Bekijk het origineel

III. Aanval en bemoediging.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

III. Aanval en bemoediging.

Eene levenstaak

6 minuten leestijd

De vijandschap tegen Tyndale nam van nu af steeds toe.
De priesters voeren heftig tegen hem uit, en waarschuwden tegen hem in herbergen en op openbare plaatsen, ten einde het volk tegen den tegenstander der Kerk op te zetten.
Niet lang daarna werd eene zitting van den kanselier des bisschops uitgeschreven en den priesters aangezegd, dat zij aldaar hadden te verschijnen. Ook Tyndale ontving eene uitnoodiging, die meteen bevel gelijkstond. Men begrijpt, welk eenen indruk dat op hem moest maken. Zijn wantrouwen was groot, hetzij wegens de dreigingen, die reeds tegen hem waren geuit, of wijl hem ter oore was gekomen, dat beschuldigingen tegen hem zouden worden ingebracht. Zeker is, dat hy er op voorbereid was, dat hij beschuldigingen zou te hooren krijgen; ook schijnt bij eene samenspanning gevreesd te hebben. Toch schrikte dat al hem niet af van te verschijnen. Doch opweg naar den kanselier zijnde, riep hij uit de diepte zijns harten tot God, Hem biddende om kracht, „om vast te staan in de waarheid Zijns Woords" en daarvan te getuigen.
Dat Tyndale door de heeren niet bijster vriendelijk zou worden ontvangen, is duidelijk. De kanselier betoonde zich inderdaad uiterst verbitterd jegens hem. Heftig voer hij tegen den jonkman uit, liet hem scherpe woorden hooren en „behandelde hem, als ware hij een hond geweest". Ook de priesters lieten zich, gelijk t e . denken was, niet onbetuigd. Weinig goeds bleef er aan den armen Tyndale over. Hij was, zoo beweerde men, in alles een ketter, in zijne redeneeringen, zijne gevolgtrekkingen, zijne Godgeleerdheid enz. enz. Allerlei werd hem ten laste gelegd, doch zonder dat een eigenlijke beschuldiger kon worden aangewezen, ofschoon al de priesters uit den omtrek tegenwoordig waren, 't Was de gewone manier: beschuldigen zonder bewijs.
Doch het bleef niet bij beschuldigingen aangaande de leer en wat dies meer zij. „Gij steekt boven al de groote heeren hier in 'tland trotsch het hoofd op", zoo spraken zij, „maar gij zult andere dingen te hooren krijgen".
Onder dat alles bleef Tyndale kalm en stond zijnen aanvallers rustig te woord. „Ik neem er volkomen genoegen meê", zoo sprak bij, „dat gij mjj brengt, naar welk deel van Engeland gij wilt. Geef mij tien pond ' s j a a r s om van te leven en leg mij geene andere verplichting op dan kinderen te onderwijzen, en te prediken. Meer verlang ik niet".
Op zulk eene taal moest men wel met de beschuldiging van hoogmoed zwijgen. Tal van vragen werden hem nog gedaan, maar het gelukte niet, hem in eenigen strik te vangen. Ten slotte vertrok Tyndale weêr, zonder dat men iets bepaalds tegen hem had kunnen vinden en weldra bevond hij zich weder in het huis van zijnen meester, ridder Welch.
Doch niet alle kanseliers waren als de bovengenoemde; dat zou blijken. Niet ver van daar woonde namelijk een geestelijke, die vroeger eveneens kanselier bij eenen bisschop was geweest.
Deze oud-kanselier was reeds sinds jaren een goede bekende van Tyndale, en 't is begrijpelijk, dat de jongere, in zoo moeilijke omstandigheden, als waarin hij thans verkeerde, den oudere opzocht, om hem raad te vragen ook omtrent den weg, welken hij had te volgen en om „hem zijn hart te openen".
Dr. Munmouth — zoo heette de bejaarde geleerde — ontving zijnen jongen vriend hartelijk en luisterde aandachtig naar hetgeen de laatste zeide, die hem velerlei te vragen had, al» aan eenen man, wien hij vrijmoedig zijn hart dorst openen.
Zeldzaam voorrecht in dagen, waarin elk belijder der waarheid zich het „voorzichtig als de slangen", wel dagelijks voorschrijven mocht! Het gesprek liep, gelijk natuurlijk was, over tal van vragen, de Heilige Schrift betreffende. De oude geleerde hoorde ze aan en sprak toen: „Weet gij dan niet, dat de paus de antichrist zelf is, van welken de Schrift spreekt?"
Wij kunnen ons voorstellen, dat Tyndale zijnen ouden vriend met stomme verbazing aanzag, verrast wellicht, zoo eensklaps gedachten te hooren uiten, die reeds, min of meer duidelijk, in zijne eigen ziel waren opgekomen. Doch de ander, begrijpende, hoe licht zijn jonge vriend in nieuwe moeilijkheden kon komen, als hij elders zich in dergelijken geest uitliet, vervolgde: „Maar pas op, wat gij spreekt. Want als het gemerkt wordtr dat gij van dat gevoelen zijt, zal het u het leven kosten."
Het gesprek ging nu voort en de oude doctor merkte op, hoe hij zelf een dienaar des pausen was geweest. „Maar", zeide hij, „ik heb het opgegeven en tart nu hem en al zijne werken."
Verkwikt naar den geest en versterkt in zijne overtuiging, dat hij naar den Woorde Gods oordeelde, keerde Tyndale van zijnen ouden vriend huiswaarts Hij had veel geleerd, doch een ding het minst, te weten de omzichtigheid, die hem door den ouden man zoozeer was aanbevolen, wilde hij niet zichzelven in groot gevaar brengen. Wel kenmerkte hem schrander beleid,, maar de kracht zijner overtuiging en de felheid der tegenstanders drong hem soms tot spreken, meer dan, althans uit het oogpunt der omzichtigheid, goed was.
Kort nadat Tyndale van Dr. Munmouth de bovenvermelde vermaning had ontvangen, kwam hij in gezelschap met eenen Godgeleerde, die voor een wetenschappelijk man doorging, een ijverig aanhanger der heerscliende Kerk. Het kon niet anders, of het gesprek kwam al spoedig op deze laatste, op de vele misbruiken en ingeslopen dwalingen. Doch dit was bij den geleerden geestelijke aan eens dooven mans deur geklopt. De Kerk was goed, de paus onfeilbaar, in één woord slechts wargeesten en ketters konden iets hebben aan te merken.
Zulke taal nu kon Tyndale niet aanhooren zonder ernstig protest. Met al de kracht zijns geloofs, met al den ijver, die in hem was, kwam hij tegen de beweringen van den ander op.
Deze raakte meer en meer in het nauw en wist eindelijk niet anders uit te brengen dan deze lasterlijke woorden: 't Ware nog beter, dat wij Gods wetten misten dan die van den paus!"
Tyndale gloeide van verontwaardiging. Vol Goddelijken ijver en dit lasterlijke zeggen niet kunnende dragen, barstte ook hij los en riep, alle omzichtigheid vergetende, uit: „Ik tart den paus en al zijne wetten!"
De doctor wist niet, wat hij hoorde. Wie dorst zoo iets zeggen!
Doch in 't minst niet ontmoedigd ging Tyndale voort: „Als God mij het leven spaart, zal ik maken, dat binnen weinige jaren een jongen, die den ploeg drijft, meer van de Schriften weet dan gij."
Ons wordt niet gemeld, welk bescheid hierop volgde. Maar dit is zeker, Tyndale sprak hier eene profetie uit, die vervuld zou worden en het werd reeds nu duidelijk, wat levenstaak hij met de hulp Gods hoopte te volbrengen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 februari 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

III. Aanval en bemoediging.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 februari 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken