e e - r i n g w a a r d i g " , — vruchten, waar een arm, hongerig mensch van eten kan en die een eenvoudig, oprecht mensch niet ergeren. Vruchten, die der bekeering niet waardig zijn, zijn als een keisteen in eenen vergulden of gouden rand.
Vers 9. „En m e e n t n i e t b i j u z e l v e n t e z e g g e n ", d w. z : zegt niet in uw hart, — 't valsche hart pleegt zoo het bestraffend geweten het stilzwijgen op te leggen —: „ W ij h e b b e n A b r a h a m tot e e n e n v a d e r " , — een kind van -eenen goeden en rijken vader gaat niet in lompen gekleed, en een kind van eenen blanken vader en eene blanke moeder heeft toch geen Mooren-aangezicht of eene Mooren-huid, zoo zwart als ebbenhout. — „ U i t d e z e s t e e n e n " , — die hier in de Jordaan liggen, even zoowel als Hjj Adam uit eenen klomp aarde maakte. Ezech. 11 : 19; Ps. 114: 8.
Vers 10. „De b i j l a a n den w o r t e l . " Ezeeh. 17; Mal. 4 : 1 . — „ B o o m e n " : oudsten, priesters, schriftgeleerden enz. — „ A l l e b o o m " , — hoe voortreffelijk ook van groei, van takken en bladeren. — „Die g e e n e goede v r u c h t v o o r t b r e n g t " , — het nieuwe Jeruzalem heeft slechts vruchtboomen, dat is zoo de Wet van den eeuwigen Geest.
Vers 11. „Ik d o o p u", die zeg, dat gij u aan de voorwaarde van bekeering moet onderwerpen. — „Met w a t e r ", met het teeken; het inwendig verzegelen staat alleen bij Hem, Die na mij komt. — „ D i e na m i j k o m t " , Wiens weg ik bereid, „is s t e r k e r " , — Zijns is alle macht in hemel en op aarde, Hij alleen beschikt over genade, den hemel, den ingang in Zijn paleis. — „ S c h o e n e n " , — ik ben niet •waard, dat ik Hem den geringsten slavendienst bewijs, zoo groot en zoo heerlijk is Hij. — „Met den H e i l i g en G e e s t . " Een rijkelijk uitstorten van Zijnen Geest, naar de belofte, Joël 2 : 2 8 en Zach. 1 2 : 1 0 . — „Met v u u r " , — van beproeving en doorloutering. — Mal. 3 : 23; Hoofdstuk 4 : 1.
Vers 12. „ W i e n s wan in Z i j n e h a n d is." Dan Wijven de Zijnen er in; als de duivel de wan in de hand kreeg, dan bleven de huichelaars er in en niet één van die des Heeren zjjn. — „ T a r w e " en „ k a f " , wie zal dat van elkander onderscheiden? — de Heere Jesus weet het van elkander te scheiden; dan lijdt de eer van de tarwe niet meer de schande, den trots en de verdrukking van het kaf. — „O n u i t b l u s s c h e l i j k." Kaf komt bij kaf; een eeuwig vuur wordt ontstoken, — wie of wat kan ook blusschen, als de Heere het verbrandt? — „In Z i j n e s c h u u r " , — in geene vreemde. — „Te z a m e n b r e n g e n " , — als het uit de bolsters geslagen is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 januari 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Aanteekening op Mattheüs 3 : 1—12.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 januari 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken