Bekijk het origineel

II. De Brief aan de Gemeente te Smyrna. (Openb. 2:8—11.) (2de Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

II. De Brief aan de Gemeente te Smyrna. (Openb. 2:8—11.) (2de Gedeelte.)

Verklaring van de Brieven aan de zeven Gemeenten in Azië.

9 minuten leestijd

Gelijk de Heere door den dood en uit den dood als de Levende is te voorschijn gekomen, zoo gaat het ook (met Hem) Zijner Gemeente, al den Zijnen, die (met Hem) Zijnen dood gelijkvormig worden, — Hij heeft hen door eiken dood heen gebracht en zal hen door en uit eiken dood heen voeren in de kracht Zijner opstanding.
Zonde, nood en dood liggen aan Zijne voeten; het leven en de onverderfelijkheid heeft Hij aan het licht gebracht. Zijn Woord is de onbedrieglijke waarborg van elke uitredding voor allen, die op Hem wachten, op Zijne goedertierenheid hopen, om hunne zielen van den dood te redden en hen bjj het leven te houden in den honger. Hij is dood geweest en Hij is weder levend geworden; wij hebben geenen dooden God en Heer, Die niet weet te helpen, maar eenen levenden Heiland. Hij kan hooren, wanneer wij tot Hem smeeken, want Hij heeft wel ooren voor ons geroep Hij heeft ook oogen, die elk gevaar, dat ons bedreigt, van te voren zien, en Hij weet dat gevaar ook wel uit den weg te ruimen. Hij ziet ook onzen nood, telt ook onze tranen, en ofschoon Hij Zich verborgen houdt, zoo is Hij evenwel Israëls Heiland van ouds her. En o, hoe weet Hij met de moeden een woord te spreken ter rechter tijd, gelijk Hij hier doet tegenover Zijn3 lijdende Gemeente, die te Smyrna is, tot welke Hij zegt: „Ik w e e t u w e werk e n en v e r d r u k k i n g en a r m o e d e , (doch g i j z i jt r i j k ) " .
„Uwe werken", d. i. al uw doen en laten; hoe gij om Mijnentwil alles hebt overgegeven, hoe gij uzelven hebt verloochend en het kruis op u genomen Jiebt, om het achter Mij aan te dragen ; Ik weet, dat gij niet hebt aangezien het zichtbare en de wereld, maar het Woord des Heeren u heerlijker en kostelijker is geweest. Dat alles weet en ziet de Heere, hoe het ook in het verborgene zij geschied. Zijn oog is daarop gericht, of gij ook al menigmaal moogt denken: De Heere ziet mij niet, mijn weg is voor den Heere verborgen, en mijn recht gaat van mijnen God voorbij. (Jes. 40 : 27.) „Ik weet uwe werken en verdrukking", hoe het met u gaat door lijden en nood, door miskenning en verachting, hoe gij hier gestooten en daar getrapt wordt, zoodat gij dikwerf geneigd zijt aanstoot te nemen aan Mijne wegen en niet Asaf te klagen: „Ik ben den ganschen dag geplaagd en mijne straffing is er alle morgens. Zij daarentegen, de goddeloozen, zijn niet in de moeite als andere menschen en worden met andere menschen niet geplaagd". O, zij zijn allen uit groote verdrukking gekomen, zij, die voor den troon Gods staan. Hier is geene sprake van lijden, dat men door eigen schuld over zich gebracht heeft, maar van zulke verdrukking, die, met het volgen van Christus, verborgen is, dus van het lijden dergenen, die Gods Woord bewaren, bij Gods gebod blijven en over welke dan ook de gausche macht der duisternis van binnen en van buiten heengaat Wees stil en wacht daar op Mij, spreekt de Heere, Ik weet uwe verdrukking, Ik ken de hitte des ovens, in welken gij gelouterd en beproefd wordt, I k zie wel, hoede wateren van uwen nood al hooger en hooger stijgen en het u zoo bang om het hart i s ;— Ik ken ook uwe „armoede". Ja zij, die aan den Heere Jesus Christus geloovig geworden zijn, hoe dikwerf hebben zij ambt en brood verloren, hun doorkomen door de wereld scheen onmogelijk, want men wilde niet meer van hen weten, toen het bekend werd, dat ook zij tot de sekte der Nazareners of Christenen behoorden, zooals ook de Apostel Paulus schrijft aan de Hebreën (Hoofdst. 1 0 : 3 4 ) : „Gij hebt de rooving uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende, dat gij hebt in uzelven een beter on blijvend goed in de hemelen". Het waren dus meest zeer arme lieden, die zoo bijeen waren in den Naam des Heeren ; niet vele edelen, niet vele wijzen der wereld, niet vele rijken zijn het, die de Heere verkoren heeft; „doch", zegt de Heere Jesus, „gij zijt rijk". Want waar het Woord des Heeren, het dierbare Evangelie van Jesus Christus, komt en aangenomen wordt, daar brengt het alle schatten des hemels mede, rijkdommen, die elk geloovige toch niet zou willen ruilen tegen alle heerlijkheid der wereld. Met dezen rijkdom is de weduwe, die in behoeftige omstandigheden achterbleef, de wees, wien met zijne ouders naar deze wereld alles ontviel, de arme, die in een klein kamertje zijn schraal en karig stukje brood moet eten, toch oneindig veel rijker en gelukkiger dan hij, die zich in zijne schatten kan baden, doch geenen God heeft voor zijn hart en geen deel of kennis aan den eenigen troost in leven en in sterven Ezau, die vele schatten had, mocht kunnen zeggen: „Ik heb veel", — Jakob, die veel minder had, kon nochtans zeggen: „Ik heb alles", want de God van hemel en aarde was zjjn God, zijn deel in eeuwigheid.
Ach, al hadden wij ook nog zooveel, straks gaan wij ten grave en moeten hier alles achterlaten. Ook kunnen wij met al wat wij mogen bezitten, onze ziel niet loskoopen van het verderf. Wij zijn allen arme, doodarme zondaars voor God, die geenen penning kunnen betalen van onze oneindige schuld.
Welgelukzalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Welgelukzalig zij, die zichzelven schuldig kennen en verloren vaor de Wet en alzoo tot hunnen troost mogen verstaan, wat de Apostel Paulus schrijft 2 Cor. 8 : 9: „Gij weet de genade van onzen Heere Jesus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijne armoede zoudt rijk worden"; en Jakobus schrijft, (Hoofdst. 2 : 5 ) : „Heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen des Koninkrijks, hetwelk Hij belooft dengenen, die Hem liefhebben?" „Gij zijt rijk", zegt onze Heere Jesus tot de armen, die Hem liefhebben; en al krijgen zij het kapitaal niet in handen, het is onmogelijk, dat al Zijne dierbare toezeggingen niet aan hen zouden vervuld worden, — ook onmogelijk, dat dit woord niet zou waarheid worden: „Uw brood zal Ik u geven en uw water is gewis". Ja, al wat zij behoeven, zal Hij hun schenken naar Zijn woord: „Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid, en al deze dingen — waarover gij in zorg en nood zijt — zullen u worden toegeworpen ! Uw Vader in de hemelen weet, dat gij al deze dingen behoeft".
„Ik weet", zegt de Heere verder, „de l a s t e r i n g d e r g e - n e n , die z e g g e n , d a t zij J o d e n z i j n , en z i j n h et n i e t " ; zij zeggen, dat zij Gods volk zijn, dat zij God loven en Hem de eere geven, — want dat beteekent immers de naam „Joden" eigenlijk, — zij beroemen zich, dat zij hebben het ware geloof en de rechte kennis, zij verlaten zich op de Wet en roemen op God; zij weten Zijnen wil en vermeten zich te zijn leidslieden der blinden, een licht dergenen, die in duisternis zijn gezeten, zij leeren anderen en leeren zichzelven niet. Juist dezen lasteren den rechten weg des Heeren en lasteren degenen, die daarop wandelen. Zij lasterden Stefanus, zeggende: „Deze mensch houdt niet op, lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de Wet". Zij lasterden Paulus, als zij schreeuwden: „Gij Israëlietische mannen, komt te hulp! deze is de mensch, die tegen het volk en de Wet en deze plaats allen mau overal leert!" Zoo zien wij het overal in het gansche Boek van de Handelingen der Apostelen, zoo ook in hunne Brieven: de besnijdenis en de eigenwillige heiliging verzette zich steeds op het heftigst tegen de prediking van het kruis. Zulk lasteren doet, ofschoon men weet, dat alle beschuldigingen onwaar zijn, toch smart en pijn; het hart wordt daardoor gewond, en het is een bittere lijdensbeker, zulk lasteren over zich te moeten laten heengaan. Doch de Heere zegt: Ik weet dat ook wel; laat u echter niet verblinden of verschrikken door hunnen heiligen schijn, noch ook daardoor, dat zij wel eens de letter der Schrift op hunne zijde schijnen te hebben, zoodat gij, bekommerd geworden, wel eens geneigd zijt om te vragen: „Hebben zij niet toch nog gelijk?" Laat u daardoor niet verschrikken, Ik ben niet met h e n , , „ e e ne s y n a g o g e des S a t a n s z i j n z i j " , — des Satans, die er altoos op uit is, te verwoesten, wat God gebouwd heeft, — zooals de Heere het hun ook eenmaal voorhield (Joh. 8 : 39, 40 en 44), toen zij zich beroemden, dat zij Abrahams kinderen waren: „Indien gij Abrahams kinderen waart, zoo zoudt gij de werken Abrahams doen. Maar nu zoekt gij Mij te dooden, — eenen Mensch, Die u de waarheid gesproken heb, welke Ik van God gehoord heb. Gij zijt uit den vader den duivel en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een menschenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven, want geene waarheid is in hem".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 februari 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

II. De Brief aan de Gemeente te Smyrna. (Openb. 2:8—11.) (2de Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 februari 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken