Bekijk het origineel

Ter nagedachtenis van den WelEerwaarden ZeerGeleerden Heer Joan Jacob Gobius du Sart.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter nagedachtenis van den WelEerwaarden ZeerGeleerden Heer Joan Jacob Gobius du Sart.

11 minuten leestijd

Laatstleden Vrijdag had te Nijkerk o d veluwe de teraardebestelling plaats van Ds. J. J. G o b i u s d u S a r t , den 20den Februari overleden in het naburige Putten, alwaar de ontslapene, sedert 1 April des vorigen jaars, na verkregen eervol emeritaat, zich metterwoon had gevestigd.
De overledene werd den 16den April 1818 geboren te Bergharen bij Nijmegen. Na volbrachte studie aanvaardde hij in het jaar 1844 te St.-Jansga de bediening des Woords en verkondigde daarna het Evangelie van Christus achtereenvolgens te Nichtevecht, Bleskensgraaf, Raamsdonk en sedert 11 December 1870 (tot 31 Maart 1893) te Nijkerk.
Ten vorigen jare van eene ernstige ziekte hersteld, werd hij voor eenigen tijd opnieuw met krankheid bezocht, welke van dien aard werd, dat de kranke zelf gevoelde daarvan niet weder te zullen herstellen. Te midden van hevige benauwdheden getuigde hij echter van den troost, dien hij had in het Woord.
O. a. begeerde hij, dat men hem nog eens Psalm 146 zou voorlezen.
Daar de overledene te Nijkerk zou begraven worden, hadden zich de predikanten dezer Gemeente met de onderscheidene kerkelijke colleges in de consistoriekamer vereenigd; tevens kwamen daar de leden van het bestuur van het Gereformeerd Oranje-Weeshuis te Huizen, van welk bestuur de ontslapene voorzitter was; ook broeders in de bediening en vrienden, van elders gekomen, vereenigden zich aldaar, alsmede de weezen van genoemd weeshuis. Gezamenlijk gingen allen van daar en sloten zich, toen de lijkstoet de grens der burgerlijke gemeente had bereikt, daarbij aan. De stad was zichtbaar in rouw, de meeste woningen waren gesloten, en zonder tranen kon menigeen den stoet niet zien voorbijgaan.
Op het kerkhof, waar eene groote schaar van belangstellenden aanwezig was, sprak, toen de kist in het graf was neergelaten, eerst een der predikanten van Nijkerk, t. w. Ds. J. H. W e n s i n c k.
Deze bracht namens de Gemeente eenen laatsten groet aan den overledene. Herinnerd werd aan den veeljarigen arbeid van den herder en leeraar, aan het vele goede, dat hij in de Gemeente had gedaan. De spreker hield er zich van verzekerd, dat zijne nagedachtenis bij velen in eere zou blijven. Daarvoor pleitte ook de groote belangstelling, betoond tijdens zijne ziekte.
Ook voor zichzelven kon spreker niet nalaten te wijzen op den band der vriendschap, welke tusschen hem en den ontslapene was ontstaan gedurende den vierjarigen gemeenschappelijken arbeid in de Gemeente. Bij hem en de zijnen zou de naam van Ds. Gobius altijd met eere genoemd worden.
Daarna sprak Ds. J. C. G. G o b i u s d u S a r t , predikant te Eemnes-buiten. Namens de familie en achtergeblevene betrekkingen bracht spreker eenen laatsten groet. Hij wenschtte echter over het graf heen te zien, naar boven, waar Christus is. Er zijn, zoo vervolgde hij, banden, sterker dan die des bloeds, namelijk die des Woords, en deze laatste verbonden den overledene ook met zijnen jongeren, op. 33-jarigen leeftijd overleden broeder (Ds. G. J. Gobius du Sart, predikant te Arnemuiden, overleden 25 Juni 1865, de vader van den spreker). De beide broeders zijn nu vereenigd; treffend kwam die eenheid uit in het getuigenis van beiden op hun sterfbed. De jongere broeder getuigde bij het naderen van den dood: „Ik heb niets dan het naakte Woord Gods alleen"; de oudere getuigde bij het verminderen zijner krachten: „De krachten vloeien weg, maar ik ben gezonken op den Rotssteen van Gods naakte Woord". Recht getroost was hij geweest, toen spreker bij een bezoek den kranken oom wees op Rom. 8, en wel op de woorden: „Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?" De gedachte, den overledene nu vereenigd te weten niet alleen met diens broeder, maar met vele betrekkingen, die hem in de eeuwige ruste zijn voorgegaan, herinnerde spreker aan de volgende dichtregelen, die hij aan de groeve uitsprak:

Ach! waarom nog geweend
Om hen, die zijn verdwenen
Van deze zondige aard',
In Salem zijn verschenen?
Hun ziel is nu verheugd!
Wij zitten in den nood;
Zij zien hun' Goël nu, —
Wij eten tranenbrood.

Al waren zij veracht
Hier in dit vreemde land,
Nu zijn zij veilig thuis
Aan 's Vaders Rechterhand.
Zij hebben hier geloofd,
Dat Christus was de deur;
Wat immer zinken moog',
Die hoop stelt nooit te leur.

Hoe hebben zij verlangd,
Naar 't heil, dat zij nu smaken.
Zij hebben niets te doen,
Dan Christus groot te maken!
Die Christus bleef hun hoop
In 't diepst der doods-Jordaan ;
Op Hem zag 't brekend oog,
Zij landden veilig aan.

Ach, leer ons ook dien weg,
Ons armen, die hier weenen,
En wil om Jesus' bloed
Ons eens met hen hereenen.
O Jesus, Redder, Heer!
Draag Gij ons met ons kruis,
En eens de doodzee door
In 't eeuwig Vaderhuis.

Hij deelde daarop mede, dat de overledene nog getuigd had, veel troost te hebben aan eene leerrede van Dr. H. F. Kohlbrügge over Psalm 130. Ook met den ontslapene is het door nood en strijd heengegaan, ook hij heeft ervaren, dat zij, die het Evangelie van Christus brengen, eene sekte genoemd worden, welke overal tegengesproken wordt. O gij allen, die hier zijt, — aldus eindigde spreker, — ook gij, Gemeente van Nijkerk, er is geen ander Evangelie dan dat der vrije genade Gods. Dat Evangelie zij onze troost, opdat wij Hem hebben, in Wien wij volkomene verzoening hebben van al onze zonden.
Ds. A J. E i j k m a n , predikant te Amsterdam, sprak vervolgens niet alleen uit persoonlijke liefde tot den overledene, maar ook namens de broeders, deels tegenwoordig, deels afwezig, die even dierbaar geloof met den ontslapen broeder hadden verkregen. „Ons hart weent", zeide spreker, „waar ons deze broeder ontvallen is. God nain hem weg, wij zwijgen Gode; maar toch, wij zullen hem zoo missen, den trouwen vriend en hartelijken broeder, den opgeruimde van geest, die in weerwil van velerlei lijden en beproeving, nochtans, gesterkt in zijnen God, woorden vond, om anderen, ook ons, te bemoedigen. En evenwel zijn wij getroost, want hij is heengegaan in het geloof, dat Jesus de Rotssteen was zijns harten, heengegaan, om te ontvangen de kroon, hem bereid door het bloed des Lams. Wij danken God, dat Hij zoo langen tijd dezen broeder spaarde voor de Gemeente, die in hem eenen prediker der gerechtigheid had; zijn naam zal voortleven in veler hart. Wij danken ook voor den raad en troost, welken hij ons gegeven heeft."
Daarop wees spreker den eenigen overgebleven zoon op het voorrecht, dat hij in zijnen vader heeft gehad, hoe deze hem in het Woord des Heeren had onderwezen. „Op dien God vertrouwd", zoo sprak hij hem o. a. toe met een woord van zijnen overleden vader, „u verlaten op den ouden getrouwen God", Hij zal voor u zorgen, voor uwe zuster, haren echtgenoot en hun kind, over welks geboorte de ontslapene zich nog zoo grootelijks mocht verblijden. — Mogen wij voorts allen bedenken, aldus besloot hij zijne toespraak, dat, wat ons ook ontvalt, Eén blijft, namelijk God, en dat Zijn Woord nimmer zal vergaan. „Alle vleesch is als gras en alle heerlijkheid des menschen als eene bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijne bloem is afgevallen; maar het Woord des Heeren bestaat in der eeuwigheid."
Ds. H. A. J. L ü t g e , predikant te Amsterdam, herdacht daarna als vertegenwoordiger van het bestuur van het Gereformeerd Oranje-Weeshuis te Huizen den ontslapene als voorzitter van genoemd bestuur, en sprak o. m. als volgt:
„Wie onzer, die den overledene in de functie, die hij bijna 20 jaren waarnam, heeft gadegeslagen, betreurt niet het verlies, dat Huizen's stichting door dit afsterven lijdt! Hoe had het Weeshuis zijne volle liefde! Hoe warm klopte zijn hart voor de ouderloozen! Hoe onvermoeid was hij werkzaam ten nutte en tot heil van de weezen! O, de liefde tot hen, zij wortelde in de geschiedenis van het eigen hart; hare roerselen hingen op het nauwst samen, of liever, waren één met wat de drijfkracht van het eigen hart was. In den weg van velerlei beproeving werd de nu ontslapene een ellendige Gods, die nergens hulp vond voor zijne arme ziel, en als een verweesde niet dan verlatenheid voor oogen had, totdat God de Heere Zich over hem ontfermde en hem deed verstaan, wat wij Ps. 10: 14 lezen: „Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uwe hand geve; op U verlaat zich de arme; Gij zijt geweest een Helper van den wees". De ontferming en liefde Gods, in zijn hart uitgestort, wekte wederliefde, die zich openbaarde in hartelijke ontferming en warme liefde jegens de verweesden. Zietdaar den sleutel van het geheim zijner toewijding aan het lot der ouderloozen. O, hoezeer gunde hij hun alles goeds, bovenal den kostelijken, onverderfelijken schat, t. w. de zaligheid in Christus. Met welken drang des harten wees hij, de vaderlijke vriend, de kinderen zoo menigmaal op den hemelschen Vader der weezen.
Helaas, hij mocht het niet beleven, dat het huis, in 1869 mede door hem geopend, 25 jaren heeft bestaan. Hij is niet meer, en met hem is weêr een van die edele, steeds schaarscher wordende figuren verdwenen, die nog vasthouden aan het drievoudig snoer: „Kerk, Oranje en Vaderland", dat alleen in het Woord Gods zijne vastheid heeft en dat daarom door verlating van het Woord tot onherstelbare schade van land en volk zal te niet gaan.
Moge het ons intusschen tot blijdschap stemmen, dat hem hierboven het eeuwig Vaderhuis is ontsloten. Hij ontsliep nml. in zekere hope. Dit verwakkere u, ter uitvaart opgekomen weezen, om, evenals de overledene, uwe toevlucht te nemen tot den eenigen Helper, Die over dood en graf heendraagt in het oord der eeuwige heerlijkheid. O, zoekt dan dien Helper, waar Hij te vinden is, nml. in Zijn Woord. In het geschreven Woord vindt gij Hem, van Wien de u bekende spreuk in den gevel van het Weeshuis zegt:
Het Woord, Dat aard' en hemel schiep,
Is 't, Dat dit huis in 't aanzijn riep.
Dat Woord heeft overwonnen, — daarin alleen zijn wij, ouden en jongen, weigeborgen en veilig tegen den dood en alle machten der hel!
En voorts zij ons vertrouwen, ook voor dit leven, steeds op Hem gevestigd, van Wien alleen alle hulpe komt; en hier herinneren wij aan een woord van den dierbaren doode, dat ons allen moge bemoedigen: „Nooden hebben wij altijd gehad en zullen wij zeker altijd vele hebben, doch altijd kwam er, wat wij noodig hadden; op onzen God dan verlrouwd en niet vooruitgeloopen!"
Na het uitspreken van deze woorden verzocht spreker de aanwezigen te zingen Ps. 89 : 1, een der verzen, waarmede de overledene weleer het Weeshuis te Huizen had geopend.
Terstond daarop vielen de weezen in met de woorden:
„Gedenk, o Heer, hoe zwak ik ben, hoe kort van duur!
„Het leven is een damp; de dood wenkt ieder uur", enz , die ook door de omstanders werden medegezongen.
Daarna dankte de zoon des overledenen de sprekers en allen, die tegenwoordig waren, voor de liefde en belangstelling, aan zijnen geliefden vader bewezen.
Op verzoek van Ds. Wensinck werd ten slotte Ps. 72 : 11 gezongen. Daarop keerden allen terug van het kerkhof, waar de overledene zelf, in zijn leven, bij zoo menig graf, ook van dierbare betrekkingen, had gestaan.
Hij rust nu van zijnen arbeid en is thans verheven boven allen strijd en alle aanvechting. Den hoon en smaad, waaraan Dr. H. F. Kohlbriigge in zijn leven heeft blootgestaan, heeft hij niet trachten te ontgaan, daar hij niet alleen zijnen kansel aan den door velen miskenden leeraar afstond, maar ook hem verdedigde in geschrifte tegen allerlei laster, zooals blijkt uit de Voorrede van de „Betrachting over het Eerste Kapittel van het Evangelium van Mattheüs", door Dr. H. P. Kohlbriigge. In die voorrede zegt de overledene o.m. het volgende: „Zelve heb ik eenen tijd gekend, dat ik van de leer van Ds. Kohlbriigge zeide: Hoe kan het waarheid zijn? moet er dan bij mij, indien ik waarlijk wedergeboren ben, niet eene toeneming bestaan, in het afleggen van zonden, in gezindheden overeenkomstig de Wet, in het meer en meer bevinden, dat ik van heiligmaking tot heiligmaking ben voortgegaan ? moet dan de nieuwe mensch niet grooter, niet heerlijker, niet heiliger worden ?
In één woord, ik kon niet geheel instemmen met de diepe opvatting der menschelijke ellende ook na zijne wedergeboorte uit den Heiligen Geest, gelijk zij bij Ds. Kohlbriigge gevonden wordt, totdat mij de oogen wierden geopend en ik onder het lezen van vele der geschriften van Ds. Kohlbriigge eerst recht het heerlijke en zalige der waarheid leerde kennen, dat het Woord vleesch werd, dat Jesus Christus in de wereld is gekomen, niet om rechtvaardigen, maar zondaars zalig te maken, en dat wij behouden worden niet door de werken, maar door geloof, uit vrije genade".
Den troost dezer genade had de overledene in zijn leven en in zijn sterven; de heerlijkheid daarvan smaakt hij thans voor Gods troon! „Welgelukzalig is hij, die den God Jakobs tot zijne hulp heeft, wiens verwachting op den Heere, zijnen God, is. — De Heere zal in eeuwigheid regeeren; uw God, o Zion, is van geslacht tot geslacht. Hallelujah".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 maart 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Ter nagedachtenis van den WelEerwaarden ZeerGeleerden Heer Joan Jacob Gobius du Sart.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 maart 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken