Bekijk het origineel

3. De Franken en de Saksen. De heerschappij der Romeinen gaat te niet. (1ste Gedeelte.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

3. De Franken en de Saksen. De heerschappij der Romeinen gaat te niet. (1ste Gedeelte.)

I. Uit de geschiedenis der eerste bewoners. (+- 150 J. v. Chr. - 922 n. Chr.)

6 minuten leestijd

Toen in het jaar 71 n. Chr geb. de opstand der Bataven bedwongen was en de Romeinsche banieren weêr op onzen bodem geplant waren, zal zeker geen Romein er aan gedacht hebben, dat het geduchte wereldrijk eenmaal door de Germanen zou te gronde gericht worden. En toch, zoo geschiedde het.
Binnen de grenzen van het Romeinsche Rijk, waartoe destijds ook het Joodsche land behoorde, was de Heiland der wereld geboren en had Hij verlorenen het Evangelie van verlossing en behoudenis gepredikt. Door den Romeinschen stadhouder Pontius Pilatus was Hij overgegeven tot den kruisdood. Na Zijne opstanding van de dooden en Zijne hemelvaart werden al spoedig de Apostelen en al degenen, die Zijnen Naam voor de menschen dorsten belijden, door Joden en Heidenen vervolgd. Zij achtten echter den scheldnaam „Christenen", dien de vijanden hun gaven, eenen eerenaam en hielden niet op te getuigen van den eenigen Naam, die onder den hemel gegeven is, opdat wij zouden zalig worden. Zoo moesten dan de vervolgingen dienen, om het Evangelie van Christus naar alle oorden van het Rijk te brengen. En geene macht of list, geen vijand kon de Gemeente van Christus uitroeien, want naar de belofte van haren hemelschen Koning zouden de poorten der hel haar niet overweldigen. Drie eeuwen lang werden de Christenen ten bloede toe verdrukt en moesten zij lijf en goed veil hebben voor het getuigenis der waarheid. Zij werden bespot, gekerkerd, gegeeseld, uitgerekt, gesteenigd, onthoofd, in stukken gezaagd, verbrand of voor de wilde dieren geworpen.
Doch met dat alles bewerkten de vervolgers het tegendeel van wat zij beoogden; het bloed der martelaren werd het zaad der Kerk. Het Woord Gods bleek machtiger te zijn dan vuur en zwaard, ja onverwinnelijk. Den zwakken gaf het kracht, om niet te zwichten voor het vereenigd geweld van wereld en duivel, maar getrouw te zijn tot in den dood, en van vijanden maakte het vrienden. Onder de hitte der vervolging werden allerwegen nieuwe Gemeenten gesticht, die onder bloed en tranen tot bloei geraakten. In alle stilte maakte het Evangelie veroveringen, en dat niet alleen onder de lagere, maar ook onder de hoogere standen. Naarmate nu het verval in zeden bij het Heidendom toenam, rezen de Christenen door hunnen eerlijken wandel in de schatting van vriend en vijand. Ten laatste begrepen de keizers, dat hun belang het meebracht, de Christenen te dulden en te beschermen. Daaruit is het te verklaren, dat keizer Constantinus de Groote in 324 het Christendom tot staatsgodsdienst verhief. Sinds werd het eene eere, Christen te heeten. Yan dien tijd af nam echter het inwendig verval der Kerk, die door geenen uitwendigen vijand meer tot Christus, haren Koning, werd uitgedreven, hand over hand toe. De Kerk haakte meer en meer naar aanzien en eer bij de menschen en naar uiterlijke pracht en praal, en verachterdein dezelfde mate van het eenvoudig en kinderlijk geloof.
Intusschen was het Romeinsche Rijk ten doode opgeschreven.
De tijd naderde, waarin de Heere de gruwelen van eeuwen her aan Rome zou bezoeken. Hij gedacht ook aan het onschuldig bloed, dat door of vanwege de Romeinen was vergoten. Hadden zij Gods gericht aan de Joden voltrokken, nu was de tijd gekomen, waarin henzelven de roede der vergelding zou treffen. Tot de uitvoerders van Zijne oordeelen nu had de Heere de Germanen bestemd.
Uit Azië riep God een woest en talrijk volk, met name de Hunnen, die in groote scharen Europa in het Oosten binnendrongen, en, steeds verder westwaarts trekkende, de volken, die zij op hunnen weg ontmoetten, öf onderwierpen, öf voor zich uitdreven. Zoo zagen ook de verschillende Germaansche stammen, die buiten het Romeinsche Rijk woonden, zich genoodzaakt om op te breken en elders een heenkomen te zoeken. Het eene volk drong het andere en natuurlijk stiet men al spoedig op do grenzen van het wereldrijk. Wel spanden de Romeinen allekrachien in, om de barbaren (zooals zij de onbeschaafde volken en in het algemeen allen, die geene Romeinen waren, noemden) te keeren,. wel dreven zij hen herhaaldelijk weêr over de grenzen, wel boezemden de Romeinsche legioenen den Germanen langen tijd ontzag in, doch er was ten laatste geen houden aan; de toevloed der krachtige en onverschrokkene Germanen was te groot, de aandrang te sterk, zoodat zij eindelijk als een teugellooze stroom zich over het Romeinsche rijksgebied uitbreidden. Tot twee keer toe werd Rome zelfs ingenomen en geplunderd, en het moest het aanzien, dat in het Westen verscheidene Germaansche rijken werden gesticht.
De beweging onder de Germaansche stammen, waartoe de Hunnen (in 375) den stoot gaven, is in de geschiedenis bekend onder den naam van de „Volksverhuizing". Doch reedsvoordat deze gebeurtenis plaatsgreep, hadden de Romeinen hun gebied herhaaldelijk tegen invallen van Germanen te verdedigen. Sinds het jaar 300 trachtte nml. eene vereeniging van Germaansche stammen, bekend onder den naam van „Franken"t zich in ons land te vestigen. Wel werden zij onderscheiden keeren door de Romeinen getuchtigd, doch het eind van de zaak was, dat zij zich hier voorgoed vestigden. Zij verspreidden zich over het Zuiden des lands, en zett'en zich ook in het eiland der Batavieren neêr, zoodat de Rijn de noordgrens van hun gebied werd. De stam der Batavieren was door het onophoudelijk deelnemen aan de oorlogen der Romeinen aanmerkelijk gedund. Hoe menigvuldiger nu de invallen der Germanen werden, des te meer nam de getalsterkte der Bataven af, zoodat het ons niet behoeft te verwonderen, dat de Franken slechts zwakken tegenstand bij hen vonden. De Bataven vermengden zich met de indringers, of liever, versmolten onder hen, en sinds sprak men wel van Franken, maar niet meer van Bataven. De naam „Betuwe" echter bleef.
De Franken, die zich op onzen bodem vestigden, vormden als het ware slechts de voorhoede van een onmetelijk groot leger. Door steeds nieuwe scharen werden zij gevolgd, die zich verspreidden over België en het Noorden van Gallië. Een volkerenstroom stortte zich over de Romeinsche wingewesten uitr en Rome, op zelfbehoud bedacht, trok zijne legerbenden meer en meer terug naar het hart van het Rijk. Zoo ging dan de heerschappij der trotsche wereldstad ook over ons land te niet!
Na de Franken vestigden zich nog andere Germaansch» stammen in ons land, t. w. de Saksen, (ook eene vereeniging van stammen), die zich mede over het Noordwesten van Duitschland uitstrekten. Dezen kozen het Oosten van ons vaderland tot woonplaats. Zij verspreidden zich over het Zuiden van Groningen, over Drente, Overijsel en Gelderland (ten O. van den IJsel). Met hen verbonden zich de Tubanten en de overige stammen, die in die landstreken reeds woonden. — De Veluwe werd, ten minste in lateren tijd, door de Franken bewoond.
Van de oorspronkelijke bewoners van ons land behielden alleen de Friezen hunne zelfstandigheid en hunnen naam. Zij waren het hoofdvolk en bewoonden het land langs de Noordzee.
Hun gebied grensde in het Oosten aan den Krommen Rijn en de Vecht; daarin lag o. a. de stad Utrecht, die toen Wiltenburg werd genoemd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 maart 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

3. De Franken en de Saksen. De heerschappij der Romeinen gaat te niet. (1ste Gedeelte.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 maart 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken