Bekijk het origineel

De reiniging der tien melaatschen. (Lukas 17 : 11 — 19.) (2de Gedeelte)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De reiniging der tien melaatschen. (Lukas 17 : 11 — 19.) (2de Gedeelte)

14 minuten leestijd

En wat doet nu de heilige Heere? Gebiedt Hij den discipelen hen weg te drijven uit het vlek, opdat zij niet door deze melaatsche mannen besmet zouden worden? O, neen! Wat zegt Hij dan?
Zegt Hij tot hen: „Hebt, wat gij verlangt"? Neen, Hij zegt: „ G a a t h e e n en v e r t o o n t u z e l v e n d e n p r i e s t e r e n ".
Wat moesten de priesters met hen doen ? Zij moesten de melaatschen bezien en oordeelen, of de melaatschheid geheel en al uitgebroken was; dan wisten zij, dat het geen kwaad meer deed, en verklaarden den kranke voor rein. Was de melaatschheid niet volkomen, dan moest de mensch, die aan deze ziekte leed, elke zeven dagen wederkomen, in de hoop op genezing; wasechter de melaatschheid geheel en al uitgebroken, dan was hij doodkrank van het hoofd tot de voetzool, ieder zag het en kon zich voor hem wachten, er was niets geheels meer aan. Intusschen, God hoort, God leeft en Hij kan van de melaatschheid genezen.
En was men nu genezen, dan moest men zich weer aan de priesters vertoonen, opdat dezen er over oordeelden. Daarom zegt nu ook de Heiland tot deze tien mannen: „Vertoont uzelven den priesteren!" laten die u onderzoeken en oordeelen, of gij gezond zijt. Wonderbaar zeggen! Hij zegt niet: Weest gezond, zijt gereinigd! Als zij nu echter tot de priesters gingen en dezen hen voor rein verklaarden, dan moest immers de vraag ontstaan: Hoe zijt gij toch gezond geworden? wie heeft u van uwe melaatschheid genezen? In de woorden: „Vertoont uzelven den priesteren!" wil Hij van hen de belijdenis, de gehoorzaamheid des geloofs. Waren zij reeda geholpen, toen de Heere Jesus dit tot hen zei de ? Neen, zij riepen: „Jesus, Meester, ontferm U onzer!" En de Heere Jesus zeide tot hen: „Gaat heen en vertoont uzelven den priesteren". Toen waren zij dus nog niet gezond, maar waren nog melaatsch; zij gingen echter heen op Christus' woord. Zoo nu doet het geloof ook ; als de Heere zegt: „Gaat!" dan gaat het heen en belijdt
En terwijl zij nu heengaan, toont de Heere, dat Hij hun geroep heeft gehoord, dat, als Hij ons middelen en wegen geeft om er gebruik van te maken, Hij ook doet komen, wat Hij gezegd en beloofd heeft. Zijn de mannen genezen om hun gebed ?
Neen, de mensch wordt niet zalig om zijne werken, niet om zijne gehoorzaamheid, niet om zijne gebeden, maar het is door de genade, dat een mensch geholpen wordt. Zoo zeide de Heere ook tot Mozes: Hef uwen staf op en klief de zee!
Dat kon toch ook de staf niet, maar alleen Gods Woord. Doch zou het zonder staf ook gebeurd zijn ? Neen, God had gezegd, dat Mozes met den staf het water zou slaan en zoo had Mozes het bevel te gehoorzamen. Zoo lag ook hier het gezond worden in den wil van den Heere Jesus, Die Zich ontfermde. Hij wilde Zijne genade verheerlijken en de wonderen Zijner macht toonen, doch zoo, dat Zijne genade en Zijn woord in het verborgen werkte. Beschouwen wij den wonderbaren Heiland.
Hij gaat daarheen, een mensch als wij, in gedaante gevonden als een mensch; maar hebt gij ooit gehoord, dat een mensch van melaatschheid verloste? Wij zien Zijn wondervol doen.
Hij gaat daar heen, een mensch als wij, en neemt uit den hemel, wat Hij wil. (Vergel. Joh. 3 : 13.) Melaatschheid genezen kan alleen God. Geneest Jesus hier als God? Ik antwoord vooreerst, dat Christus' Godheid en menschheid nooit gescheiden zijn geweest en dat de verborgene werking der Godheid ons wel onbekend zal blijven. Anderzijds zeg ik: Hij geneest als mensch, als mensch in onze plaats. Als men bij Hem aanhoudt om hulp, neemt Hij uit de volheid des Vaders genade en verlossing. Dat is het wonderbare bij den Heere. Gelijk een bedelaar, die, bij den weg loopende, eenen anderen bedelaar ontmoet, die hem om eene aalmoes vraagt, en tot dezen zou zeggen: „Ga gindsche straat in, daar zult gij duizend gulden vinden", — zoo doet de Heere, onze Heiland. Hij gaat daarheen: „als wij Hem aanzagen, zoo was er geene gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht en de Onwaardigste onder de menschen, een Man van smarten en verzocht in krankheid, en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem" (Jes 53 : 2 en 3). Zoo wandelt Hij rond, en terwijl Hij rondwandelt, wat ziet Hij van den hemel? wat ziet Hij van den Vader? Hij gelooft, en in geloof neemt Hij, wat Hij niet in de hand heeft, in geloof neemt Hij, wat Hij niet ziet, geloovende verheerlijkt Hij de genade des Vaders, verheerlijkt Hij Zijne eeuwige ontferming. Zoo heeft Hij de Wet Gods, waarvan het eerste is: God te gelooven, het tweede: den naaste lief te hebben, volkomen vervuld. Ik zeg dit, om u eenigszins duidelijk te maken, wat het geloof vermag, het geloof, dat niets ziet, niets in handen heeft; doch het geloof ziet juist de behoefte, de ellende, en dat niets anders hier kan helpen dan Gods macht, en heeft het vertrouwen, dat God Zich verheerlijken zal naar Zijne goedertierenheid, waar in waarheid behoefte, ellende, nood, zonde is. Waaaom zeg ik dat ? Om u eenigszins aan het verstand te brengen, dat het niet waar is, wat de vijand onzer ziel ons wil wijsmaken, deze gedachte namelijk: omdat ik ellendig ben, wil en kan God niet helpen, eerst moet ik vroom zijn en dan eerst kan God mij beloonen.
Dat werpt de vijand in de ziel, opdat men in zijne vroomheid zal sterven en ter helle varen en God niet zal prijzen als Ontfermer. Zoo was het ook bij negen van deze melaatsche mannen. Zij hadden geloof gehad en waren den Heere te gemoet gegaan, zij hadden eerbied gehad en waren van verre blijven staan, zij hadden nood gehad en hadden geroepen om ontferming, en toch ontbrak hun één ding. Wie een oppervlakkig gevoel van zijne ellende heeft, kan om ontferming roepen en er aan gelooven; wie zijne ellende diep, zeer diep gevoelt, zal om ontferming roepen, doch te strijden hebben met het: „Gij moogt niet, gij zijt het niet waard!" Wie zich echter niet laat weerhouden, zal in zijne ellende Gods genade en goedertierenheid ondervinden, die hem dankbaar maakt.
Terwijl zij heengaan, worden zij gereinigd. Het woord van den Heere Jesus, Zijne macht, liefde en ontferming verheerlijkt zich bij hen. Zij komen bij de priesters, en dezen verklaren hen voor rein. Daarin hebben de melaatschen toch niet gezondigd ! De Heere Jesus had immers uitdrukkelijk gezegd, dat zij dat zouden doen. Hij zeide niets anders dan: „Vertoont uzelven den priesteren". — Zij komen nu tot de priesters en deelen dezen ook mede, hoe en door Wien zij gezond zijn geworden. En de priesters zullen zeker gezegd hebben: „Ja, gij hebt nu wel dezen Jesus ontmoet, en Deze heeft, hoewel Hij anders een vervloekte ketter is, u nu eens een goed woord moeten toespreken, — zooals soms ook de duivel eene arme ziel op den goeden weg moet helpen, — doch het is maar goed, dat gij bij ons zijt gekomen. Omdat gij dat gedaan en het offer gebracht hebt, — dat is dan toch de hoofdzaak, — daarom zijt gij rein, dat heeft het eigenlijk gedaan". Zoo vergaten dan de negen mannen, dat zij onderweg de reiniging waren deelachtig geworden, en bleven hangen in de weldaad, dat zij gereinigd waren. De goede menschen waren nu rein, waren kinderen Abrahams, moesten dus noodwendig in den hemel komen, met allen, die in hunne katholieke Kerk waren. Hoe het hart was, daarnaar werd niet gevraagd. Zij hadden nu eenmaal het ongeluk gehad van melaatsch te worden en uitgestooten te worden; nu zij weder gezond waren geworden; j a , nu kwam het er op aan, God den Heere te danken, dat spreekt vanzelf; de wandel wordt nu wat vromer ingericht dan bij hen, die geheel en al in de wereld opgaan. Dat God; wanneer Hij wil, uit steenen Abraham kinderen kan verwekken, komt niet bij hen op. Hun gansche geloof gaat hierin op: Zij zijn gered, nu hebben zij het. Doch één ding weten zij niet, en dat is dit: Hij. Die mij gezond heeft gemaakt, kan mij niet gezond gemaakt hebben, tenzij Hij mijne melaatschheid op Zich heeft genomen, en God zij boven alle« geprezen in der eeuwigheid. Maar nu is er ook een Samaritaan bij. En het spreekwoord zegt: gelijke monniken, gelijke kappen. Negen melaatsche Joden waren niet beter dan negen melaatsche Samaritanen. Priesters en volk waren jegens de melaatschen zoo onbarmhartig, dat zij vergaten, dat zij voor God allen inwendig melaatsch waren, en dat zij morgen of overmorgen ook melaatsch konden worden, en zulke ongelukkigen onbarmhartig uitstieten. Jood of Samaritaan, dat was om het even, — hij is melaatsch, heette het, hij is verworpen, buitengesloten, vervloekt. Zoo doen allen, die onder de wet zijn, die door werken zalig willen worden. Zij kunnen stelen, afgoderij en overspel bedrijven, en komt er bij den een soms iets aan het licht, terstond nemen de anderen steenen op, omdat hij het niet zoo deed, dat het niet uitkwam, omdat hij het niet op zulk eene fijne wijs deed als zij allen.
„En een van h e n , z i e n d e , dat h i j g e n e z e n was, k e e r d e w e d e r o m , m e t g r o o t e s t e m m e G o d v e r h e e r - l i j k e n d e . " Hier hebben wij de volharding in het geloof, daar hij zich door de priesters en de andere negen niet liet weerhouden, om zijnen dank te brengen. Toen hij zag, dat hij genezen was, maakte hij zich op en begaf zich weder tot de fontein, waaruit hij het water des heils had geschept.
Hij keert terug, met groote stemme God verheerlijkende.
Er staat niet, dat hij Jesus verheerlijkte, maar hij verheerlijkte God met groote stemme. God, den Vader, den God van alle genade en ontferming, Dien prees hij, verheerlijkte hij, beleed hij met groote stemme, hij schaamde zich niet voor de menschen, hij wilde het wel weten, dat hij melaatsch was geweest en genezen was geworden, hij verborg het niet voor de menschen, Wie hem had geholpen; hij verheerlijkte God, zooals wij in Psalm 40 lezen: „Uwe gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; zie, mijne lippen bedwing ik niet; Heere, Gij weet het". Hij verheerlijkt God met groote stemme; doch doet hij het zoo, dat hij God in den hemel scheidt van den Persoon, Die hem heeft geholpen? Hij verheerlijkt God met groote stemme, maar waar toch ziet hij God ? In Jesus. Daarom lezen wij: „En h i j v i e l op h e t a a n g e z i c h t voor Z i j n e v o e t e n , Hem d a n k e n d e . " Daar hebben wij het geloof volkomen; dat is de dank, de waarachtige dank, die tot God wederkeert. Hij is ootmoedig, hij belijdt voor God, dat het hem onmogelijk is, God ooit dankbaar te zijn. De ootmoedige ziet op de genade, zij is zoo groot en verheven! ach en hij met zijnen zwakken dank! De ootmoedige houdt zich voortdurend voor melaatsch, ook al is hij van zijne melaatschheid genezen ; hij zou wel gaarne dankbaar zijn, doch zijne zonden slaan hem in het aangezicht, en hij zucht: Ach, wat ben ik ondankbaar! Maar toch ook weêr is deze verootmoedigde dankbaar met zijne daden, terwijl hij van zichzelven niets wil weten dan: ik ben melaatsch, en het is alleen de reddende hand Gods, dat ik rein ben.
God dus te prijzen in Hem, in Wien Hij geopenbaard is in het vleesch, daar Hij onze zonde en ongerechtigheid op Zich heeft willen nemen en wegdragen, om, ze dragende, ons vrij te maken van onzen last, — Hem te erkennen, dat is waarachtige dankbaarheid, en deze dankbaarheid konden de anderen niet brengen, omdat zij Joden waren, en Joden zijn geene menschen, maar half-engelen en hebben een erfrecht op God en Zijne genade; zij hebben den Heere Jesus niet noodig, en varen, na in dit leven Joodsch te zijn geweest, ter helle. Maar Samaritanen, dat zijn andere menschen, die zijn buitengesloten, niet als melaatschen, maar als Samaritanen, van de geboorte aan buiten den hemel gesloten. Zijn zij nu nog bovendien melaatsch, dan zijn zij dubbel verloren, en worden zij verder nog door de Joden geplaagd, dan is er eene drievoudige ellende ; dan weet men. dat men een mensch is, een mensch, gezonken tot beneden het dier En zulk een mensch, die gezonken is tot beneden het dier, en van alle gemeenschap is uitgesloten, en die zichzelven moet uitsluiten, die zal God vinden, God, barmhartig en genadig? Is het mogelijk? Ja, tenzij Iemand tusschenbeide komt, Wiens Naam is Jesus. Waar nu Deze den mensch de melaatschheid ontneemt en op Zich legt en hem daarvoor Zijne gerechtigheid en heiligheid schenkt, — o, hoe wordt daar in Jesus God verheerlijkt! In Christus wordt God aangegrepen en verheerlijkt, en waar deze belijdenis wordt begrepen, is en blijft men een melaatsche, en daar is dan ook de waarachtige dankbaarheid aanwezig, die niet kan uitblijven, als het eene genezing is voor eeuwig.
De Heere Jesus verdraagt den ondank, opdat wij, als wij des Heeren zijn, ook leeren ondank te verdragen. Hij vraagt niet naar dankbaarheid, want onze dankbaarheid heeft Hem niet bewogen, hemel en aarde te scheppen, heeft Hem niet bewogen, Zich aan het kruis te laten haugen; en wederom wil Hij het toch gaarne zien, dat de mensch erkenne, welk eenen Heiland hij in Hem heeft, opdat de mensch het bewijs geve, dat hij in waarheid geholpen is. De Heere verdraagt den ondank, gaat Zijnen gang, strooit uit, vraagt niet naar dankbaarheid of ondankbaarheid; en toch verwondert Hij Zich en zegt: „ Z i j n er g e e n e g e v o n d e n , d i e wederk e e r e n , om Gode e e r te g e v e n , dan d e z e v r e e m - d e l i n g ? " Deze vreemdeling! Wat leert ons nu het Evangelie ?
Wat ik u zeide: Het baat ons alles weinig, wij kunnen alles hebben ontvangen, God mag al Zijne goedertierenheid over ons hebben uitgestort, en toeh kan ons één ding ontbreken: dat wij niet in den grond des harten voor God geworden zijn een Samaritaan, een vreemdeling. Is men dat voor God geworden, zoodat men zichzelven voor onwaardig houdt, dan is er waarachtige dankbaarheid. De Heere intusachen strooit uit, laat regenen en de zon schijnen, — doch zal Hij daarbij jaar uit jaar in alles door de vingers zien? Nog eenen kleinen tijd was de Heere in hun midden; het duurde niet lang, of Hij was ten hemel gevaren, en werd niet meer gezien en niet meer gehoord.
Zij verhardden zich in hunne gedachten, denkende, dat de zaligheid hunner was, waarom zij zich dan ook niet als Samaritanen aan Zijne voeten wierpen.
Daar staat echter de Heere, Die genade geeft en Wiens barmhartigheid geen einde heeft; en wel hem, die in waarheid tot Hem roept om ontferming! Hij zal tot hem zeggen, wat Hij zeide tot den Samaritaan, niet: Ik heb u behouden, maar: „Uw g e l o o f h e e f t u b e h o u d e n !"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 maart 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

De reiniging der tien melaatschen. (Lukas 17 : 11 — 19.) (2de Gedeelte)

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 maart 1894

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken