Bekijk het origineel

De beteekenis van den Heiligen Doop in verband met den doop van onzen Heere Jesus.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De beteekenis van den Heiligen Doop in verband met den doop van onzen Heere Jesus.

(Lukas 3 : 21 en 22 )

19 minuten leestijd

De Doop, de Heilige Doop, wat ligt daar toch wel in opgesloten? Gij zijt gedoopt, ik ben gedoopt. Is dat bloot eene ceremonie geweest? Was het iets, dat menschen hebben uitgedacht, eene menschelijke, kerkelijke instelling, zooals er zoovele zijn? Helaas het bij de menschen. De Doop wordt beschouwd als eene zaak van gewoonte. De Joden hadden in de plaats daarvan de Besnijdenis, en zij zullen dat Sacrament ook wel uit gewoonte hebben gebruikt, evenals het bij de Christenen eene gewoonte is, dat de kinderen gedoopt worden; het zou immers een vergrijp tegen de goede Christelijke zeden zijn, zijn kind niet te laten doopen. Maar wat beteekent dan wel do Doop ? Niets! beweren sommigen heden ten dage, de Doop beduidt niets, volstrekt niets. De ongeloovigen en onbekeerden zeggen het ten minste, dat de Doop volstrekt niets te beduiden heeft, dat het enkel eene gewoonte, een gebruik is. Van de honderd kinderen is er niet een, dat bedenkt, wat het zegt, dat het gedoopt is, ja het denkt er niet eens aan, dat het gedoopt is En niets, volstrekt niets heeft het in, zeggen de wederdoopers, en daarom doopen zij nogmaals, en, als het geene goede uitwerking heeft, nogmaals en nogmaals.
Als de menseh niet iets gedaan heeft, kan het geene waarde hebben. Wat zal dan waarde hebben ? dat de mensch zich eerst heeft aangekleed, en dan iets verwacht van den duivel ? — Welgelukzalig de man, die van harte dit van God afsmeekt:
Zie op mij in gunst van boven;
Wees mij toch genadig, Heer!
Eenzaam ben ik en verschoven,
Ja d'ellende drukt mij neêr.
'k Roep U aan in angst en smart;
Duizend zorgen, duizend dooden
Kwellen mijn angstvallig hart;
Voer mij uit mijn' angst en nooden.
Ik zeg: Welgelukzalig de man, die zoo voortdurend moet klagen en zuchten; hij zal leeren en verstaan, wat de Doop is, en wat die beduidt; hij zal het verstaan, ook voor zijn zaad, en zal het zijnen kinderen en kindskinderen kunnen mededeelen. — Wat nu de Doop beteekent, wenschen wij in het kort na te gaan, en wel voornamelijk naar aanleiding van den doop van onzen Heere en Heiland Jesus Christus, zooals wij dien in Luk. 3 : 21 en 22 beschreven vinden.
Het eerste, wat ik heb mede te deelen, is dit: De God, Die boven in den hemel woont, en niet verre is van eenen iegelijk onzer, de God, Die alles vervult en alomtegenwoordig is, is drieëenig. In den Doop van onzen Heere en Heiland Jesus Christus is dit voornamelijk openbaar geworden. Wij zien daar den Zoon Gods uit het water opkomen. Wij zien verder den Heiligen Geest „in l i c h a m e l i j k e g e d a a n t e " , zooals de Evangelist Lukas zegt, „ g e l i j k e e n e d u i f " nederdalen op den Zone Gods; en wij hebben wel te letten op dit „in lichamelijke gedaante", wijl de Heilige Geest niet bloot eene kracht is, maar wezenlijk, persoonlijk onderscheiden van den Vader en den Zoon, een waarachtig Persoon in het Goddelijk Wezen.
Voorts hooren wij de stem uit den hemel: „Gij z i j t M i jn g e l i e f d e Z o o n . in U heb Ik M i j n w e l b e h a g e n ".
Die hier zegt: „Gij zijt Mijn geliefde Zoon", is de Vader.
Derhalve: „Drie zijn er, Die getuigen in den hemel : de Vader, het Woord en de Heilige Geest, en deze Drie zijn Eén".
En deze Drie zijn niet drie Almachtigen, maar één Almachtige; en deze Drie zijn niet drie Genadigen, maar één Genadige.
En deze Drie zijn in één Wezen vereenigd; Zij leven en zijn.
God was. voordat wij waren. God zal zijn, als wij ons niet meer op aarde bevinden; en Zijn Woord is evenals Hij, het blijft en is machtig, om te doen, wat liet belooft; en Zijn Verbond staat vast; en wat Hij belooft, kan Hij doen en zal Hij doen.
Hij is almachtig, de Eerste en de Laatste in het strijdperk.
Zoo wordt onze zaligheid niet afhankelijk van ons, maar alleen van Hem. Dat moet vastgehouden worden, bij alien ondank omtrent den Doop, die er in den mensch is, bij den ondank, waarmeê men vergeet, dat men gedoopt is, en waarmee men God den Kinderdoop in het Aangezicht werpt. Wat God gedaan heeft, dat hebben wij eerst te bedenken. In den Doop van Christus is ons geopenbaard de drieëenige God, Yader, Z on en Heilige Geest, drie Personen, één in Wezen, de waarachtige, eeuwige God, Die leeft en is En wat Hij gisteren deed, is Hij vandaag niet vergeten; en wat Hij voor veertig jaren en voor achttien eeuwen deed, is Hij voorzeker heden niet vergeten. Wat Hij voor jaar en dag heeft bevestigd en verzegeld, zal Hij handhaven, en geen duivel zal zijnen klauw aan Zijn heilig zegel slaan.
Ik ben gedoopt; dat is bij den mensch niet enkel eene zaak der gedachtenis. Men is in de kerk gedragen en met water besprengd ; er werd daarbij gezegd: „Ik doop u in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes". Maar is het daarmeê uit ? Neen! De drieëenige God heeft Zich daardoor tot u nedergebogen, mijn kind! de drieëenige God heeft Zich tot u nedergebogen, volwassene, opdat gij niet meer zoudt staan in het schuldboek der Wet, in het register der onderdanen des duivels en der macht der duisternis. Uw naam is overgebracht in het Boek des levens, in het Boek Gods. Dat hebben Vader en Zoon en Heilige Geest gedaan. De handeling is als alle handelingen Gods eenvoudig, klaar, waar en duidelijk, voor het verstand schijnbaar van geene beteekenis. Maar God verbergt Zich altijd, als Hij komt met Zijne koninklijke genade; evenwel, al komt Hij ook nog zoo eenvoudig en onzichtbaar, men zal toch weten, Wien men voor zich heeft, en wat er gebeurt, namelijk, dat God, Vader en Zoon en Heilige Geest, het kind met Zijn teeken beteekend, met Zijn zegel verzegeld heeft, zoodat het kind van nu aan niet op zijnen eigen naam staat, maar op den Naam des drieëenigen Gods. Het is echter de macht der duisternis, dat de beteekenis van den Doop wordt verzwakt en uitgewischt, zoodat de mensch niet meer weet, wat hij aan den Heiligen Doop heeft Want het behoort niet in onzen tijd tehuis, dat men de beteekenis van den Doop handhaaft; waar alle zinnen, alle gedachten slechts op het materiëele gericht zijn, waar men het Woord voor Gods Woord wil houden en daarnevens de wereld en den duivel wil dienen, wat zal het daar beduiden, wat zal het baten, dat men op den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes is komen te staan?
Maar niettemin zal het toch waar blijven, dat wij herschapen •en geroepen zijn van God, den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, om Hem te houden voor den eenigen en waarachtigen God, om Hem in waarheid te dienen, in een ongeveinsd geloof, als nieuwe schepselen. Men zal daarom tot het kind zeggen: „Weet gij niet, dat gij den Heere uwe hand hebt gegeven, dat gij niet meer uw eigen zijt, en niet kunt doen, wat gij wilt, dat gij uwe lusten en begeerten hebt vaarwelgezegd?" — „Maar het kind'verstaat immers niets! men kan het zeggen, zooveel men wil, het blijft dood!" — Heeft wellicht God het doode kind in den Doop geen leven willen geven? heeft Hij het misschien niet met Zijn zegel verzegeld? is het God geen ernst geweest met hetgeen Hij heeft gesproken ? De duivel hale die vraag! Als God Zijnen zegen zendt en Zijne zon laat schijnen, dan zegge de onrechtvaardige niet, dat Gods zon hem niet heeft bestraald, dat God hem Zijnen zegen niet heeft gegeven. Maar het kind is dood en blijft dood. Het kind denkt: Ja, misschien zal ik mij eens bekeeren, als de tijd daartoe komt. En vader en moeder voeden het kind op en zeggen en zuchten: „Ach, dat onbekeerde kind!" ten minste als zij niet volkomen blind zijn en aan hun kind niets dan voortreffelijkheid en deugd zien, en hun vleesch liever hebben dan God! Bij de kinderen zit het in den schrikkelijken dood, bij de volwassenen in hun ongeloof. Het gaat ten laatste toch door de enge poort, daar moet het doorheen. En is men er door, — welk eene pracht en heerlijkheid, welk een glans en genot en zalig leven! Daar moet het doorheen, door de enge poort, reeds hier op aarde. Kinderen, jongelingen, jongedochters, die mij verstaat, gaat in uwen dood tot God en zegt: „Mijn God, mijn God! hebt Gij mij dan niet laten doopen? en zie, dood lig ik hier voor Uwe voeten, en ik weet, dat de liefde der wereld nog in mij is, en dat ik verkeerd ben! Maar o God! het is toch ook waar, dat Gij mij op Uwen Naam hebt overgedragen, dat Gij mij voor Uwe rekening hebt genomen! Ontferm CJ over mij!" — denkt niet, dat gij eerst langen tijd boete moet doen, dat gij eerst beter moet worden, dat gij u eerst moet bekeeren, om dan eerst tot God, uwen Heiland, te mogen gaan. Daarmeê houdt de duivel kinderen en volwassenen van God af. Neen, gij z i j t verzegeld, gij h e b t het teeken van Boven in den Doop. God wil uw God zijn! Onbekeerd, dood kind! geef Hem hart en hand en zeg: „Levende God, ontferm 1 ' ! " Het leven is bij Hem ! de dood bij ons! Als wij echter in onzen dood tot Hem komen, heeft er eene opstanding plaats, zoo zeker als het leven almachtig is en den dood heeft verslonden. Maar de beteekenis van den Doop is uit de harten verdwenen en in de plaats daarvan komt de duivel met de zoogenaamde Bevestiging, en de antichrist met zijne hostie, en de Doop zal niets beteekenen! Gij hebt in den Doop op u genomen, den Drieëenigen God Vader en Zoon en Geest, te belijden, en voor Hem te leven als een nieuw schepsel. Neen, veeleer heeft God, de Drieëenige God, toen gij gedoopt werdt, u het teeken en zegel gegeven, dat gij een nieuw schepsel zijt.
„Was ik een nieuw schepsel? toenmaals? Ik ben immers eerst in mijn twintigste of vijf-en-twintigste jaar b e k e e r d ! "— Hebt gij God geschapen, of God u ? hebt gij de genade aangebracht, of heeft Hij dat gedaan aan het kruis? als Hij de gerechtigheid toerekent en Zijn Verbond met de Gemeente opricht, wat wilt gjj dan nog vragen, of God het heeft gedaan, of niet? Als de palmboom pas eenige duimen hoog ia, draagt hij nog geene vrucht; maar de kiem der vrucht d r a a g t hij toch, wacht maar, tot de tijd komt. —• „Ach, ik weet niet, of ik ook bekeerd ben ! Er is wel een tijd geweest, dat ik kon gelooven, maar nu kan ik het niet meer. Ik weet niet, of mijne bekeering ooit iets te beteekenen heeft gehad ! " —
Maar weet gij dan niet, dat God Zich tot u gewend, Zich tot u gekeerd heeft? Wend u duizendmaal tot God en bekeer u; als God Zich niet tot u wendt, dan vaart gij toch ter helle! Gij kunt een groot licht zijn, gij kunt een vader, eene moeder in Israël zijn en toch ter helle varen. „Wend U tot mij, en wees mij g e n a d i g , want ik ben eenzaam en ellendig", dat is het rechte gebed. Yoor God zijt gij een nieuw schepsel; Hij heeft u daarvan het teeken en zegel geschonken in den Heiligen Doop. — „Maar daarvan zie ik toch niets aan mij, dat ervaar en bevind ik niet; j a ik moet eer het tegendeel bij mij zien; al wat aan mij is, is nog de oude mensch, en ik zou reeds als kind een nieuw schepsel geworden zijn?" — God houdt vast! daarom vrees niet, als Hij in genade roept. Hij heeft Zijn huis openstaan voor de verlorene zonen, en de verlorene schapen gaat Hij als een trouw Herder wel na. Wel is waar leest menigeen met een onverschillig hart wat er als nieuwe schepselen van ons wordt geëischt; hij gaat zijnen wereldschen gang, heeft Gods Woord lief, maar past het niet op zichzelven toe, «n raakt Zijne geboden met geenen vinger aan. Zoo gaat de mensch daarheen, als het geene waarheid bij hem is; waar echter de ware waarheid is, de waarheid uit den hemel, daar zinkt de mensch weg en wordt te niet voor Gods Majesteit, voor Gods Woord en Wet, die van een nieuw schepsel eischt, dat er berouw over en haat tegen de zonde in den mensch zij, en hij zijne lusten en begeerten hebbe afgelegd. Dan zucht hij: „Ach, wat zal ik zwakke! Hoe kom ik toch eenmaal aan deze nieuwe schepping, waarbij de oude mensch afgelegd i s ! " Daar komen dan de wederdoopers en zeggen: Laat u nog eens onderdompelen in het water, dan is de oude mensch verdronken Zoo leidt de duivel de menschen bij den neus! Wacht •veeleer in de benauwdheid des harten op God, en blijf zuchten:
'k Roep U aan in angst en smart;
Duizend zorgen, duizend dooden
Kwellen mijn angstvallig hart;
Voer mij uit mijn' angst en nooden!
Wacht slechts! „Ik wil u hebben", zegt de Heere, „gij zijt Mijn k i n d ! ' Gij kunt het niet loochenen, gij hebt het ondervonden, dat God u genadig is. Gij kunt het niet loochenen, dat Hij u reeds heeft bezocht, daar en daar, onder den vijgenboom, toen gij klaagdet vanwege uwe zonden. Gij kunt het niet loochenen, dat God reeds met u is geweest, ja, dat uw hart geneigd is tot Gods gebod, al zijn ook uwe handen gebonden. „Gij zijt een verdwaald schaap, — Ik moet u hebben, gij zijt Mijn", zegt God. — „Maar ik heb niets! ik kom altijd in alles te kort. Ja, verbroken ligt daar mijne bekeering, mijn geloof', mijn gebod, mijne plechtige geloften. Alles heb ik verkwist, alles heb ik laten vallen 011 mijn hart ligt in het vuil en slijk der zonde!" — Wilt gij den duivel gelooven, zoo daal nog eenmaal af in het water. Wilt gjj den duivel gelooven, zoo begin nog eens en bekeer u nogmaals en nogmaals, en kruisig u en heilig u meer en meer. en verander aan u, zooveel gij kunt, totdat gij ten laatste weêr in staat zijt. om tot God te zeggen: „Ik ben weêr vroom!" Wilt pij echter God gelooven, zoo laat u verdoemen en veroordeelen, maar hoor, wat Hij u verkondigt.
Het Evangelie Gods houdt u den Christus voor, Dien de Vader u besteld heeft. „Ik kom van boven, uit den hemel" zegt de Heere Jesus; en van Hem zegt de engel: „Het Heilige, Dat uit u (Maria) geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden". Het Kindeken Jesus trok eerlang naar het verachte Nazareth, niet naar Jerusalem. de heilige stad, maar naar Galilea der Heidenen. Een Galileër was Hij, een Nazarener, en Hij sprak de gemeene, platte taal van Galilea. Hij werd niet groot en voornaam opgevoed; een timmerman en bouwmeester was Hij, een Bouwmeester. Die hemel en aarde heeft gemaakt. Intusschen doopt Johannes aan de Jordaan en predikt bekeering, eu het volk gaat tot hem uit in de woestijn. Zoo zegt dan ook Jozef: „Ik ben wel een kind Abrahams lieve Jesus, ik ben besneden, heb de belofte, maar ik ben een Heiden geworden, en nu ga ik ook naar de Jordaan en laat mij doopen door hem, dien God daartoe heeft gezonden". —
„Ja maar, lieve vader, als gij u als een Jood laat doopen, en als een Heiden weêr uit het water opkomt, wat hebt gij dan?" — „Vergeving der zonden". Van welke zonden? Dat ook hij het Kind Abrahams heeft vermoord; — zijne zonden blijven dan in het water. — „Ja", zegt Jesus, „maar het water kan toch geene zonden wegnemen, dat doet alleen het b l o e d ! " — „Ongetwijfeld, dat kan alleen het bloed doen ! Zal ik dan niet naar de Jordaan gaan?" — „O ja, ga maar heen! Als gij dan uit het water opkomt als een Heiden en niets meer bezit, dan zult gij een Lam zien, en Dat doet h e t ! " — En Jozef gaat met vrouw en kind, — met vrouw en kind, zeg ik, want niet alleen de volwassenen lieten zich doopen, maar ook de kinderen werden gedoopt; het geheele huisgezin ging mede. Het waren echter niet dan arme menschen; het algemeene armenhuis van Galilea (laat mij zeggen) gaat naar de Jordaan. En ook het Lam Gods in hun midden gaat daarheen als een verloren schaap, als een verloren zoon, als ware Hij een zondaar, een Adamskind, dat ook alles heeft verspild. Hij gaat daarheen als een arme en ellendige; hoewel een kind van Abraham, hoewel besneden, Hij gaat uit naar de Jordaan, om af te leggen, dat Hij een besnedene, een kind Abrahams is. Maar hoe komt Hij er toe, om dat te doen ? Ja, wie kan begrijpen, wat er in het gemoed des Heeren omging, toen Hij het deed ?
Hij is niet een mensch, die gezondigd heeft, Hij is Gods Zoon.
Maar dat is juist de Majesteit en grootheid van onzen Goden Heiland. Hij is niets meer en wil niets meer zijn dan de armste onder de armen, als Hij tot God gaat. Wonderbare grootheid van Zijne koninklijke Majesteit; Hij gaat daarheen, en Hem drukt zonde, die Hij niet heeft gekend, Hij gaat in de verdoemenis, overdekt door de wateren der Jordaan. Zie, Hij gaat daarheen als een onbekeerde, als een onwedergeborene; Hij wil niet een besnedene, niet een kind Abrahams zijn. Zoo neemt Hij al uwe zonde, uwe valsche wedergeboorte en eigengemaakte bekeering op Zich. Hij komt tot Johannes den Dooper Deze wil Hem niet doopen. „Neen, neen!" zegt hij, „ik doe het niet. volstrekt niet! Gij moet eerder mij doopen !" Maar zoo zou de genade niet tot stand komen „Het betaamt ons", zegt Jesus, „alle gerechtigheid te vervullen." God had gezegd : „Op Welken gij den Geest zult zien nederdalen en op Hem blijven, Deze is het". De Heere Jesus ging dus uit naar de Jordaan, om Zich met al het volk te laten doopen. Hij was niets, niemand kende Hem; Hij kwam mede uit het algemeene armenhuis, een arme als alle andere armen. Den Mensch Jesus Christus zien wij nederdalen in liet water, en als Hij gedoopt uit het water opkomt, worstelt Hij in het gebed ! Alles is weg, genade weg, besnijdenis weg, gerechtigheid en heiligheid weg, alles is weg. Maar Hij bidt, in den hevigen inwendigen strijd bidt H i j , en overwint!
„Welnu, gjj zijt een nieuw schepsel; gij hebt den nieuwen mensch aangedaan, hoewel gij zegt: Ik ben een oude mensch."
Zie, zie daar! Hij worstelt, Hij worstelt in het gebed! — om wat te hebben? Kracht Gods, om met David te weten: „Als God een welgevallen aan Mij heeft, zal ik in Jeruzalem komen". — Hij worstelt in het gebed. Daar scheuren de hemelen, en neder daalt Hij, van Wien geschreven s t a a t : „De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren". Toen de Geest op de wateren zweefde, zeide God : „Daar zij licht!" en daar werd licht! En van uit den hemel klinkt het in dit licht der genade : „Deze is Mijn Zoon, in Welken Ik Mijn welbehagen heb!" En met dezen zelfden Doop doopt ons ook de Zoon.— Hoe, de Zoon? Ja! want Hij zegt: „Doopt alle volken! Brengt hun de leer, Mijne leer! en doopt hen in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Wie geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden".
Welaan, gij siddert en beeft en vertwijfelt; het Evangelie echter zegt, dat de oude mensch met Hem in den dood is gegaan. Waar zal ik een onderpand zoeken voor de waarheid, dat Jesus mijnen ouden mensch met Zich aan het kruis heeft gehangen, dat Hij met mijnen quasi-nieuwen mensch, met al mijn goddeloos doen en laten in den dood is gegaan, dat Hij, Hij met mij, geworsteld heeft, naakt en ellendig, en dat de hemelen zich ontsloten? Ik moet het weten, dat niet hetgeen ik gedaan heb geldt, maar wat H i j gedaan heeft. Maar hoe weet ik, dat het voor mij is geschied, hoe zal mij dat hekend worden gemaakt? Het is de Geest, Die met onzen geest getuigt, dat wij kinderen Gods zijn. Maar aeh, dat getuigenis vind ik niet in mjj! Welaan, het heeft den Heere Jesus behaagd, — om wat te doen? Om te nemen brood en wijn, opdat wij zouden eten en drinken, en daarmee de zekerheid zouden hebben, dat wij in Zijn Verbond zijn. Hij heeft water genomen en liet het in den Doop op onze hoofdjes sprengen, naar Zijne belofte: „Ik zal rein water op u sprengen". En in deze daad van Hem hebt gij teeken en zegel, dat gij, hoewel gij siddert en beeft voor duivel en wereld, nochtans door en in Hem den nieuwen mensch hebt aangedaan. — „Maar ik gevoel niets!" — Laat Gods Woord toch waar blijven! Als gij dood zijt, wie zal dan voor u zorgen ? Uwe ziel wordt dan door de handen der engelen in den hemel gedragen, uw lichaam wordt in het graf gelegd, het vergaat en wordt tot stof, en wie zal die beide weder samenbrengen? Kunnen wij het doen ? Kunt gij dan voor u zorgen ? Zie, Hij moet alles doen! Werpen wij ons dus op Hem, vertrouwen wij ons Hem toe!
25 Januari 1857.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 januari 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

De beteekenis van den Heiligen Doop in verband met den doop van onzen Heere Jesus.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 januari 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken